Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU8894

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
201103287/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2010 heeft het CBR vastgesteld dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103287/1/H3.

Datum uitspraak: 21 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Middelburg,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 17 februari 2011 in zaak nr. 10/501 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2010 heeft het CBR vastgesteld dat [appellant] niet voldoet aan de eisen van geschiktheid en zijn rijbewijs ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Bij besluit van 20 mei 2010 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 20 april 2011 en 16 juli 2011.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2011, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, werkzaam bij het CBR, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994), doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 134, tweede lid, besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge het derde lid deelt het CBR, indien het voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen. De aan dit tweede onderzoek verbonden kosten, waarvan de hoogte bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, komen ten laste van betrokkene.

Ingevolge artikel 12, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, als bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen.

In artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.1 vermeld dat de in dit hoofdstuk beschreven eisen voornamelijk betrekking hebben op de situatie van een voorgeschiedenis van psychiatrische problematiek. Bij de beoordeling van die voorgeschiedenis is van belang: het ziektebeloop (de betrokkene zal bij voorkeur minstens een tot twee jaar vrij moeten zijn van recidieven, afhankelijk van de ernst van de aandoening), de (on)voorspelbaarheid van uitingen van de aandoening, het ziekte-inzicht en de therapietrouw van de betrokkene. Als de aandoening een reversibele organische stoornis tot grondslag had (heeft), dan kan de keurling na herstel in de regel goedgekeurd worden. Is of was een reversibele organische stoornis niet in het geding, dan doet zich de vraag voor of er restverschijnselen zijn, of dat er kans is op een recidief dat de verkeersveiligheid in gevaar kan brengen. Beantwoording van die vraag vergt een specialistisch rapport, aldus deze paragraaf.

2.2. Het CBR heeft naar aanleiding van een schriftelijke mededeling van de regiopolitie Zeeland, waaruit onder meer volgt dat [appellant] op 27 oktober 2009 afwijkend rijgedrag heeft vertoond, hem verplicht mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid, als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994. Dit onderzoek heeft op 19 december 2009 plaatsgevonden en bestond onder meer uit een anamnese en een psychiatrisch onderzoek. De betrokken keurend artsen J.M.C. de Jong, psychiater in opleiding, en M.J.T. Harmelink, psychiater, hebben in het verslag van bevindingen (hierna: het rapport) de diagnose pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO met een stoornis in de impulsbeheersing NAO gesteld. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het CBR op basis van de resultaten van het onderzoek overeenkomstig paragraaf 8.1 van de bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 [appellant] ongeschikt geacht voor het besturen van motorrijtuigen en zijn rijbewijs ongeldig verklaard.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat het onderzoek naar de geschiktheid voldoende uitgebreid en zorgvuldig is geweest, gelet op het feit dat de betrokken artsen dossierstudie hebben verricht en informatie van een voorafgaand behandeltraject hebben opgevraagd, onderzocht en meegewogen. Om die reden heeft zij de tijdsduur van het feitelijke psychiatrische onderzoek niet van belang geacht en [appellant] niet gevolgd in zijn stelling dat een half uur een te kort tijdsbestek is om tot een afgewogen oordeel te komen. Dat, zoals [appellant] heeft gesteld, hij niet aan een autisme spectrum stoornis lijdt en de door hem ondervonden psychische beperkingen zijn rijgeschiktheid niet in negatieve zin beperken, heeft hij niet met medische gegevens gestaafd. Het CBR heeft zich dan ook op het rapport mogen baseren en op grond daarvan [appellant] terecht ongeschikt geacht voor het besturen van motorrijtuigen, aldus de rechtbank.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat het CBR in het in bezwaar gehandhaafde besluit teveel betekenis heeft toegekend aan het rapport. Hij voert daartoe aan dat het door de keuringsartsen verrichte onderzoek slechts een kwartier heeft geduurd en dat de bevindingen in het rapport gedateerde gegevens betreffen. Hij ziet niet in met welke medische gegevens hij kan aantonen dat de stoornissen waarmee hij volgens het rapport bekend is geen invloed op zijn rijgedrag en rijgeschiktheid hebben. Dat hij geschikt is om motorrijtuigen te besturen, blijkt volgens hem echter uit de omstandigheden dat deze stoornissen niet aan het behalen van het rijbewijs in de weg hebben gestaan en dat hij, met uitzondering van het incident op 27 oktober 2009, dat aanleiding tot het opleggen van het onderzoek naar de geschiktheid heeft gegeven, geen antecedenten ter zake van overtredingen van de Wvw 1994 heeft. Het CBR heeft derhalve ten onrechte naar aanleiding van dat incident zijn rijbewijs ongeldig verklaard, aldus [appellant].

2.4.1. Uit het rapport volgt dat bij het onderzoek van 19 december 2009 is vastgesteld dat een psychiater verbonden aan Emergis, centrum voor geestelijke gezondheidszorg in Zeeland, de diagnose autisme spectrum stoornis MCDD/PDD-NOS bij [appellant] heeft gesteld en dat hij in verband daarmee door verschillende behandelaren is gezien. Bij de anamnese is onder meer naar voren gekomen dat de agressieregulatie en de impulscontrole bij [appellant] gestoord zijn. De keuringsartsen hebben bij het gesprek voorts vastgesteld dat [appellant] blijk geeft van een zeer matig inzicht in zijn gedrag ten tijde van het incident op 27 oktober 2009 en een matig besef van het gevaar dat zijn gedrag bij dat incident in het verkeer heeft veroorzaakt. Psychiater Harmelink is op grond van zijn specialistische kennis tot de hiervoor onder 2.2 vermelde diagnose gekomen.

2.4.2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat het onderzoek verricht door de keurend artsen niet zorgvuldig is geweest. In hetgeen [appellant] omtrent de duur van het onderzoek heeft gesteld, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. Zij heeft voorts met juistheid geoordeeld dat het CBR van het resultaat van het onderzoek heeft mogen uitgaan en op grond daarvan zich op het standpunt heeft mogen stellen dat paragraaf 8.1 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 van toepassing is en [appellant] mitsdien niet aan de eisen van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen voldoet. Met de verwijzing naar het behalen van zijn rijbewijs en de stelling dat het feit op 27 oktober 2009 een eerste incident is, maakt [appellant] niet aannemelijk dat de door de psychiater gestelde diagnose onjuist is. Zijn ontkenning van enige in het rapport opgenomen bevindingen is evenmin van zodanige betekenis te achten dat het CBR op grond daarvan tot een andere beslissing had moeten komen. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, heeft [appellant] de bevindingen van de deskundigen niet met enig - objectief - tegenbewijs, zoals een rapport met resultaten van een medisch onderzoek, weerlegd. Van belang is hierbij dat het CBR [appellant] in de gelegenheid heeft gesteld om te verzoeken om een tweede onderzoek, waarvan hij geen gebruik heeft gemaakt.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het CBR, nu het zich op het standpunt mocht stellen dat [appellant] niet aan de eisen van geschiktheid voldoet, zijn rijbewijs ongeldig diende te verklaren.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011

280-598.