Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU8878

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
201104942/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2009 heeft het college een verzoek van de aannemersbedrijven om nadeelcompensatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104942/1/H2.

Datum uitspraak: 21 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1a] en [appellant sub 1b], gevestigd te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 maart 2011 in zaak nr. 10/2878 in het geding tussen:

de aannemersbedrijven

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2009 heeft het college een verzoek van de aannemersbedrijven om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college het door de aannemersbedrijven daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door de aannemersbedrijven daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de aannemersbedrijven bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 mei 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2011, waar de aannemersbedrijven, vertegenwoordigd door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door J.P. Heinrich, advocaat te Den Haag, ing. M.P. Schaaij, werkzaam bij Rijkswaterstaat Zuid-Holland, en drs. P.A.J.M. van Bragt, werkzaam bij de SAOZ, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De aannemersbedrijven hebben verzocht om compensatie van nadeel, naar zij stellen veroorzaakt door financiële schade als gevolg van de verkeersbesluiten van 26 juni 2007 en 10 februari 2009. Door de tijdelijke afsluiting van de Noordelijke Dwarsweg in de periode 2007/2009 moesten zij, vanwege de verwevenheid van de bedrijfsvoering, omrijden van en naar de bedrijfslocaties aan de [locatie 1] te Zevenhuizen en de bedrijfslocatie aan de [locatie 2] te Waddinxveen. Ook stellen zij ten aanzien van hun bedrijfspanden aan de [locatie 3] te Zevenhuizen huurinkomsten te hebben gederfd door leegstand en huurverlaging. Voorts stellen zij dat de waarde van die bedrijfspanden is gedaald met 15%.

2.2. Het college heeft aan het besluit van 22 december 2009 het advies van 1 december 2009 van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) ten grondslag gelegd. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de SAOZ op verzoek van het college op 3 februari 2010 een nader advies uitgebracht. Voor de gronden van het besluit van 30 maart 2010 heeft het college verwezen naar een advies van de Commissie Bezwaarschriften, waarin is geconcludeerd dat het verzoek om nadeelcompensatie conform de adviezen van de SAOZ terecht is afgewezen.

2.3. De rechtbank heeft overwogen, dat, samengevat, het college de adviezen van de SAOZ aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag mocht leggen.

2.4. De aannemersbedrijven betogen allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat zij de gestelde omrijschade aannemelijk hebben gemaakt. Daartoe stellen zij dat het duidelijk is dat er schade is geleden doordat zij hebben moeten omrijden, dat zij de omrijkosten op deugdelijke wijze hebben onderbouwd en dat dit in de adviezen van de SAOZ ten onrechte niet is erkend.

2.4.1. Het betoog faalt.

Niet in geschil is dat voor de tijdelijke afsluiting van de Noordelijke Dwarsweg de afstand via de Bredeweg en de Noordelijke Dwarsweg van en naar de bedrijfslocaties circa drie kilometer bedroeg. Na de afsluiting moesten de bedrijfsvoertuigen gebruik maken van de omleidingsroute via Moerkapelle en Zevenhuizen. Deze route bedroeg circa zes kilometer.

De aannemersbedrijven stellen dat zij in deze periode 17.952 kilometer hebben moeten omrijden, dat daar 1.043 arbeidsuren mee gemoeid zijn geweest, hetgeen volgens hen een bedrag van € 64.664,00, exclusief BTW en rente, aan extra kosten betekent.

Volgens de adviezen van de SAOZ hebben de aannemersbedrijven de gestelde omrij-kilometers en daarmee in verband staande arbeidsuren niet onderbouwd. Een inzichtelijke en gevalideerde rittenadministratie ontbreekt, evenals een door een accountant geaccordeerde verantwoording van de gestelde loon- en brandstofkosten. Daarbij komt dat de SAOZ een gemiddelde snelheid van circa 17 kilometer per uur niet waarschijnlijk acht, evenmin als een tijdsduur van ruim vier uur per dag die gemoeid zou zijn met het rijden van en naar de bedrijfslocaties. Voorts acht de SAOZ het waarschijnlijk, gelet op de overgelegde jaarrekeningen, dat de gestelde stijging van de vervoerskosten verband houdt met de aanschaf van een extra vervoermiddel en met de stijging van de netto-omzet in 2007 en 2008.

De rechtbank heeft met juistheid in de stelling van de aannemersbedrijven dat de adviezen van de SAOZ onzorgvuldig tot stand zijn gekomen geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de adviezen ten onrechte aan de afwijzing van het verzoek om vergoeding van omrijschade ten grondslag heeft gelegd. De enkele stelling van de aannemersbedrijven dat de noodzaak tot omrijden bestond gedurende de tijdelijke afsluiting, dat daardoor extra loonkosten zijn gemaakt en dat zij de SAOZ daarover tijdig hebben geïnformeerd, is daartoe onvoldoende. Voor zover zij in hoger beroep alsnog een rittenadministratie en facturen hebben overgelegd, hebben zij daarmee evenmin aannemelijk gemaakt dat de adviezen van de SAOZ onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of anderszins zodanig gebreken bevatten dat het college de besluitvorming daarop niet kon baseren. De SAOZ heeft op verzoek van het college in een nadere reactie van 10 augustus 2011 laten weten dat op grond van de in hoger beroep overgelegde rittenadministratie kan worden vastgesteld dat de extra gemaakte kilometers thans substantieel minder bedragen, slechts een deel van deze extra kilometers is gespecificeerd, deze kosten niet gevalideerd zijn door een accountantsverklaring en dat de in deze specificatie opgegeven extra kilometers en extra tijdsbesteding nog steeds dermate van de controleerbare werkelijkheid afliggen dat daaraan geen betekenis kan worden toegekend. Ter zitting hebben de aannemersbedrijven kritische kanttekeningen geplaatst bij de nadere reactie van de SAOZ. Deze kanttekeningen geven evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet uit mocht gaan van de juistheid van de adviezen van de SAOZ.

2.5. De aannemersbedrijven betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat zij € 16.000,00 aan huurinkomsten hebben gederfd als gevolg van de slechte bereikbaarheid van de panden aan de [locatie 3]. Daartoe stellen zij dat de panden gedurende 14 maanden leeg hebben gestaan en door de werkzaamheden een permanent lagere huuropbrengst zouden genereren.

2.5.1. Ook dat betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college op goede gronden niet de gestelde huurderving behoefde te vergoeden. De aannemersbedrijven hebben niet aangetoond, bijvoorbeeld door het overleggen van jaarrekeningen, dat zij de gestelde schade door leegstand hebben geleden. Ten aanzien van de gestelde lagere huurinkomsten heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het overeenkomen van een permanent lagere huur een eigen keuze betreft en geen noodzakelijk gevolg is van een tijdelijke afsluiting. Dat klemt te meer, nu de overgelegde huurovereenkomsten en de daarin overeengekomen voorwaarden op onderdelen van elkaar verschillen.

2.6. De aannemersbedrijven betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college de waardedaling van de bedrijfspanden aan de [locatie 3] dient te vergoeden.

2.6.1. Dit betoog faalt evenzeer. Niet valt in te zien hoe de tijdelijke afsluiting van de Noordelijke Dwarsweg heeft geleid tot de door de aannemersbedrijven gestelde permanente waardedaling van 15% van de bedrijfspanden, waarvan zij nog steeds eigenaar zijn. Evenmin hebben zij aangetoond dat met de nieuwe tunnelonderdoorgang de desbetreffende panden met bedrijfsvoertuigen niet meer bereikbaar zijn.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.A. Hagen w.g. Van Altena w.g. Plankenen mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

voorzitter Ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011

299.