Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU8870

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
201106838/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2009 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Burgfonds The Wall B.V. bouwvergunning verleend voor het wijzigen van een reeds verleende vergunning voor het bouwen van een multifunctioneel gebouw op het perceel Proostwetering te Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106838/1/H1.

Datum uitspraak: 21 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rova B.V., gevestigd te Maarssen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 mei 2011 in zaak nr. 10/2986 in het geding tussen:

Rova

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2009 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Burgfonds The Wall B.V. bouwvergunning verleend voor het wijzigen van een reeds verleende vergunning voor het bouwen van een multifunctioneel gebouw op het perceel Proostwetering te Utrecht.

Bij besluit van 23 juli 2010 heeft het college het door Rova daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 mei 2011, verzonden op 12 mei 2011, heeft de rechtbank het door Rova daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Rova bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Rova heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2011, waar Rova, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door

mr. Th. F. Roest, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Verkerk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar Burgfonds The Wall, vertegenwoordigd door

G.L. Westerveld, H. Smits en ing. M. Hijink, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In hoger beroep is uitsluitend aan de orde het onderdeel van het bouwplan dat voorziet in het verleggen van de opstelstrook voor de in winkelcentrum The Wall aanwezige McDrive van buiten het gebouw naar binnen de parkeergarage, waarvan de door Rova geëxploiteerde bouwmarkt mede gebruik maakt.

2.2. Ter zitting heeft Rova zijn beroepsgrond dat de parkeergarage door het bouwplan tevens een industriefunctie heeft gekregen, ingetrokken.

2.3. Rova betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bouwplan op onjuiste wijze heeft getoetst aan het Bouwbesluit 2003 (hierna: het Bouwbesluit). Daartoe voert zij aan dat de aanwezigheid van de opstelstrook voor de McDrive in de parkeergarage tot gevolg heeft dat de parkeergarage ook als een verkeers- en verblijfsruimte moet worden aangemerkt. Voorts voert zij aan dat de parkeergarage door het verleggen van de opstelstrook niet alleen een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen heeft, maar tevens een bijeenkomstfunctie en een winkelfunctie.

2.3.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit wordt verstaan onder:

- gebruiksfunctie: de gedeelten van een of meer bouwwerken op een perceel of standplaats, die dezelfde gebruiksbestemming hebben en die tezamen een gebruikseenheid vormen;

- verblijfsgebied: een gedeelte van een gebruiksfunctie met ten minste een verblijfsruimte, bestaan uit een of meer op dezelfde bouwlaag gelegen aan elkaar grenzende ruimten anders dan een toiletruimte, een badruimte, een technische ruimte of een verkeersruimte;

- verblijfsruimte: een ruimte voor het verblijven van mensen, dan wel een ruimte waarin de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden;

- verkeersruimte: ruimte anders dan een ruimte in een verblijfsgebied, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte, bestemd voor het bereiken van een andere ruimte.

Ingevolge het derde lid wordt verstaan onder:

- bijeenkomstfunctie: een gebruiksfunctie voor het samenkomen van mensen voor kunst, cultuur, godsdienst, communicatie, kinderopvang, het verstrekken van consumpties voor gebruik ter plaatse en het aanschouwen van sport;

- winkelfunctie: een gebruiksfunctie voor het verhandelen van materialen, goederen of diensten;

- overige gebruiksfunctie: een niet in dit lid benoemde gebruiksfunctie voor activiteiten waarbij het verblijven van mensen een ondergeschikte rol speelt.

Ingevolge artikel 3.46, tweede lid, en de daarbij behorende tabel 3.46.1, onder 11, valt onder een overige gebruiksfunctie onder meer de overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen.

2.3.2. Niet in geschil is dat de parkeergarage een zogenoemde overige gebruiksfunctie heeft, in voormelde tabel 3.46.1, onder 11, nader aangeduid als een overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen. Uit de systematiek van artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit volgt dat elke gebruiksfunctie beschikt over een verblijfsruimte en een verkeersruimte. Ook een overige gebruiksfunctie beschikt daarover. De rechtbank heeft aldus terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het toetsingskader van het bouwplan in zoverre wijzigt als gevolg van de nieuwe situering van de opstelstrook van de McDrive.

Geen grond bestaat voorts voor het oordeel dat de parkeergarage als gevolg van het bouwplan tevens een bijeenkomstfunctie heeft gekregen. De omstandigheid dat bezoekers van de McDrive de opstelstrook gebruiken om consumpties te bestellen, af te halen en te betalen, maakt, daargelaten dat de locatie van het uitgiftepunt ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet is gewijzigd, niet dat deze daarmee is gericht op het samenkomen van mensen voor het verstrekken van consumpties voor gebruik ter plaatse. Dat een deel van de bezoekers de door hen aangeschafte consumpties vervolgens op een parkeerplaats in de garage gebruikt, maakt dit niet anders. Daarmee is geen sprake van het samenkomen van mensen in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit. Het ter zitting door Rova ingenomen standpunt dat het samenkomen van mensen los moet worden gezien van het verstrekken van consumpties voor gebruik ter plaatse, vindt geen steun in de tekst van de begripsomschrijving.

Voorts biedt de enkele omstandigheid dat ter plaatse goederen worden verhandeld, daargelaten de ongewijzigde locatie van het uitgiftepunt, geen grond voor het oordeel dat de parkeergarage door het bouwplan tevens een winkelfunctie heeft gekregen. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat in dit geval de overige gebruiksfunctie van de parkeergarage bepalend is voor de toepasselijkheid van de in het Bouwbesluit opgenomen voorschriften.

Het betoog faalt.

2.4. Rova betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bouwplan ten onrechte niet heeft getoetst aan de in het Bouwbesluit gehanteerde norm NEN 1087, maar aan NEN 2443. Zij wijst erop dat uit een uitspraak van de Afdeling van 23 december 2009 volgt dat NEN 2443 geen grondslag vindt in het Bouwbesluit en dat toepassing daarvan bij vergelijkbare parkeergarages niet gebruikelijk is.

Ten slotte stelt zij dat, indien toch aan NEN 2443 dient te worden getoetst, ten onrechte geen rekening is gehouden met een reëel worst case scenario, aangezien het in het onderzoek gehanteerde aantal stationair draaiende motoren te laag is ingeschat. Zij wijst erop dat het op de weg van de rechtbank had gelegen hiernaar een onderzoek te laten verrichten door een onafhankelijk deskundige.

2.4.1. Ingevolge artikel 3.48 van het Bouwbesluit wordt de capaciteit van voorzieningen voor luchtverversing bepaald volgens NEN 1087.

Ingevolge artikel 1.5 behoeft aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis niet te worden voldaan, voor zover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift.

2.4.2. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college, met inachtneming van artikel 1.5 van het Bouwbesluit, bij de beoordeling van het bouwplan de norm NEN 2443 niet tot uitgangspunt heeft mogen nemen. Niet in geschil is dat de parkeergarage waarin de opstelstrook is voorzien, over natuurlijke ventilatie beschikt en dat NEN 1087 uitgaat van randvoorwaarden waar een dergelijke parkeergarage niet aan kan voldoen. Gelet op het bepaalde in artikel 1.5 van het Bouwbesluit, valt niet in te zien waarom het college bij de beoordeling of aannemelijk is dat het bouwwerk een gelijkwaardige mate van onder meer veiligheid, bruikbaarheid en bescherming van de gezondheid en het milieu biedt als wanneer aan de gestelde eis wordt voldaan, geen gebruik heeft mogen maken van NEN 2443, welke norm specifieke eisen bevat voor natuurlijk geventileerde parkeergarages. Dat de garage op één punt ook aan deze norm niet voldoet, maakt dit, gelet op het bepaalde in artikel 1.5 van het Bouwbesluit, niet anders. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel. Uitgaande van de relevante functie "overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen" volgt ook uit de door Rova overgelegde second opinion van 3 mei 2010 van Grontmij Parkconsult niet dat bij de toetsing of wordt voldaan aan de eisen die het Bouwbesluit aan de ventilatie van een parkeergarage stelt, NEN 2443 niet zou mogen worden toegepast.

Uit de Computional Fluid Dynamics (CFD) berekening van de verwachte concentratie koolmonoxide in de garage in het aan het besluit ten grondslag gelegde onderzoeksrapport van Adviesbureau Van Hooft van 18 september 2009 volgt dat de in NEN 2443 voorgeschreven maximale concentratie koolmonoxide van 120 CO ppm bij een verblijfsduur van 30 minuten wordt onderschreden, zodat de garage is gelijk te stellen met een natuurlijk geventileerde parkeergarage die voldoet aan NEN 2443. Hierbij is van een worst case scenario uitgegaan. Grontmij Parkconsult heeft zich in de second opinion op het standpunt gesteld dat het worst case scenario op een verantwoorde wijze is weergegeven. Dat Grontmij Parkconsult heeft vastgesteld dat in het rapport van Van Hooft niet inzichtelijk is gemaakt hoe daarbij tot de waarde van elf continue draaiende motoren is gekomen, maakt niet dat in het worst case scenario niet van dat aantal mocht worden uitgegaan. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de voorgeschreven maximale concentratie koolmonoxide volgens de CFD berekening aanzienlijk wordt onderschreden en in het rapport ten aanzien van drie andere uitgangspunten van een ongunstiger situatie is uitgegaan, dan volgens Grontmij Parkconsult nodig was. Voor het oordeel dat het college zich bij zijn besluitvorming niet op het rapport van Van Hooft heeft kunnen baseren, bestaat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen grond. De rechtbank heeft terecht een onderzoek door een onafhankelijke deskundige niet noodzakelijk geacht.

Anders dan Rova stelt, volgt uit de door haar aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 23 december 2009 (zaak nr. 200901040/1/H1) niet dat de Afdeling van oordeel is dat NEN 2443 geen grondslag vindt in het Bouwbesluit. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in die zaak tussen partijen in hoger beroep niet in geschil was dat het college ten onrechte NEN 2443 had gehanteerd, zodat de Afdeling daarover geen oordeel heeft gegeven. Evenmin volgt uit die uitspraak dat toepassing van NEN 2443 bij vergelijkbare parkeergarages in het algemeen niet gebruikelijk is.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college voldoende aannemelijk heeft kunnen achten dat de parkeergarage met de opstelstrook voldoet aan het bepaalde in artikel 3.48 van het Bouwbesluit, zodat het aanbrengen van extra voorzieningen voor luchtverversing niet noodzakelijk is.

Het betoog faalt.

2.5. Rova betoogt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak geen aandacht heeft besteed aan de brandweervoorzieningen in de garage, meer in het bijzonder aan de omstandigheid dat de brandweer er vanuit gaat dat een luchtbehandelingsinstallatie zal worden aangebracht.

2.5.1. Deze beroepsgrond is niet nader gemotiveerd en faalt reeds hierom.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011

392.