Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU8857

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
21-12-2011
Zaaknummer
201105611/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ0949, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2008 heeft het college de aanvraag van de stichting om een toekenning van eenmalige middelen voor de inrichting van praktijkvoorzieningen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105611/1/H2.

Datum uitspraak: 21 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente

Utrechtse Heuvelrug,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 maart 2011 in zaak nr. 10/394 in het geding tussen:

de stichting Stichting Bartiméus Sonneheerdt, gevestigd te Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2008 heeft het college de aanvraag van de stichting om een toekenning van eenmalige middelen voor de inrichting van praktijkvoorzieningen afgewezen.

Bij besluit van 22 december 2009 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 maart 2011, verzonden op 5 april 2011, heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 december 2009 vernietigd, het besluit van 8 februari 2008 herroepen, de subsidie vastgesteld op een bedrag van

€ 63.840,00 en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 22 december 2009. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 1 juni 2011.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2011, waar het college, vertegenwoordigd door R.G. Rutten en de stichting, vertegenwoordigd door mr. C.J. Verhaart, advocaat te Woerden en [gemachtigde[, werkzaam bij de stichting, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 134, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: de Wec) stelt, indien in een gemeente uitsluitend een of meer andere rechtspersonen dan de gemeente openbare scholen in stand houden waar een bepaalde soort speciaal onderwijs (hierna: SO) of een bepaalde soort voortgezet speciaal onderwijs (hierna: VSO) wordt gegeven dan wel dergelijke scholen ontbreken en de gemeente uitgaven wil doen voor dat onderwijs welke niet door het Rijk worden bekostigd, de gemeenteraad bij verordening een regeling vast en zijn de artikelen 136 tot en met 142 voor dat onderwijs niet van toepassing.

Ingevolge het tweede lid maakt de regeling, bedoeld in het eerste lid, geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs en voorziet in een behandeling van scholen naar dezelfde maatstaf.

Ingevolge het derde lid bevat de regeling, bedoeld in het eerste lid, in elk geval de voorzieningen die door het bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen, niet door de gemeente in stand gehouden school kunnen worden aangevraagd en de procedure voor het doen van een aanvraag.

De raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft op 31 mei 2007 de Verordening materiële financiële gelijkstelling onderwijs gemeente Utrechtse Heuvelrug (hierna: de Verordening) vastgesteld.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan het college bepalen dat de verordening tijdelijk wordt aangevuld met een voorziening.

Ingevolge het tweede lid stelt het college de toetsingscriteria vast waaronder aanspraak bestaat op de aanvullende voorziening.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, dient het schoolbestuur dat een aanvullende voorziening wenst, een aanvraag in bij het college.

Ingevolge artikel 11, weigert het college de aanvullende voorziening in ieder geval indien:

a. de gevraagde voorziening geen aanvullende voorziening zoals bedoeld in artikel 3 is;

b. niet is voldaan aan een van de toekenningscriteria.

In artikel I van de Bijlage "Aanvullende voorziening Praktijkgericht Onderwijs (V)SO (hierna: de Bijlage)" is bepaald dat de voorziening wordt aangeduid als de vergoeding voor de aanpassing aan de huisvesting van een bestaand schoolgebouw waardoor dat gebouw beter geschikt wordt gemaakt voor praktijkgericht onderwijs. Onder een bestaand gebouw wordt mede verstaan een gebouw waarvan de realisatie al zover is gevorderd dat oplevering en gebruikneming in 2007 of 2008 zal plaatsvinden. Bij de aanpassing van het gebouw kan het tevens gaan om een nieuwe inrichting ten behoeve van praktijkgericht onderwijs.

Ingevolge artikel IV, voor zover hier van belang, gelden de [volgende] toetsingscriteria op grond waarvan een schoolbestuur in aanmerking komt voor de voorziening:

a. Schoolsoort

Scholen voor (V)SO.

b. Reikwijdte voorzieningen

De voorziening staat open voor alle hoofdvestigingen en nevenvestigingen binnen de gemeentegrenzen (waaronder ook de nevenvestigingen van een hoofdvestiging in een andere gemeente).

c. Geen andere toekenning voor de aangevraagde voorziening.

In artikel V is de wijze van toekenning met de daarbij behorende berekeningseenheid bepaald:

- het aantal leerlingen (V)SO, niet zijnde verbreed toegelaten leerlingen, ouder dan 12 jaar (inclusief zeer moeilijk lerende kinderen; hierna: ZMLK) op 1 oktober 2005, zoals opgegeven op de leerlingentelling :

€ 1000,00 per leerling (V)SO ouder dan 12 jaar (inclusief ZMLK), en

€ 140,00 extra per leerling ZMLK.

- een plan, waarin de aanvraag wordt onderbouwd. Uit dit plan moet blijken om welke aanpassing het gaat, wat daarvan de doelstelling is en welk bedrag wordt aangevraagd.

2.2. De stichting verzorgt SO en VSO aan slechtziende, blinde en/of meervoudig (visueel) beperkte leerlingen op twee locaties, namelijk in Doorn en in Zeist. Op de locatie in Doorn, De Bosschool, wordt VSO gegeven aan visueel gehandicapte leerlingen die zeer moeilijk leren.

Bij brief van 26 april 2007 heeft de stichting een aanvraag ingediend om een toekenning van praktijkvoorzieningen ten behoeve van De Bosschool van in totaal € 63.840,00. In die aanvraag heeft de stichting aangegeven dat het gaat om 56 leerlingen, waarvoor volgens de stichting per leerling een bedrag van € 1.000,00 is toegezegd. Deze leerlingen zijn volgens de stichting allen zeer moeilijk lerende kinderen (hierna: ZMLK), waarvoor per leerling volgens de stichting een extra bedrag van eenmalig € 140,00 is toegezegd.

Bij besluit van 8 februari 2008 heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat een school slechts in aanmerking komt voor toekenning van praktijkvoorzieningen voor het aantal leerlingen dat SO volgt (inclusief ZMLK) en ouder is dan twaalf jaar op scholen zonder VSO-component en voor het aantal leerlingen dat VSO (inclusief ZMLK) volgt. De Bosschool voldoet hier niet aan, aangezien de Bosschool een SO-school is met een VSO-component. Bij het besluit op bezwaar van 22 december 2009 heeft het college in afwijking van het advies van de bezwarencommissie, onder verwijzing naar nader ingewonnen informatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, dit standpunt gehandhaafd.

2.3. De rechtbank heeft het besluit van 22 december 2009 vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de stichting in aanmerking komt voor de aangevraagde voorzieningen van € 1.000,00 per leerling en van € 140,00 per leerling.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de stichting niet in aanmerking komt voor in ieder geval een deel van de aangevraagde € 1000,00 per leerling, aangezien de realisatie van met name de in de aanvraag gemelde keuken niet feitelijk in 2008 heeft plaatsgevonden. Volgens het college heeft de rechtbank miskend dat uit de Verordening volgt dat de stichting op zijn minst verplicht was dat aan het college te melden.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Verordening het wettelijk toetsingskader vormt op basis waarvan moet worden beoordeeld of de stichting aanspraak kan maken op toekenning van middelen voor de gevraagde voorzieningen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 9 van de Verordening, weigert het college de aangevraagde aanvullende voorziening, indien het geen voorziening betreft als bedoeld in artikel 3 van de Verordening, gelezen in samenhang met artikel III van de Bijlage en indien de aanvraag niet voldoet aan de toetsingscriteria, neergelegd in artikel IV van de Bijlage.

Uit de aanvraag van 26 april 2007 blijkt dat de stichting heeft verzocht om een vergoeding voor onder meer het plaatsen van een keuken in het destijds bestaande schoolgebouw die, op het moment dat de nieuwbouw gereed is, naar de nieuwbouw kan en zal worden verplaatst. De aanvraag ziet derhalve op een vergoeding voor een aanpassing aan de huisvesting van een bestaand schoolgebouw, waardoor dat gebouw beter geschikt wordt gemaakt voor praktijkgericht onderwijs. Het betreft dan ook een voorziening als bedoeld in artikel III van de Bijlage en artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a van de Verordening. De rechtbank heeft daarbij terecht van belang geacht dat aan de stichting niet kan worden tegengeworpen dat de keuken niet in de schooljaren 2007 of 2008 is geplaatst, aangezien het college daarvoor geen gelden ter beschikking heeft gesteld.

De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de aanvraag voldoet aan de toetsingscriteria van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel IV van de Bijlage, omdat de 56 leerlingen, voor wie de aanvullende voorziening is aangevraagd, op 1 oktober 2005 ouder zijn dan 12 jaar en zijn opgegeven op de leerlingentelling als (V)SO leerlingen. De rechtbank heeft daarbij terecht van belang geacht dat het volgens die bepaling niet uitmaakt of deze leerlingen als SO- of als VSO-leerling zijn opgegeven.

Uit het voorgaande volgt dat de aanvraag voldoet aan artikel 11, eerste lid, van de Verordening, zodat de stichting in aanmerking komt voor de aangevraagde voorziening van een bedrag van € 1000,00 per leerling.

Het betoog faalt.

2.5. Het college betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de stichting niet in aanmerking komt voor de aangevraagde € 140,00 extra per leerling. Het college voert daartoe aan dat de leerlingen bij de CFI zijn ingeschreven als MGDV en niet als ZMLK.

2.5.1. Uit artikel V, van de Bijlage van de Verordening, volgt dat het college een voorziening van € 140,00 extra per ZMLK-leerling toekent voor, voor zover hier van belang, het aantal ZMLK-leerlingen op 1 oktober 2005, zoals opgegeven op de leerlingentelling OCW/CFI. Uit de leerlingentelling van de CFI blijkt dat de leerlingen uitsluitend zijn opgegeven als MGDV-leerlingen. Het stelsel van bekostiging van onderwijs brengt mee dat uitgegaan dient te worden van deze opgave. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de desbetreffende leerlingen tevens kunnen worden aangemerkt als ZMLK-leerlingen in de zin van de Verordening en in zoverre ten onrechte zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het college een bedrag van € 140,00 extra per leerling toekent. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het besluit van het college van 22 december 2009 heeft vernietigd, voor zover het college daarbij de weigering om € 140,00 extra per leerling heeft gehandhaafd, en de rechtbank zelf voorziend de subsidie heeft vastgesteld op een bedrag van € 63.840,00. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 22 december 2009 van de stichting, voor zover dit is gericht tegen de weigering van het college om een bedrag van € 140,00 extra per leerling toe te kennen, alsnog ongegrond verklaren. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 maart 2011 in zaak nr. 10/394, voor zover de rechtbank het besluit van het college van 22 december 2009, kenmerk U09.20841, heeft vernietigd, voor zover het college daarbij de weigering van € 140,00 extra per leerling toe te kennen heeft gehandhaafd en de rechtbank, zelf voorziend, de subsidie heeft vastgesteld op een bedrag van € 63.840,00;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond voor zover het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug heeft geweigerd aan de stichting een bedrag van € 140,00 extra per leerling toe te kennen;

IV. stelt de subsidie vast op een bedrag van € 56.000,00;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. R.R. Winter, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011

362-680.