Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU8620

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
201102184/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 oktober 2011 in zaak nr. 201102760/1/V3; www.raadvanstate.nl) moet een door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen als een asielverzoek, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, worden aangemerkt. Op het moment dat bedoelde wens aldus kenbaar is gemaakt, is een vreemdeling een asielzoeker, bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van deze richtlijn. (…) Zoals de Afdeling ook in voormelde uitspraak heeft overwogen moet een vreemdeling die in afwachting is van de formele indiening van een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen geacht worden binnen de reikwijdte van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 te vallen. Dat betekent in deze zaak dat de vreemdeling, nu hij op 6 januari 2011 in persoon tegenover een ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee heeft verzocht om hem internationale bescherming te verlenen, geacht moet worden daarmee rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 te hebben verkregen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vreemdeling op 6 januari 2011 ten onrechte krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld. De vreemdeling heeft bij het op 6 januari 2011 gehouden gehoor bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het het Vb 2000 de wens kenbaar gemaakt om hem internationale bescherming te verlenen. Daardoor was de vreemdeling vanaf het tijdstip van het gehoor en dus ook op het latere tijdstip waarop hij in bewaring werd gesteld een asielzoeker. Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat op de bewaring van de vreemdeling de Procedurerichtlijn van toepassing is. Dat, naar gesteld, op een vóór de inbewaringstelling gelegen tijdstip de Terugkeerrichtlijn van toepassing is geweest, doet daar niet aan af. Uit het vorenoverwogene volgt dat de vreemdeling wel krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring had kunnen worden gesteld. Dit is alsnog op 12 januari 2011, binnen de in artikel 59, vierde lid, van de Vw 2000 gestelde termijn, gebeurd. Zoals de Afdeling in de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van 21 april 2010 heeft overwogen, voor zover thans van belang, kan uit de punten 45 en 48 van het arrest van 30 november 2009, C-357/09 PPU, Kadzoev, niet worden afgeleid dat het Hof van Justitie van de Europese Unie de bewaring van een asielzoeker, indien deze met het oog op verwijdering is opgelegd, in strijd met artikel 18, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, acht. Voormeld arrest noopt niet tot de conclusie dat een asielzoeker niet krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring kan worden gesteld en ook overigens worden met een bewaring van een asielzoeker krachtens artikel 59 van de Vw 2000 de grenzen van artikel 18, eerste lid, van de Procedurerichtlijn niet overschreden, aldus deze uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102184/1/V3.

Datum uitspraak: 8 december 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 10 februari 2011 in zaak nr. 11/929 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 februari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen in grief 1 is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.2. Blijkens het op 6 januari 2011 op ambtseed onderscheidenlijk op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding is de vreemdeling op die dag om 09.45 uur overgenomen van de Bundespolizei te Bunde en krachtens artikel 50 van de Vw 2000 overgebracht naar een plaats voor gehoor en aldaar opgehouden.

Blijkens het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het op 6 januari 2011 gehouden gehoor bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) heeft de vreemdeling bij die gelegenheid te kennen gegeven asiel te willen vragen. De vreemdeling is blijkens het besluit van 6 januari 2011 krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Aan de vreemdeling is nadien een terugkeerbesluit uitgereikt.

Op 12 januari 2011 heeft de vreemdeling een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen ingediend. Op die dag is de aan de vreemdeling opgelegde maatregel krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voortgezet.

2.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder verwijzing naar overweging 2.1.2. van de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2010 in zaak nr. 201008794/1/1/V3 (www.raadvanstate.nl) overwogen dat de door de vreemdeling kenbaar gemaakte intentie om een asielaanvraag in te dienen gelijk dient te worden gesteld met de daadwerkelijke indiening van die aanvraag, omdat een in bewaring gestelde vreemdeling voor het indienen afhankelijk is van de minister.

Voorts heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 21 april 2010 in zaak nr. 201000508/1/V3 (www.raadvanstate.nl) kan worden afgeleid dat op de bewaring van de vreemdeling niet Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 34; hierna: de Terugkeerrichtlijn), maar Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB 2005 L 326; hierna: de Procedurerichtlijn), van toepassing is.

In grief 2 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, door aldus te overwegen, heeft miskend dat de vraag of en wanneer de vreemdeling voor de toepassing van de Terugkeerrichtlijn als asielzoeker moet worden aangemerkt een andere beoordeling vergt dan de vraag of en wanneer een vreemdeling in het kader van de voorzichtigheid die moet worden betracht bij contacten met de diplomatieke vertegenwoordiging als asielzoeker moet worden aangemerkt, zodat zij haar oordeel ter zake ten onrechte op de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2010 heeft gebaseerd. Volgens de vreemdeling was hij op het moment van de staandehouding nog geen asielzoeker en was de Terugkeerrichtlijn op hem van toepassing.

2.3.1. De klacht van de vreemdeling dat de rechtbank haar oordeel over de vraag of en wanneer hij voor de toepassing van de Terugkeerrichtlijn als asielzoeker moet worden aangemerkt ten onrechte op de uitspraak van 12 november 2010 heeft gebaseerd is terecht voorgedragen, maar kan niettemin niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe is het volgende redengevend.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 oktober 2011 in zaak nr. 201102760/1/V3; www.raadvanstate.nl) moet een door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen als een asielverzoek, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn, worden aangemerkt. Op het moment dat bedoelde wens aldus kenbaar is gemaakt, is een vreemdeling een asielzoeker, bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van deze richtlijn.

Blijkens het op 6 januari 2011 op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het gehoor als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het Vb 2000 heeft de vreemdeling in persoon ten overstaan van een ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee te kennen gegeven asiel te willen vragen. Daarmee is sprake is van een asielverzoek in de zin van artikel 2, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn en is de vreemdeling een asielzoeker, bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van deze richtlijn.

2.3.3. Zoals de Afdeling ook in voormelde uitspraak heeft overwogen moet een vreemdeling die in afwachting is van de formele indiening van een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen geacht worden binnen de reikwijdte van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 te vallen.

Dat betekent in deze zaak dat de vreemdeling, nu hij op 6 januari 2011 in persoon tegenover een ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee heeft verzocht om hem internationale bescherming te verlenen, geacht moet worden daarmee rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 te hebben verkregen.

2.3.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vreemdeling op 6 januari 2011 ten onrechte krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld. De vreemdeling heeft bij het op 6 januari 2011 gehouden gehoor bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het het Vb 2000 de wens kenbaar gemaakt om hem internationale bescherming te verlenen. Daardoor was de vreemdeling vanaf het tijdstip van het gehoor en dus ook op het latere tijdstip waarop hij in bewaring werd gesteld een asielzoeker.

Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat op de bewaring van de vreemdeling de Procedurerichtlijn van toepassing is. Dat, naar gesteld, op een vóór de inbewaringstelling gelegen tijdstip de Terugkeerrichtlijn van toepassing is geweest, doet daar niet aan af.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de vreemdeling wel krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring had kunnen worden gesteld. Dit is alsnog op 12 januari 2011, binnen de in artikel 59, vierde lid, van de Vw 2000 gestelde termijn, gebeurd.

Zoals de Afdeling in de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van 21 april 2010 heeft overwogen, voor zover thans van belang, kan uit de punten 45 en 48 van het arrest van 30 november 2009, C-357/09 PPU, Kadzoev, niet worden afgeleid dat het Hof van Justitie van de Europese Unie de bewaring van een asielzoeker, indien deze met het oog op verwijdering is opgelegd, in strijd met artikel 18, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, acht. Voormeld arrest noopt niet tot de conclusie dat een asielzoeker niet krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring kan worden gesteld en ook overigens worden met een bewaring van een asielzoeker krachtens artikel 59 van de Vw 2000 de grenzen van artikel 18, eerste lid, van de Procedurerichtlijn niet overschreden, aldus deze uitspraak.

2.3.5. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de bewaring van de vreemdeling niet onder de Terugkeerrichtlijn valt.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2011

347.

Verzonden: 8 december 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser