Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU8616

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
201108579/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BR2175, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 10 maart 2010 is het door de vreemdeling tegen het besluit van 29 juni 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Met die ongegrondverklaring is de intrekking van de aan haar verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 19 juni 2006 in rechte komen vast te staan. Op het moment dat op de aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd moest worden beslist, diende het er derhalve voor te worden gehouden dat zij met ingang van 19 juni 2006 hier te lande geen rechtmatig verblijf meer had. De rechtbank heeft niet onderkend dat onderhavige zaak in zoverre verschilt van de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2005. Niettemin is zij, gelet op het voorgaande, terecht tot de conclusie gekomen dat de vreemdeling niet direct voorafgaand aan haar aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van 14 december 2009 vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder c, van de Vw 2000, heeft genoten, nu zij slechts van 6 januari 2005 tot 19 juni 2006 in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, en dat de minister om die reden terecht onderhavige aanvraag van de vreemdeling heeft afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 33
Vreemdelingenwet 2000 34
Vreemdelingenwet 2000 82
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108579/1/V2.

Datum uitspraak: 12 december 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 30 juni 2011 in zaak nr. 10/24830 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2010 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 juni 2011, verzonden op 8 juli 2011, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister voor Immigratie en Asiel heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28.

Ingevolge onderdeel h heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van een beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 33, van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder c, slechts worden afgewezen, indien zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 voordoet, dan wel indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering, niet heeft gehaald.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, wordt de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

2.2. Bij besluit van 15 april 2005 is de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, met ingang van 6 januari 2005 en geldig tot 6 januari 2010. Bij besluit van 29 juni 2009 is deze verblijfsvergunning met ingang van 19 juni 2006 ingetrokken. Het hiertegen door de vreemdeling ingestelde beroep is bij uitspraak van 10 maart 2010 ongegrond verklaard.

2.3. In de grieven betoogt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister terecht haar aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft afgewezen, omdat zij niet direct voorafgaand aan haar aanvraag gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder c, van de Vw 2000, heeft genoten. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank in dit verband ten onrechte overwogen dat zij, anders dan de Afdeling in haar uitspraak van 3 mei 2005 in zaak nr. 200501557/1 (LJN: AT8326), geen ruimte ziet voor een andere conclusie dan dat in gevallen waarin ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000 de werking van een besluit tot intrekking van een verleende verblijfsvergunning wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien daartegen beroep is ingesteld, op het beroep is beslist, gedurende die periode sprake is van rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. De vreemdeling betoogt dat de rechtbank hiermee niet heeft onderkend dat uit voormelde uitspraak van de Afdeling volgt dat zij totdat op 10 maart 2010 op het door haar tegen het besluit van 29 juni 2009 ingestelde beroep was beslist - derhalve gedurende vijf achtereenvolgende jaren direct voorafgaand aan onderhavige aanvraag - rechtmatig verblijf had, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

2.3.1. Op 10 maart 2010 is het door de vreemdeling tegen het besluit van 29 juni 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Met die ongegrondverklaring is de intrekking van de aan haar verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 19 juni 2006 in rechte komen vast te staan. Op het moment dat op de aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd moest worden beslist, diende het er derhalve voor te worden gehouden dat zij met ingang van 19 juni 2006 hier te lande geen rechtmatig verblijf meer had. De rechtbank heeft niet onderkend dat onderhavige zaak in zoverre verschilt van de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2005. Niettemin is zij, gelet op het voorgaande, terecht tot de conclusie gekomen dat de vreemdeling niet direct voorafgaand aan haar aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van 14 december 2009 vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder c, van de Vw 2000, heeft genoten, nu zij slechts van 6 januari 2005 tot 19 juni 2006 in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, en dat de minister om die reden terecht onderhavige aanvraag van de vreemdeling heeft afgewezen.

De grieven falen.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Klinkers

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2011

549.

Verzonden: 12 december 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser