Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU8615

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
20-12-2011
Zaaknummer
201100110/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan het besluit van 1 december 2009 heeft de minister ten grondslag gelegd dat, voor zover thans van belang en samengevat weergegeven, de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van zijn asielaanvraag zouden hebben geleid. Hiertoe heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het asielrelaas en de daarop gebaseerde vrees voor vervolging van de zijde van commandanten van de Noordelijke alliantie, zoals de vreemdeling die aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd, met terugwerkende kracht ongeloofwaardig en onaannemelijk zijn vanwege de omstandigheid dat de vreemdeling, in weerwil van zijn stelling dat hij vanwege voormeld asielrelaas nog immer gegronde vrees voor vervolging van de zijde van voornoemde commandanten, die inmiddels deel van de Afghaanse overheid uitmaken, heeft, in 2008 op officiële wijze naar Afghanistan is gereisd en voor een periode van vier weken in Kabul heeft verbleven. De minister heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat hij niet kan concretiseren welke gegevens de vreemdeling onjuist heeft verstrekt of heeft achtergehouden, maar dat hij de asielaanvraag niet zou hebben ingewilligd als hij toentertijd zou hebben geweten dat de vreemdeling vrijwillig en zonder daar problemen te ondervinden naar Afghanistan zou kunnen terugkeren. (…) De hiervoor onder 2.3.2 vermelde door de minister aan zijn besluit ten grondslag gelegde omstandigheid kan niet als een gegeven in de zin van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 worden aangemerkt, nu deze zich ten tijde van het besluit van 24 juni 2005 nog niet had voorgedaan.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 32
Vreemdelingenwet 2000 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100110/1/V1.

Datum uitspraak: 13 december 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 22 december 2010 in zaak nr. 09/48284 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. Voorts heeft hij daarbij de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van die vergunning ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 4 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2011, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Terpstra, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A. Pruss, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. Bij besluit van 24 juni 2005 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen met ingang van 26 maart 2001, geldig tot 26 maart 2004, ingewilligd krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en aan hem, door ambtshalve ervan uit te gaan dat hij een aanvraag heeft ingediend als bedoeld in artikel 33, aanhef en onder a, van de Vw 2000, met ingang van 26 maart 2004 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend.

2.3. In grief 2 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, zakelijk weergegeven, de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de asielaanvraag zouden hebben geleid. Hiertoe voert de vreemdeling aan dat, voor zover thans van belang en samengevat weergegeven, de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister de intrekking van zijn verblijfsvergunningen krachtens artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 ondeugdelijk heeft gemotiveerd, omdat de minister in zijn geval alleen vermoedt dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt of gegevens heeft achtergehouden.

2.3.1. Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen zouden hebben geleid.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als bedoeld in artikel 33, worden ingetrokken, indien de desbetreffende vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

2.3.2. Uit een proces verbaal van de Koninklijke Marechaussee van 1 september 2008 blijkt dat de vreemdeling als passagier van een op deze datum uit Kabul komende vlucht in het bezit was van een door Nederland afgegeven, maar niet voor Afghanistan geldig reisdocument en heeft verklaard dat hij bij het Afghaanse consulaat in Nederland een brief heeft geregeld waardoor in Afghanistan geen stempel in zijn reisdocument zou worden gezet.

Aan het besluit van 1 december 2009 heeft de minister ten grondslag gelegd dat, voor zover thans van belang en samengevat weergegeven, de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van zijn asielaanvraag zouden hebben geleid. Hiertoe heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het asielrelaas en de daarop gebaseerde vrees voor vervolging van de zijde van commandanten van de Noordelijke alliantie, zoals de vreemdeling die aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd, met terugwerkende kracht ongeloofwaardig en onaannemelijk zijn vanwege de omstandigheid dat de vreemdeling, in weerwil van zijn stelling dat hij vanwege voormeld asielrelaas nog immer gegronde vrees voor vervolging van de zijde van voornoemde commandanten, die inmiddels deel van de Afghaanse overheid uitmaken, heeft, in 2008 op officiële wijze naar Afghanistan is gereisd en voor een periode van vier weken in Kabul heeft verbleven.

De minister heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat hij niet kan concretiseren welke gegevens de vreemdeling onjuist heeft verstrekt of heeft achtergehouden, maar dat hij de asielaanvraag niet zou hebben ingewilligd als hij toentertijd zou hebben geweten dat de vreemdeling vrijwillig en zonder daar problemen te ondervinden naar Afghanistan zou kunnen terugkeren.

2.3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 4 december 2007 in zaak nr. 200706177/1 en 1 april 2009 in zaak nr. 200804814/1; www.raadvanstate.nl) ligt het, indien de minister een verblijfsvergunning asiel intrekt krachtens artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, of artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, op zijn weg om aannemelijk te maken dat de daarin vermelde intrekkingsgrond zich voordoet.

2.3.4. De hiervoor onder 2.3.2 vermelde door de minister aan zijn besluit ten grondslag gelegde omstandigheid kan niet als een gegeven in de zin van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 worden aangemerkt, nu deze zich ten tijde van het besluit van 24 juni 2005 nog niet had voorgedaan.

Grief 2 slaagt.

2.4. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. Hetgeen de vreemdeling in de overige grieven heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu de door de vreemdeling bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden tegen het standpunt van de minister dat hij bij de asielaanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt of gegevens heeft achterhouden, gezien hetgeen hiervoor wordt overwogen, slagen, wordt, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 1 december 2009 alsnog gegrond verklaard. Dat bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

2.5. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 22 december 2010 in zaak nr. 09/48284;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 1 december 2009, kenmerk 0103.25.4004;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) voor het beroep en € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) voor het hoger beroep. Het bedrag voor het hoger beroep dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. De Vink

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011

154-610.

Verzonden: 13 december 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser