Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7929

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
201106997/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ5252, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eneco New Energy B.V. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van drie windturbines, één inkoopstation en bijbehorende werken op de percelen, kadastraal bekend HTN04, sectie E, nummer 976 (gedeeltelijk) en sectie H, nummers 30, 2010, 32, 2020 en 2030 (alle gedeeltelijk), plaatselijk bekend nabij de Veerwagenweg en de Heemsteedseweg te Houten (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106997/1/H1.

Datum uitspraak: 14 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en 119 anderen, allen wonend te Houten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 mei 2011 in zaak nr. 10/2456 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Houten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eneco New Energy B.V. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van drie windturbines, één inkoopstation en bijbehorende werken op de percelen, kadastraal bekend HTN04, sectie E, nummer 976 (gedeeltelijk) en sectie H, nummers 30, 2010, 32, 2020 en 2030 (alle gedeeltelijk), plaatselijk bekend nabij de Veerwagenweg en de Heemsteedseweg te Houten (hierna: de percelen).

Bij uitspraak van 4 mei 2011, verzonden op 18 mei 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard voor zover ingediend namens de personen genoemd onder de nummers 62, 63, 64, 65, 66, 67, 69, 70, 71, 74, 75, 76, 96, 97, 99, 100, 102, 103, 104 en 118 van de bij het beroep overgelegde handtekeningenlijst (hierna: de handtekeningenlijst), en niet-ontvankelijk verklaard voor zover ingediend namens de overige personen genoemd in deze handtekeningenlijst. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Eneco Wind B.V. (hierna: Eneco Wind) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2011, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. L.A.A. van Wakeren, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.R.E. Maris, D.K. Keijer, H. Huffels, drs. F. Aarts en ing. J. Geleijns, allen werkzaam bij gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Eneco Wind, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn, en H. Geleijns.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing heeft geacht.

2.1.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw is afdeling 2 onder meer van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Categorie 1.1 van bijlage I bij de Chw luidt als volgt:

"de aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998.".

Ingevolge artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 zijn provinciale staten bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5, maar niet meer dan 100 Mw, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) vast te stellen.

2.1.2. Het bouwplan voorziet in het oprichten van drie windturbines met elk een capaciteit van 2 Mw, tezamen 6 Mw. De verwijzing in de Chw naar artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 heeft betrekking op een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5, maar niet meer dan

100 Mw, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de capaciteit van de op te richten windturbines, die tezamen een productie-installatie als vorenbedoeld vormen, volgt dat het vrijstellingsbesluit en de bouwvergunning een project betreffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, gelezen in samenhang met categorie 1.1 van bijlage I bij de Chw en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 en deze derhalve onder de werking van de Chw vallen.

Het betoog faalt.

2.2. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bewoners van [locatie 1, 2, 3 en 4], [locatie 5] en [locatie 6] niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen worden aangemerkt, omdat de afstand van hun woningen tot de op te richten windturbines te groot zou zijn.

2.2.1. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.2.2. De afstand van de woning [locatie 5] tot de dichtstbijzijnde windturbines bedraagt iets minder dan 1000 meter. [appellant] en anderen hebben niet betwist dat er vanuit deze woning, gelet op de tussen deze woning en de windturbines gelegen bebouwing, geen dan wel zeer beperkt zicht bestaat op de op te richten windturbines. Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat een objectief en persoonlijk belang van de bewoner dan wel bewoners van deze woning is gemoeid met het besluit van 21 juni 2010. Hieruit volgt dat de rechtbank deze personen terecht niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb heeft aangemerkt en hen om die reden terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun beroep.

Ter zitting is komen vast te staan dat de afstand van de woningen [locatie 1, 2, 3 en 4] tot de dichtstbijzijnde windturbines ongeveer 1000 meter bedraagt, alsmede dat deze woningen appartementen betreffen op hoger gelegen etages dan de begane grond en is aannemelijk geworden dat vanuit deze woningen rechtstreeks zicht bestaat op de op te richten windturbines. Ter zitting is voorts komen vast te staan dat de afstand van de woning [locatie 6] tot de dichtstbijzijnde windturbine ongeveer 400 meter bedraagt en is aannemelijk geworden dat het zicht op deze windturbine niet geheel wordt weggenomen door de, tussen de op te richten windturbine en de woning gelegen en ter plaatse verhoogde, rijksweg A27.

Uit het geheel van de afstand van de op te richten windturbines tot de woningen aan [locatie 1, 2, 3 en 4] en [locatie 6], de omstandigheid dat vanuit deze woningen zicht bestaat op de op te richten windturbines, alsmede de ruimtelijke uitstraling die de windturbines, met name gelet op de ashoogte van 105 meter, hebben, volgt dat de belangen van de bewoners van deze woningen rechtstreeks zijn betrokken bij het besluit van 21 juni 2010. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Daarbij is met betrekking tot de woning [locatie 6] tevens in aanmerking genomen dat, voor zover al moet worden aangenomen dat vanwege de verkeersgeluiden van de A27 niet aannemelijk is dat ter plaatse van deze woning relevante geluidhinder als gevolg van de windturbines zal optreden, zoals de rechtbank heeft overwogen, deze verkeersgeluiden gedurende de avond en nachtperiode aanzienlijk zullen afnemen, terwijl de windturbines in werking blijven.

Uit het voorgaande volgt dat het betoog slaagt voor zover dit betrekking heeft op de bewoners van de woningen [locatie 1, 2, 3 en 4] en [locatie 6], zijnde de personen genoemd onder de nummers 32, 37, 38, 39, 41, 43 en 58 van de handtekeningenlijst.

2.3. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend. De rechtbank was, gelet hierop, niet bevoegd om te beslissen op het bij haar ingestelde beroep en had dit ter behandeling als bezwaarschrift aan het college dienen door te zenden.

2.3.1. Anders dan [appellant] en anderen betogen behoeft geen uitdrukkelijk en afzonderlijk besluit te worden genomen om afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin de uniforme openbare voorbereidingsprocedure is geregeld, toe te kunnen passen. Het is voor uitsluiting van de mogelijkheid om bezwaar te maken voldoende dat het bestreden besluit feitelijk met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure is voorbereid. Vast staat dat het besluit van 21 juni 2010 tot het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb is voorbereid. Derhalve stond tegen het besluit van 21 juni 2010 rechtstreeks beroep open bij de rechtbank. Daar kan, anders dan [appellant] en anderen betogen, niet aan af doen dat in de publicatie van het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning is vermeld dat belanghebbenden binnen zes weken na de dag waarop het besluit is verzonden een beroepschrift kunnen indienen bij de rechtbank, terwijl artikel 6:8, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de beroepstermijn een aanvang neemt met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd of dat in de publicatie van het voornemen vrijstelling en bouwvergunning te verlenen van 18 november 2009 niet expliciet is vermeld dat naast het verzoek om bouwvergunning en vrijstelling ook het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd.

Het betoog faalt.

2.4. Het bouwplan is in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Globaal Bestemmingsplan Houten" en "Globaal Bestemmingsplan Houten Vinex". Teneinde bouwvergunning te verlenen, heeft het college toepassing gegeven aan de bevoegdheid vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2.5. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten is vereist, inhoudende dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing van het betrokken project is van overeenkomstige toepassing.

Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of inter-gemeentelijk structuurplan verstaan. Indien geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.6. Bij besluit van 4 juli 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college van gedeputeerde staten) de "Circulaire artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening" (hierna: de circulaire) vastgesteld. Deze bevat de categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Als categorieën van gevallen zijn in de circulaire onder "3.1.2 Limitatieve lijst" onder meer aangewezen:

"C. Landelijk gebied

Burgemeester en wethouders kunnen zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling verlenen voor projecten die in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van het provinciaal beleid te weten: (..)

n. Het oprichten van windturbines op locaties die daarvoor in § 8.2. van het Streekplan 2005-2015 zijn aangewezen, met inachtneming van de daarbij genoemde aantallen, vermogens en randvoorwaarden.

o. Het oprichten van solitaire windturbines bij bedrijventerreinen, mits voldaan wordt aan de voorwaarden die zijn beschreven in het Windplan Utrecht."

2.7. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen, omdat volgens hen de onderhavige locatie niet is aangewezen voor het oprichten van windturbines in het Streekplan 2005-2015 (hierna: het Streekplan) en niet wordt voldaan aan de in het Windplan Utrecht (hierna: het Windplan) neergelegde voorwaarde dat de provincie bij concrete aanvragen van geval tot geval dient te beoordelen of plaatsing van windturbines aanvaardbaar is en de landschappelijke kwaliteit positief beïnvloedt.

2.7.1. Voor het oordeel dat, zoals [appellant] en anderen betogen, het college, gelet op het bepaalde onder C. Landelijk gebied, aanhef en onder n, van de circulaire, niet bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen, omdat onderhavige locatie niet één van de vier in § 8.2 van het Streekplan 2005-2015 specifiek genoemde locaties betreft, bestaat geen grond. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in § 8.2 van het Streekplan is aangegeven dat naast de vier daarin specifiek genoemde locaties ook per regio ruimte wordt geboden aan maximaal twee kleinschalige opstellingen, waarbij is verwezen naar kaart 8.2 bij het Streekplan, en dat hiervoor de randvoorwaarden gelden die zijn beschreven in het Windplan Utrecht. In de circulaire is niet bepaald dat met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend uitsluitend voor de specifiek in § 8.2 van het Streekplan genoemde locaties. Vast staat dat het onderhavige bouwplan een kleinschalige opstelling, als bedoeld in het Streekplan, betreft en dat de onderhavige locatie op kaart 8.2 is aangegeven. Uit het voorgaande volgt dat het bouwplan in overeenstemming is met het bepaalde onder C. Landelijk gebied, aanhef en onder n, van de circulaire.

2.7.2. Anders dan [appellant] en anderen betogen, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat niet is voldaan aan de in het Windplan vervatte voorwaarde dat de provincie bij concrete aanvragen van geval tot geval dient te beoordelen of plaatsing van windturbines aanvaardbaar is en de landschappelijke kwaliteit positief beïnvloedt. De rechtbank heeft in dit kader terecht gewezen op het besluit van het college van gedeputeerde staten van 27 november 2007. Hoewel dit besluit betrekking heeft op de nadere besluitvorming met betrekking tot het bestemmingsplan "Windturbines Veerwagenweg", heeft het college van gedeputeerde staten zich hierin nadrukkelijk uitgelaten over de aanvaardbaarheid van de oprichting van drie windturbines op de onderhavige locatie. Het college van gedeputeerde staten heeft met betrekking tot deze drie windturbines opgemerkt dat de oprichting mogelijk is volgens het Windplan Utrecht, dat het hem verheugd dat het gemeentebestuur opnieuw een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de WRO opstart voor de plaatsing van de drie windturbines en dat het op inhoudelijke gronden geen belemmeringen ziet voor de oprichting van de windturbines. Dat het besluit van 27 november 2007 niet is genomen naar aanleiding van het onderhavige verzoek om vrijstelling doet, anders dan [appellant] en anderen betogen, niet af aan de beoordeling die het college van gedeputeerde staten heeft gemaakt. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat, zoals [appellant] en anderen betogen, in een rapport "Uitvoering windenergie in relatie tot de Crisis- en herstelwet/Elektriciteitswet 1998" zou zijn vermeld dat voor een goede doorwerking van de Crisis- en herstelwet eerst de voor 2012 geplande herziening van het Streekplan en het Windplan zou moeten plaatsvinden zodat duidelijk is waar windenergieprojecten landschappelijk in de provincie inpasbaar zijn. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten op zijn eerder ingenomen standpunt is teruggekomen.

Het betoog faalt.

2.8. [appellant] en anderen betogen voorts, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2007 in zaak nr. 200604701/1, dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het Streek- en Windplan, nu op kortere afstand dan 350 meter tot de windturbines woningen zijn gelegen, terwijl sprake is van planologische bezwaren. Het bouwplan is volgens hen niet van een goede ruimtelijke onderbouwing voorzien. Daartoe voeren zij aan dat geen duidelijkheid bestaat over het toekomstige bestemmingsplan en dat daarmee niet is voldaan aan de eis dat het plan moet passen binnen de toekomstige bestemming. [appellant] en anderen stellen zich in dit kader voorts, onder verwijzing naar de door hen in beroep overgelegde ongedateerde reactie van F. van den Berg, werkzaam bij GG & GD te Amsterdam, op het standpunt dat ten aanzien van het geluidsaspect sprake is van onvoldoende motivering. [appellant] en anderen voeren verder aan dat het college in het plan "3e Voorzieningengebied (Meerpaal-Zuid)" aanleiding had moeten zien om de vrijstelling te weigeren. Zij wijzen verder op de omstandigheid dat de fabrikant van de windturbines zelf aangeeft dat niemand zich mag begeven binnen 400 meter van een windturbine terwijl hier de afstand tot de dichtstbijzijnde woning 315 meter bedraagt.

2.8.1. De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak van 17 oktober 2007 met betrekking tot het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 6 mei 2006 tot goedkeuring van de plandelen van het bestemmingsplan "Windturbines Veerwagenweg", die voorzagen in de bouw van drie windturbines op onderhavige locatie, overwogen dat het niet voldoen aan de volgens het Streek- en Windplan aan te houden straal van 350 meter tot woningen op zichzelf geen consequenties heeft voor de aanvaardbaarheid van het in geding zijnde windpark, nu deze afstand uitsluitend betrekking heeft op de vraag of een milieuvergunning dient te worden aangevraagd. De Afdeling heeft in voornoemde uitspraak voorts overwogen dat op voorhand niet is uitgesloten dat, ondanks het feit dat de in geding zijnde windturbines op kortere afstand dan 350 meter van enkele woningen zijn voorzien, toch voor deze locatie kan worden gekozen, mits deze locatie uit planologisch oogpunt niet op bezwaren stuit en ter plaatse derhalve een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

De enkele ligging van de op te richten windturbines op kortere afstand dan 350 meter tot enkele woningen maakt derhalve niet reeds dat sprake is van strijd met het Streekplan en het Windplan. Het Streek- en Windplan biedt de ruimte om binnen een straal van 350 meter van woningen windturbines te realiseren, indien het bouwplan van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien. Daaromtrent wordt het volgende overwogen.

2.8.2. De enkele omstandigheid dat de gemeenteraad na de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2007 geen nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld, brengt niet met zich dat de ruimtelijke onderbouwing van de onderhavige vrijstelling onvoldoende is. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de gemeente vooruitlopend op een aanpassing van het bestemmingsplan ingevolge artikel 30 van de WRO en het nemen van een nieuw vaststellingsbesluit het project mogelijk wil maken via een vrijstelling door toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.

2.8.3. Het college heeft bij besluit van 15 december 2009 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van de windturbines (hierna: milieuvergunning). Deze vergunning is onder meer gebaseerd op de geluidsprognose Windpark Veerwagenweg te Houten van adviesbureau Lichtveld Buis & Partners van 8 maart 2007.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat ten tijde van het nemen van het besluit van 21 juni 2010, gelet op de milieuvergunning, geen sprake was van een situatie waarin het college ernstige twijfel had moeten hebben ten aanzien van de vraag of kon worden voldaan aan de in de milieuwetgeving opgenomen geluidsnormen. Dat ten tijde van het besluit van 21 juni 2010 beroep was ingesteld tegen de milieuvergunning is onvoldoende voor de conclusie dat wel sprake was van een dergelijke situatie. De door [appellant] en anderen in beroep overgelegde ongedateerde reactie van F. van den Berg, werkzaam bij GG & GD te Amsterdam, biedt daartoe evenmin aanknopingspunten. In deze reactie wordt de totstandkoming van het rapport van Lichtveld Buis & Partners van 8 maart 2007 bekritiseerd, maar het bevat geen conclusies over de vraag of de ten tijde van het besluit van 21 juni 2010 geldende geluidsnormen aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staan. Het feit dat de milieuvergunning vervolgens, zoals de Afdeling in de uitspraak van 23 februari 2011 in zaak nr. 201001296/1/M1 heeft overwogen, van rechtswege is komen te vervallen, omdat met de wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) per 1 januari 2011 geen vergunningplicht meer geldt en dat per die datum de normen, zoals neergelegd in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit, gelden voor de windturbines, betreffen voorts omstandigheden van na het besluit van 21 juni 2010 die derhalve niet kunnen leiden tot het oordeel dat dit besluit niet rechtmatig is. De vraag of de windturbines kunnen voldoen aan de ingevolge het Activiteitenbesluit geldende geluidsnormen, die volgens [appellant] en anderen blijkens de conclusie van het door hen overgelegde rapport van AV Consulting van 31 augustus 2011 ontkennend moet worden beantwoord, doet derhalve niet ter zake.

2.8.4. Hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren biedt voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat, gelet op het plan "3e voorzieningengebied (Meerpaal-Zuid)" dat voorziet in de aanleg van onder meer een aantal recreatieve voorzieningen in de omgeving van onderhavige locatie, een nieuwe risico-analyse had moeten worden gemaakt. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat daarvoor geen aanleiding bestond, nu dit plan zich ten tijde van het besluit van 21 juni 2010 nog in de beginfase bevond en slechts een concept-vlekkenplan behelste, en de onderhavige windturbines bovendien zijn meegewogen in de belangenafweging met betrekking tot dit plan en ook bij verdere besluitvorming ter uitvoering van het plan zullen worden meegewogen.

2.8.5. Voor het oordeel dat de vrijstelling had moeten worden geweigerd omdat de fabrikant van de windturbines heeft aangegeven dat niemand zich mag begeven binnen 400 meter van de windturbines terwijl zich op kortere afstand dan 400 meter woningen bevinden, bestaan onvoldoende aanknopingspunten. Daargelaten de motivering van de geadviseerde afstand, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het document waar in dit kader door [appellant] en anderen naar wordt verwezen, het rapport "Safety Regulations for Operators en Technicians V90 - 3.0 MW/V100 - 2,75 MW", een andere type windturbine met een grotere capaciteit betreft dan de onderhavige. [appellant] en anderen hebben dit niet betwist. Dat de afmetingen van de windturbine waar het rapport op ziet en de onderhavige windturbines gelijk zijn maakt niet dat om die reden de conclusies in dit rapport toepasselijk zijn op de onderhavige windturbines.

2.8.6. Hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren biedt voorts onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de op te richten windturbines een zodanige negatieve invloed op de gezondheid van omwonenden zullen hebben dat het college daarin aanleiding had moeten zien om de vrijstelling te weigeren. De door hen overgelegde rapporten "A Summery of new evidence: Adverse health effects and industrial wind turbines" van august 2011 van Carmen M.E. Krogh, BScPharm en Brett S. Horner, BA, CMA, en "Properly Interpreting the Epidemiologic Evidence about the Health Effects of Industrial Wind Turbines on Nearby Residents" van 19 juli 2011 van Carl V. Phillips, PhD, bieden daarvoor onvoldoende grond, aangezien deze niet zien op onderhavige windturbines.

Het betoog faalt.

2.9. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. Daartoe voeren zij aan dat het college de belangen van de omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat had dienen te laten prevaleren, nu vergunninghouder geen ander belang heeft bij het realiseren van duurzame energie anders dan haar financieel belang.

2.9.1. Dit betoog faalt. Hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren biedt geen grond voor het oordeel dat als gevolg van de realisering van het bouwplan sprake zal zijn van een zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving dat het college in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen. De enkele omstandigheid dat het belang van Eneco Wind mede een financieel belang betreft, brengt voorts niet met zich dat het college het belang bij het realiseren van het bouwplan niet had mogen laten prevaleren boven de belangen van omwonenden. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat het college ook de belangen bij het realiseren van duurzame energie heeft mee laten wegen.

2.10. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat onvoldoende is gemotiveerd dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

2.10.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

2.10.2. Het college heeft zijn standpunt omtrent de welstand gebaseerd op het positieve advies van Welstand en Monumenten Midden Nederland (hierna: welstandscommissie) van 13 juli 2007.

De welstandscommissie dient zich te richten naar de ten tijde van het uitbrengen van het welstandsadvies geldende planologische bouwmogelijkheden, hetgeen betekent dat zij bij haar beoordeling zowel het op dat moment geldende bestemmingsplan als eventueel verleende vrijstellingen respecteert. Ten tijde van het welstandsadvies was het bestemmingsplan "Windturbines Veerwagenweg" door de gemeenteraad vastgesteld en had het college van gedeputeerde staten van Utrecht, voor zover hier van belang, de plandelen die voorzagen in de bouw van drie windturbines op onderhavige locatie, bij besluit van 6 mei 2006 goedgekeurd. De onderhavige windturbines zijn in overeenstemming met dit bestemmingsplan. De welstandscommissie heeft zich, gelet hierop, terecht beperkt tot de beoordeling van de vorm en het kleur- en materiaalgebruik. Nu evenwel het besluit van gedeputeerde staten van 6 mei 2006 vervolgens door de Afdeling bij eerdergenoemde uitspraak van 17 oktober 2007 in zaak nr. 200604701/1 is vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan voornoemde plandelen, mocht het college ten tijde van het besluit van 21 juni 2010 het welstandsadvies van 13 juli 2007 niet zonder meer aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag leggen. Het lag, gelet op de vernietiging van het goedkeuringsbesluit, op de weg van het college om de welstandscommissie opnieuw te raadplegen.

Het betoog slaagt.

2.11. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep voor zover ingediend namens de personen genoemd onder de nummers 32, 37, 38, 39, 41, 43, 58, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 69, 70, 71, 74, 75, 76, 96, 97, 99, 100, 102, 103, 104 en 118 van de bij het beroep overgelegde handtekeningenlijst alsnog gegrond verklaren en het besluit van 21 juni 2010 vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.12. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten, gelet op het navolgende.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college geen vrijstelling voor het bouwplan mocht verlenen. Daarmee staat in rechte vast dat het college de maatvoering en situering van de voorziene windturbines stedenbouwkundig inpasbaar heeft kunnen achten. Op 4 oktober 2010 is het bouwplan opnieuw aan de welstandscommissie voorgelegd, hetgeen heeft geresulteerd in een positief advies van 31 januari 2011. De welstandscommissie heeft zich daarbij, gelet op de verleende vrijstelling, terecht beperkt tot de vorm en het kleur- en materiaalgebruik. [appellant] en anderen hebben dit welstandsadvies niet bestreden met een advies van een andere deskundige persoon of instantie. Ook overigens is niet gebleken dat het welstandsadvies zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag mag leggen. Onder deze omstandigheden bestaat aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 juni 2010 in stand te laten.

2.13. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 mei 2011 in zaak nr. 10/2456;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep voor zover ingediend namens de personen genoemd onder de nummers 32, 37, 38, 39, 41, 43, 58, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 69, 70, 71, 74, 75, 76, 96, 97, 99, 100, 102, 103, 104 en 118 van de bij het beroep overgelegde handtekeningenlijst gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Houten van 21 juni 2010, kenmerk BV20070142;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 21 juni 2010 geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Houten tot vergoeding van bij [appellant] en 119 anderen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1748,00 (zegge: duizendzevenhonderdachtenveertig euro);

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Houten aan [appellant] en 119 anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 451,00 (zegge: vierhonderdeenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kos

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2011

580.