Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7928

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
201106769/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ5237, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eneco New Energy B.V. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van drie windturbines, één inkoopstation en bijbehorende werken op de percelen, kadastraal bekend HTN04, sectie E, nummer 976 (gedeeltelijk) en sectie H, nummers 30, 2010, 32, 2020 en 2030 (alle gedeeltelijk), plaatselijk bekend nabij de Veerwagenweg en de Heemsteedseweg te Houten (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106769/1/H1.

Datum uitspraak: 14 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Houten,

2. [appellant sub 2] en 177 anderen, allen wonend te Houten, (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 2])

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 mei 2011 in zaak nr. 10/2455 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Houten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eneco New Energy B.V. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van drie windturbines, één inkoopstation en bijbehorende werken op de percelen, kadastraal bekend HTN04, sectie E, nummer 976 (gedeeltelijk) en sectie H, nummers 30, 2010, 32, 2020 en 2030 (alle gedeeltelijk), plaatselijk bekend nabij de Veerwagenweg en de Heemsteedseweg te Houten (hierna: de percelen).

Bij uitspraak van 4 mei 2011, verzonden op 18 mei 2011, heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Eneco Wind B.V. (hierna: Eneco Wind) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] en Eneco Wind hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2011, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], bijgestaan onderscheidenlijk vertegenwoordigd door mr. J. van de Riet, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.R.E. Maris, D.K. Keijer, H. Huffels, drs. F. Aarts en ing. J. Geleijns, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Eneco Wind, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn, en H. Geleijns.

2. Overwegingen

2.1. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing heeft geacht.

2.1.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw is afdeling 2 onder meer van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Categorie 1.1 van bijlage I bij de Chw luidt als volgt:

"de aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998.".

Ingevolge artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 zijn provinciale staten bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5, maar niet meer dan 100 Mw, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) vast te stellen.

2.1.2. Het bouwplan voorziet in het oprichten van drie windturbines met elk een capaciteit van 2 Mw, tezamen 6 Mw. De verwijzing in de Chw naar artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 heeft betrekking op een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5, maar niet meer dan 100 Mw, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de capaciteit van de op te richten windturbines, die tezamen een productie-installatie als vorenbedoeld vormen, volgt dat het vrijstellingsbesluit en de bouwvergunning een project betreffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, gelezen in samenhang met categorie 1.1 van bijlage I bij de Chw en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 en deze derhalve onder de werking van de Chw vallen.

Het betoog faalt.

2.2. Bij de bekendmaking van het besluit van 21 juni 2010 is in de rechtsmiddelenclausule verwezen naar de Chw en vermeld dat het in onder die wet vallende zaken niet mogelijk is om een zogenoemd pro-forma beroepschrift tegen het besluit in te dienen, dat de gronden van het beroep direct moeten worden ingediend en dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien niet meteen de gronden van het beroep worden ingediend. Vast staat dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bij brief van 30 juli 2010 beroep hebben ingesteld op nader aan te voeren gronden.

2.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank hun beroepen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het beroep. Volgens hen dient artikel 1.6 van de Chw buiten toepassing te blijven wegens strijd met artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Daartoe voeren zij aan dat de wettelijke beroepstermijn te kort is om rapporten te produceren dan wel te weerleggen, en dat ingevolge het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) in samenhang gelezen met artikel 1.9 van de Chw, geen toets aan de Flora- en faunawet plaatsvindt of althans dat deze toets niet kan leiden tot vernietiging van de vrijstelling en bouwvergunning.

2.3.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, voor zover hier van belang, bevat het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep.

Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Chw is in afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat zoals bepaald in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Awb.

Ingevolge artikel 1.6a, kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

2.3.2. Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 28 mei 1985, Ashingdane tegen het Verenigd Koninkrijk (www.echr.coe.int)) blijkt dat in artikel 6 van het EVRM niet een absoluut recht op toegang tot de rechter is neergelegd. Aan de verdragsstaten komt een zekere beoordelingsvrijheid toe tot het stellen van regels die zekere beperkingen inhouden, mits daardoor het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern wordt aangetast, de gestelde beperkingen een rechtmatig doel dienen en aan de evenredigheidseis is voldaan.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 november 2010 in zaak nr. 201004771/1/M2) tast artikel 1.6, tweede lid, van de Chw, anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen, het recht op toegang tot de rechter niet in de kern aan. Met deze bepaling en artikel 1.6a van de Chw wordt bereikt dat in een vroeg stadium vast staat welke beroepsgronden in de beroepsprocedure ter beoordeling staan. Hiermee heeft de wetgever blijkens de geschiedenis van totstandkoming van deze bepalingen (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 46 en 47 en nr. 8, blz. 10) beoogd vertragingen in de beroepsprocedures zo veel mogelijk te voorkomen en het voor de rechter mogelijk te maken om binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak te doen, hetgeen door de Afdeling in voormelde uitspraak van 17 november 2010 als een rechtmatig doel is aangemerkt. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, is voorts geen grond gelegen voor het oordeel dat met betrekking tot artikel 1.6, tweede lid, van de Chw niet aan de evenredigheidseis van het EVRM wordt voldaan. Dat de beroepstermijn te kort zou zijn om rapporten te produceren dan wel te weerleggen neemt niet weg dat in het beroepschrift beroepsgronden kunnen worden geformuleerd. Hetgeen omtrent het Activiteitenbesluit en artikel 1.9 van de Chw is aangevoerd ziet voorts niet op artikel 1.6, tweede lid, van de Chw.

Voor het oordeel dat artikel 1.6, tweede lid, van de Chw buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met artikel 6, eerste lid, van het EVRM bestaat, gelet op het voorgaande, geen grond.

Het betoog faalt.

2.4. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat artikel 1.6 van de Chw niet aan hen kan worden tegengeworpen wegens het door de rechtbank aanvankelijk ingenomen standpunt, dat de Chw niet van toepassing is, slaagt dit betoog evenmin. Zowel de brief van 6 augustus 2010 waarin de rechtbank aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] heeft medegedeeld dat zij voorlopig van oordeel was dat de realisatie van de windturbines niet onder de werking van de Chw valt, als de brief van 10 augustus 2010 waarbij de rechtbank [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vier weken uitstel heeft verleend voor het indienen van de gronden waarop de beroepen berusten, dateren van na het verstrijken van de beroepstermijn. Het niet-indienen van beroepsgronden door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is dan ook niet door deze onjuiste mededelingen van de rechtbank veroorzaakt.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog faalt.

2.5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kos

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2011

580.