Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7927

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
201106510/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ5164, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eneco New Energy B.V. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van drie windturbines, één inkoopstation en bijbehorende werken op de percelen, kadastraal bekend HTN04, sectie E, nummer 976 (gedeeltelijk) en sectie H, nummers 30, 2010, 32, 2020 en 2030 (alle gedeeltelijk), plaatselijk bekend nabij de Veerwagenweg en de Heemsteedseweg te Houten (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106510/1/H1.

Datum uitspraak: 14 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Houten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 mei 2011 in zaak nr. 10/2305 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Houten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eneco New Energy B.V. vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van drie windturbines, één inkoopstation en bijbehorende werken op de percelen, kadastraal bekend HTN04, sectie E, nummer 976 (gedeeltelijk) en sectie H, nummers 30, 2010, 32, 2020 en 2030 (alle gedeeltelijk), plaatselijk bekend nabij de Veerwagenweg en de Heemsteedseweg te Houten (hierna: de percelen).

Bij uitspraak van 4 mei 2011, verzonden op 18 mei 2011, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Eneco Wind B.V. (hierna: Eneco Wind) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2011, waar [appellant A], bijgestaan door mr. J.M. Smits, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.R.E. Maris, D.K. Keijer, H. Huffels, drs. F. Aarts en ing. J. Geleijns, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Eneco Wind, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn, en H. Geleijns.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing heeft geacht.

2.1.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw is afdeling 2 onder meer van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Categorie 1.1 van bijlage I bij de Chw luidt als volgt:

"de aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998.".

Ingevolge artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 zijn provinciale staten bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5, maar niet meer dan 100 Mw, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) vast te stellen.

2.1.2. Het bouwplan voorziet in het oprichten van drie windturbines met elk een capaciteit van 2 Mw, tezamen 6 Mw. De verwijzing in de Chw naar artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 heeft betrekking op een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5, maar niet meer dan 100 Mw, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de capaciteit van de op te richten windturbines, die tezamen een productie-installatie als vorenbedoeld vormen, volgt dat het vrijstellingsbesluit en de bouwvergunning een project betreffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, gelezen in samenhang met categorie 1.1 van bijlage I bij de Chw en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 en deze derhalve onder de werking van de Chw vallen.

Het betoog faalt.

2.2. Het bouwplan is in strijd met de ingevolge de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Globaal Bestemmingsplan Houten" en "Globaal Bestemmingsplan Houten Vinex" op de percelen rustende bestemmingen. Teneinde bouwvergunning te verlenen, heeft het college toepassing gegeven aan de bevoegdheid vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2.3. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten is vereist, inhoudende dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing van het betrokken project is van overeenkomstige toepassing.

Onder goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of inter-gemeentelijk structuurplan verstaan. Indien geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.4. Bij besluit van 4 juli 2006 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college van gedeputeerde staten) de "Circulaire artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening" (hierna: de circulaire) vastgesteld. Deze bevat de categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Als categorieën van gevallen zijn in de circulaire onder "3.1.2 Limitatieve lijst" onder meer aangewezen:

"C. Landelijk gebied

Burgemeester en wethouders kunnen zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling verlenen voor projecten die in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van het provinciaal beleid te weten: (..)

n. Het oprichten van windturbines op locaties die daarvoor in § 8.2. van het Streekplan 2005-2015 zijn aangewezen, met inachtneming van de daarbij genoemde aantallen, vermogens en randvoorwaarden.

o. Het oprichten van solitaire windturbines bij bedrijventerreinen, mits voldaan wordt aan de voorwaarden die zijn beschreven in het Windplan Utrecht."

2.5. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling te verlenen. Daartoe voeren zij aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden die het Windplan Utrecht stelt.

2.5.1. Anders dan [appellanten] betogen bestaat geen grond voor het oordeel dat niet is voldaan aan de in het Windplan Utrecht vervatte voorwaarde dat de provincie bij concrete aanvragen van geval tot geval dient te beoordelen of plaatsing van windturbines aanvaardbaar is en de landschappelijke kwaliteit positief beïnvloedt. De rechtbank heeft in dit kader terecht gewezen op het besluit van het college van gedeputeerde staten van 27 november 2007. Hoewel dit besluit betrekking heeft op de nadere besluitvorming met betrekking tot het bestemmingsplan "Windturbines Veerwagenweg", heeft het college van gedeputeerde staten zich hierin nadrukkelijk uitgelaten over de aanvaardbaarheid van de oprichting van drie windturbines op de onderhavige locatie. Het college van gedeputeerde staten heeft met betrekking tot deze drie windturbines opgemerkt dat de oprichting mogelijk is volgens het Windplan Utrecht, dat het hem verheugt dat het gemeentebestuur opnieuw een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de WRO opstart voor de plaatsing van de drie windturbines en dat het op inhoudelijke gronden geen belemmeringen ziet voor de oprichting van de windturbines. Dat het besluit van 27 november 2007 niet is genomen naar aanleiding van het onderhavige verzoek om vrijstelling doet niet af aan de beoordeling die het college van gedeputeerde staten heeft gemaakt.

Het betoog faalt.

2.6. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de vrijstelling niet van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien. Daartoe voeren zij, onder verwijzing naar het door hen in beroep overgelegde rapport van adviesbureau AV Consulting van 1 oktober 2010 en het in hoger beroep overgelegde rapport van AV Consulting van 31 augustus 2011, aan dat onvoldoende is gemotiveerd dat kan worden voldaan aan de in de milieuwetgeving opgenomen geluidsnormen. Voorts is volgens hen de door het college aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegde "Quick-scan Natuurwaarden Windturbinelocaties Houten" (hierna: de quick-scan) te gedateerd om ten grondslag gelegd te kunnen worden aan het besluit van 21 juni 2010.

2.6.1. Het college heeft bij besluit van 15 december 2009 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van de windturbines (hierna: milieuvergunning). Deze vergunning is onder meer gebaseerd op de geluidsprognose Windpark Veerwagenweg te Houten van adviesbureau Lichtveld Buis & Partners van 8 maart 2007.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat ten tijde van het nemen van het besluit van 21 juni 2010, gelet op de milieuvergunning, geen sprake was van een situatie waarin het college ernstige twijfel had moeten hebben ten aanzien van de vraag of kon worden voldaan aan de in de milieuwetgeving opgenomen geluidsnormen. Dat ten tijde van het besluit van 21 juni 2010 beroep was ingesteld tegen de milieuvergunning is onvoldoende voor de conclusie dat wel sprake was van een dergelijke situatie. Uit de omstandigheid dat in de op 2 april 2010 gepubliceerde "Circulaire Beoordeling geluidhinder windturbines" van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een nieuwe beoordelingswijze van het geluid van windturbines is voorgesteld, waar in het door [appellanten] in beroep overgelegde rapport van AV Consulting van 1 oktober 2010 op is gewezen en hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in de wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) per 1 januari 2011, volgt niet dat het college bij de verlening van vrijstelling niet van de milieuvergunning uit mocht gaan. Dat deze milieuvergunning vervolgens, zoals de Afdeling in de uitspraak van 23 februari 2011 in zaak nr. 201001296/1/M1 heeft overwogen, van rechtswege is komen te vervallen, omdat met de wijziging van het Activiteitenbesluit per 1 januari 2011 geen vergunningplicht meer geldt en dat per deze datum de normen, zoals neergelegd in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit, gelden voor de windturbines, betreffen voorts omstandigheden van na het besluit van 21 juni 2010 die derhalve niet kunnen leiden tot het oordeel dat dit besluit niet rechtmatig is. De vraag of de windturbines kunnen voldoen aan de ingevolge het Activiteitenbesluit geldende geluidsnormen, die volgens [appellanten] blijkens de conclusie van het door hen overgelegde rapport van AV Consulting van 31 augustus 2011 ontkennend moet worden beantwoord, doet derhalve niet ter zake.

In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, bestaat voorts evenmin grond voor het oordeel dat het college zich niet op de quick-scan heeft mogen baseren. De enkele omstandigheid dat deze dateert van april 2004 is daarvoor onvoldoende. Daarbij komt dat de bevindingen van de quick-scan zijn bevestigd in het rapport van Bureau Tauw van 26 oktober 2010.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kos

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2011

580.