Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7924

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
201103735/1/H2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:BP5776, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2009 heeft de raad een aanvraag van [appellant A] om een toevoeging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103735/1/H2.

Datum uitspraak: 14 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te Duitsland, en [appellant B], kantoorhoudende te [plaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 februari 2011 in zaak nr. 09/4016 in het geding tussen:

[appellant A]

en

de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2009 heeft de raad een aanvraag van [appellant A] om een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 26 augustus 2009 heeft de raad het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 februari 2011, verzonden op 15 februari 2011, heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2011, waar [appellant B] in persoon, mede als gemachtigde van [appellant A], en de raad, vertegenwoordigd door mr. K. Achefai, werkzaam bij het centraal kantoor van de raad te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling overweegt ambtshalve dat de aangevallen uitspraak uitsluitend is gericht aan [appellant A], [appellant B] geen beroep bij de rechtbank tegen het besluit op bezwaar inzake de geweigerde toevoeging heeft ingesteld en de situatie dat hem dit redelijkerwijs niet kan worden verweten zich niet voordoet. Het bepaalde in artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, leidt er dan ook toe dat [appellant B] niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.

2.2. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb), zoals dit gold ten tijde van belang, kan de raad de toevoeging weigeren indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging.

Ingevolge artikel 32 geldt de toevoeging uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de afhandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, onder a, verstrekt de raad aan een rechtsbijstandverlener een subsidie, genoemd vergoeding, voor de door hem op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr) wordt in dit besluit verstaan onder procedure: een zaak die aanhangig is gemaakt bij, onder andere, de administratieve rechter.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, ontvangen rechtsbijstandverleners overeenkomstig de bepalingen van dit besluit een vergoeding voor de verlening van rechtsbijstand op basis van een toevoeging als bedoeld in artikel 37 van de wet.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, wordt aan een procedure het aantal punten toegekend dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak is bepaald.

Ingevolge het tweede lid zijn de artikelen 12 en 13, tweede lid, van overeenkomstige toepassing indien de procedure is beëindigd voordat de in artikel 1 bedoelde instantie uitspraak of tussenuitspraak heeft gedaan of een beslissing heeft genomen dan wel voordat de rechtsbijstandverlener een zitting als bedoeld in het eerste lid van artikel 7 heeft bijgewoond.

Ingevolge het derde lid zijn de artikelen 12 en 13, tweede lid, van overeenkomstige toepassing indien ten tijde van de beëindiging van de procedure uitsluitend een bestuursrechtelijke uitspraak over de proceskosten is gedaan.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, wordt, indien in een procedure de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak op grond van artikel 6 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend mits het bureau de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.

Volgens het beleid van de raad bij toepassing van artikel 32 van de Wrb, zoals neergelegd in het Handboek Toevoegen 2007 en gepubliceerd in Radius Flits nr. 28, blz. 316, kan een toevoeging worden verleend voor de bezwaarprocedure en kan voor de procedure in beroep tegen de beslissing op bezwaar opnieuw een toevoeging worden verleend. Indien de beslissing op bezwaar door de rechtbank wordt vernietigd en het bestuursorgaan een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank, wordt de hernieuwde behandeling van dat bezwaarschrift door de raad aangemerkt als verlenging van dezelfde procedure in dezelfde instantie en wordt geen (nieuwe) toevoeging verleend. De raad verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 1999 in zaak nr. H01.99.0054 (aangehecht).

2.3. De raad heeft [appellant A] bij besluit van 11 januari 2008 een toevoeging verleend voor haar beroepsprocedure tegen het besluit van 23 november 2007 tot afwijzing van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Afdeling heeft het hoger beroep bij uitspraak van 17 december 2008 in zaak nr. 200804682/1 gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak naar haar teruggewezen omdat de rechtbank ten onrechte niet bij haar beoordeling had betrokken, het beroep van [appellant A] op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn).

2.4. Voor de hernieuwde behandeling in beroep heeft [appellant A] opnieuw een toevoeging aangevraagd. Met analoge toepassing van het hiervoor weergegeven beleid heeft de raad deze aanvraag bij besluit van 18 maart 2009 afgewezen omdat de werkzaamheden vallen onder het bereik van de eerder, bij besluit van 11 januari 2008, verleende toevoeging. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen grond bestaat voor het verlenen van een nieuwe toevoeging.

2.5. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 2 mei 2007 in zaak nr. 200607001/1 (www.raadvanstate.nl), volgt uit de artikelen 28 en 32 van de Wrb, in onderlinge samenhang bezien, dat indien sprake is van één rechtsbelang met één toevoeging kan worden volstaan, tenzij sprake is van verschillende procedures dan wel in geval van één procedure sprake is van meer dan één instantie als bedoeld in artikel 32 van de Wrb. Niet in geschil is dat de onderhavige aanvraag om een toevoeging hetzelfde rechtsbelang betreft als de eerder verleende toevoeging, te weten het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel. De vraag of beide behandelingen in beroep meerdere procedures betreffen dan wel, als het één procedure betreft, de afhandeling hiervan heeft plaatsgevonden in meer dan één instantie als bedoeld in artikel 32 van de Wrb, houdt partijen verdeeld.

2.6. [appellant A] betoogt dat de rechtbank de hernieuwde behandeling in beroep had moeten aanmerken als een nieuwe procedure, nu uit artikel 5 van het Bvr, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Bvr en de nadere uitwerking hiervan, volgt dat de procedure is geëindigd als uitspraak is gedaan. Zo geen sprake is van een nieuwe procedure dan is volgens haar sprake van behandeling in meer dan één instantie. Zij voert daarbij aan dat haar gemachtigde even veel tijd aan de hernieuwde behandeling in beroep heeft moeten besteden als aan de eerdere behandeling in beroep, te weten ruim twaalf uur. Volgens [appellant A] volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 22 februari 1996 in zaken nrs. H01.95.0220 onderscheidenlijk H01.95.0240 (aangehecht), dat de rechtbank de omstandigheid dat die gemachtigde substantiële werkzaamheden voor de hernieuwde behandeling in beroep heeft verricht, mede vanwege de door haar ingediende nieuwe gronden, het verweerschrift van de staatssecretaris en de extra zitting, in haar oordeel had moeten betrekken.

2.6.1. Artikel 5 van het Bvr, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Bvr, regelt wanneer een procedure is geëindigd. Deze bepalingen zien niet op het bereik van toevoegingen, zoals hier aan de orde is, maar op het vaststellen van de vergoedingsnorm voor het verlenen van rechtsbijstand in procedures. Het beroep van [appellant A] op deze bepalingen treft dan ook geen doel.

2.6.2. De op 11 januari 2008 verleende toevoeging is bedoeld voor de "beroepsprocedure asiel" tegen het besluit van 23 november 2007. De hernieuwde behandeling van het beroep ziet op hetzelfde besluit dat eerder aan de rechtbank was voorgelegd en waarover de rechtbank, naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2008, opnieuw een oordeel diende te vellen. De eerdere en de hernieuwde behandeling in beroep hadden ook betrekking op hetzelfde beroepschrift. De hernieuwde behandeling in beroep onderscheidt zich weliswaar van de eerdere behandeling, dat het beroep van [appellant A] op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn alsnog door de rechtbank is behandeld, partijen hun standpunten ter zake nader hebben gemotiveerd en de rechtbank twee zittingen heeft gehouden, maar aangezien deze hernieuwde behandeling samenhangt met de eerdere behandeling in beroep en beide behandelingen niet wezenlijk van elkaar verschillen, is de hernieuwde behandeling van het beroep te beschouwen als een verlenging van de eerdere procedure. Anders dan [appellant A] aanvoert, kan ook niet worden staande gehouden dat de procedure niet wordt voortgezet bij dezelfde instantie. Het begrip instantie is weliswaar, zoals [appellant A] met juistheid aanvoert, niet gedefinieerd in de Wrb, maar naar gangbaar taalgebruik wordt daaronder verstaan, 'aanleg' dan wel 'openbaar lichaam' of 'overheidsorgaan'. Zowel de eerdere als de hernieuwde behandeling in beroep heeft bij dezelfde rechtbank in eerste aanleg plaatsgevonden.

Niet valt dan ook in te zien dat de raad het op de hernieuwde behandeling van dat bezwaarschrift van toepassing zijnde beleid niet overeenkomstig heeft kunnen toepassen op de hernieuwde behandeling van het beroepschrift van [appellant A]. Dat de raad, gelet op het woord 'kan' in artikel 28 van de Wrb, niet gehouden is de toevoeging te weigeren maakt, anders dan [appellant A] in dit verband nog heeft aangevoerd, evenmin dat dit beleid van de raad bij toepassing van artikel 32 niet analoog kan worden toegepast bij een hernieuwde behandeling in beroep.

Aan het voorgaande doet niet af de stelling van [appellant A] dat de aanvullende werkzaamheden die haar gemachtigde heeft moeten verrichten voor de hernieuwde behandeling in beroep substantieel waren, reeds omdat uit haar nadere stuk van 2 november 2011 blijkt dat het aantal uren rechtsbijstand voor beide behandelingen in beroep niet boven de in artikel 13 van het Bvr gestelde grens uitkwam om in aanmerking te komen voor een extra vergoeding vanwege bewerkelijkheid.

Gelet op al het voorgaande heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat de hernieuwde behandeling in beroep de verlenging van de procedure bij dezelfde instantie betreft en dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen grond bestaat voor het verlenen van een nieuwe toevoeging voor het voeren van de verlengde procedure voor de rechtbank.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is, voor zover dat is ingesteld door [appellant B], niet-ontvankelijk en voor zover dat is ingesteld door [appellant A], ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover dat is ingesteld door [appellant B], niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2011

47-615.