Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7912

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
201000335/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 november 2009 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Zuidwestelijke Randweg-N207" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ruimtelijk Bestuursrecht 2012/89
JOM 2012/236
JM 2012/19 met annotatie van F. Arents
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000335/1/R2.

Datum uitspraak: 14 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Gouderak, gemeente Ouderkerk,

2. [appellant sub 2], gevestigd te Gouda,

en

provinciale staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2009 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Zuidwestelijke Randweg-N207" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2010, beroep ingesteld.

Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en provinciale staten van Zuid-Holland hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2011, waar [appellant sub 1], in persoon en bijgestaan door ir. P. de Knegt, en [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. R.D. Harteman, mr. E. de Groot, beiden advocaat te Breda, en R.B. Adriaanse en provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Aerts, advocaat te Den Haag, en R. Nieborg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op de aanleg van de Zuidwestelijke Randweg N207 (hierna: ZWR) ten zuiden van Gouda.

2.2. [appellant sub 1], wiens autobedrijf op een afstand van ongeveer 11 meter van het plangebied ligt en naast het bedrijf van [appellant sub 2] is gevestigd aan de [locatie 1], kan zich niet verenigen met het plan, omdat hij vreest dat de ZWR een gezonde bedrijfsvoering van zijn eenmansbedrijf in fysieke en financiële zin onmogelijk maakt. Hij stelt dat zijn bedrijf door de aanleg van de ZWR aan een doodlopende weg komt te liggen en daarmee de bereikbaarheid van en het zicht op zijn bedrijf zal afnemen.

Verder betoogt hij dat hij tengevolge van de ZWR te maken zal krijgen met een toename van geluidhinder, luchtverontreiniging en veiligheidsrisico. Dit heeft een onaanvaardbare verslechtering van arbeidsomstandigheden en communicatiemogelijkheden met klanten tot gevolg. Hiernaar is onvoldoende onderzoek naar gedaan. [appellant sub 1] stelt dat los van de toetsing aan de normen voor luchtkwaliteit, externe veiligheid en geluidhinder rekening had moeten worden gehouden met het geheel van gevolgen voor zijn bedrijf en dat nu dat niet het geval is onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen.

2.3. [appellant sub 2], wiens botenbouw- en reparatiebedrijf op een afstand van ongeveer 2 meter van het plangebied naast het tracé van de ZWR is gevestigd aan [locatie 2], kan zich niet verenigen met het plan, omdat hij vreest dat de ZWR zijn bedrijfsvoering ernstig zal beperken. [appellant sub 2] voert aan dat de plangrens ten onrechte ter hoogte van het pand [locatie 3] ligt en gelet hierop het provinciebestuur ten onrechte het middelste deel van het bedrijfsgebouw waarvan hij eigenaar is niet heeft aangekocht en slechts volstaat met onteigening van het noordelijke gedeelte van het gebouw, te weten het pand [locatie 3]. Hij betoogt dat sloop van uitsluitend [locatie 3] bouwtechnisch niet mogelijk is. Hij stelt dat dit in strijd is met door het provinciebestuur opgewekt vertrouwen. Verder stelt hij dat zijn bedrijf verminderd bereikbaar zal zijn omdat het Middelblok een doodlopende weg zal worden. [appellant sub 2] betoogt voorts dat de manoeuvreerruimte ter plaatse van zijn bedrijfspand zal worden beperkt. In dit verband concludeert hij naar aanleiding van een door hem uitgevoerde praktijkproef dat hij - na realisatie van de ZWR - zijn bedrijfsruimte niet langer zal kunnen in- en uitrijden met een auto met aanhanger.

Voorts voert [appellant sub 2] aan dat provinciale staten ten onrechte niet hebben onderzocht of wat betreft geluidhinder in zijn bedrijfsgebouw een aanvaardbaar leefklimaat aanwezig zal zijn. Aanleg van de weg zo dicht op zijn bedrijf heeft grote milieuhinder tot gevolg te meer nu het plan niet verplicht tot aanleg van een geluidscherm.

[appellant sub 2] betoogt verder dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit tekort schiet, nu in het onderzoek de gevolgen voor de gezondheid ter plaatse van het buitenterrein bij het bedrijf niet aan bod komen. Volgens [appellant sub 2] hadden provinciale staten tevens moeten bezien wat de gevolgen van het plan zijn voor de concentraties zeer fijn stof (PM2,5) en of, gelet op de verwachting dat het plan tot na die datum zal blijven gelden, op 1 januari 2015 de grenswaarden daarvoor kunnen worden gehaald.

2.4. De ZWR is noodzakelijk om de grote verkeersdruk op de zogenoemde Veerstalroute, de Haastrechtsebrug en de Koningin Wilhelminaweg te verlichten. Provinciale Staten stellen dat - om tegemoet te komen aan de wens van andere ondernemers aan het Middelblok om hun bedrijfsbebouwing te behouden - is besloten om de as van de ZWR enkele meters te verleggen. Zij stellen dat de aanleg van de ZWR zwaarder dient te wegen dan de belangen die [appellant sub 2] en [appellant sub 1] naar voren hebben gebracht.

2.5. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing ter hoogte van het pand [locatie 3] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat niet aannemelijk is gemaakt dat sloop van het gebouw [locatie 3] bouwtechnisch niet mogelijk is. In het deskundigenbericht is vermeld dat uit onderzoek kan worden afgeleid dat sloop van [locatie 3] bouwtechnisch mogelijk is. Het pand [locatie 3] is overigens inmiddels gesloopt met gebruikmaking van een onherroepelijke omgevingsvergunning voor het slopen.

2.6. De bedrijven van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bevinden zich op het perceel [locatie 1] en [locatie 2]. Middelblok is thans een doorgaande weg, maar zal na aanleg van de ZWR een doodlopende weg worden die door middel van een rotonde ontsloten zal worden op de ZWR. Deze rotonde is op ongeveer 200 meter van de bedrijven voorzien. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de bereikbaarheid van hun bedrijf of het zicht daarop zodanig zal verslechteren dat provinciale staten hieraan doorslaggevend gewicht hadden dienen toe te kennen. In dit verband hebben provinciale staten van belang mogen achten dat het perceel van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] 200 meter verderop via het Middelblok op de ZWR zal worden ontsloten en dat er voldoende mogelijkheden zijn tot het plaatsen van bewegwijzering en reclameborden om de aanwezigheid en bereikbaarheid van de bedrijven van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] duidelijk te maken. De betogen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] falen in zoverre.

2.7. Ten aanzien van de gestelde geluidhinder voor de bedrijven van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] overweegt de Afdeling het volgende.

2.7.1. De bedrijven zijn onbetwist geen geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder maar in het kader van een goede ruimtelijke ordening dienen bedrijfsruimten waar gedurende een langere periode van de dag personen verblijven die een zekere bescherming tegen geluidhinder behoeven wel als geluidgevoelig te worden aangemerkt. Deze objecten hoeven niet dezelfde bescherming te krijgen als een woning of andere geluidgevoelige ruimten als bedoeld in de Wet geluidhinder.

2.7.2. Ten behoeve van het plan is door DHV onderzoek gedaan naar de akoestische situatie voor woningen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Zuidwestelijke Randweg N207 Gouda, Akoestisch onderzoek" van april 2009. In dit onderzoek is de geluidbelasting ter plaatse van het bedrijf van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet berekend.

[appellant sub 1] heeft in beroep indicatieve berekeningen overgelegd, waaruit een equivalent geluidsniveau van 67 dB gedurende de dagperiode ter plaatse van zijn bedrijf volgt.

In reactie op deze berekeningen hebben provinciale staten nader onderzoek laten uitvoeren naar geluidhinder op het perceel van [appellant sub 1] door DHV. De resultaten van dit nadere onderzoek zijn neergelegd in de memo "Aspect Geluid" van 9 mei 2011. De conclusie van dit aanvullende akoestische onderzoek is dat bij de berekeningen van [appellant sub 1] gebruik is gemaakt van de voor dit geval ongeschikte rekenmethode SRM1. [appellant sub 1] heeft deze conclusie niet betwist. DHV heeft bij haar berekeningen gebruik gemaakt van de rekenmethode SRM2. Bij gebruik van de dunne, geluidreducerende deklaag DDL2, zoals wordt beoogd ter plaatse van het bedrijf van [appellant sub 1], leidt het toepassen van deze methode ter plaatse van het bedrijf van [appellant sub 1] tot een geluidsbelasting van 53,7 dB.

Provinciale staten hebben ook nader onderzoek laten uitvoeren naar geluidhinder op het perceel van [appellant sub 2] door DHV. De resultaten van dit nadere onderzoek zijn neergelegd in de memo van DHV van 10 augustus 2011, waarin staat dat de geluidbelasting op de noordelijke gevel van het bedrijfspand ten hoogste 59 dB zal zijn.

Bij schrijven van 12 oktober 2011 heeft [appellant sub 1] een contra-expertise van RBOI overgelegd waarin is ingegaan op het rapport van DHV van 9 mei 2011. Toepassing van geluidsarm asfalt zou volgens DHV leiden tot een geluidsreductie van 5,6 tot 8,7 dB, terwijl volgens RBOI gelet op de DHV-memo slechts sprake is van een reductie van 4 dB.

2.7.3. De vertegenwoordiger van de provincie heeft ter zitting aangegeven dat het verschil in geluidsreductie kan worden verklaard doordat RBOI gebruik heeft gemaakt van het programma Geomilieu en DHV van het programma WinHavik. Onweersproken is gesteld dat ook indien niet dient te worden uitgegaan van een geluidsreductie van 5,6 tot 8,7 dB waar DHV in het geval van [appellant sub 1] is uitgegaan maar de in het rapport van RBOI genoemde reductie van 4 dB, de geluidsbelasting onder de 60 dB zal blijven. Daargelaten het verschil in uitkomsten van beide onderzoeken hebben provinciale staten zich gelet op het feit dat de geluidsbelasting onder de 60 dB zal blijven in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een dergelijke geluidbelasting op de gevel van het bedrijf van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aanvaardbaar is te achten, nu het niet gaat om geluidgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geluidhinder en het een beperkte overschrijding betreft ten opzichte van de in de Wet geluidhinder opgenomen voorkeursgrenswaarde van geluidgevoelige objecten. De Afdeling betrekt hierbij dat de bedrijven zijn gesitueerd op een gezoneerd industrieterrein en dat gelet op de aard van de bedrijven van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet op voorhand is uitgesloten dat deze bedrijven zelf ook geluid produceren.

Ten aanzien van de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met de woning aan Middelblok 196 waar wel een geluidscherm geplaatst zal worden, overweegt de Afdeling dat provinciale staten zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat hun bedrijven anders dan woningen geen geluidgevoelige objecten betreffen.

2.8. Ten aanzien van de luchtkwaliteit stelt de Afdeling vast dat ten behoeve van het plan door DHV onderzoek is gedaan naar luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Zuidwestelijke Randweg N207 Gouda, Luchtkwaliteitstoets" van mei 2009 (hierna: het rapport luchtkwaliteit). De conclusie van het rapport luchtkwaliteit is dat de grenswaarden als gevolg van de aanleg van de ZWR niet zullen worden overschreden.

2.9. De Afdeling overweegt (onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2011 in zaak nr. 201001638/1/R3) dat de grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM2,5) tot 1 januari 2015 buiten toepassing blijft bij de uitoefening van een bevoegdheid of toepassing van een wettelijk voorschrift met toepassing van artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, ongeacht of de desbetreffende bevoegdheid ook na de genoemde datum gevolgen voor de luchtkwaliteit heeft of kan hebben.

Provinciale staten hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat de wettelijke normen met betrekking tot luchtkwaliteitseisen zoals neergelegd in titel 5.2 van de Wet milieubeheer het toetsingskader vormen bij het nemen van het aan de orde zijnde besluit. Nu in het rapport "Luchtkwaliteitstoets" van DHV van mei 2009 is geconcludeerd dat de grenswaarden als gevolg van de aanleg van de ZWR niet zullen worden overschreden en er geen aanleiding is om deze conclusie in twijfel te trekken, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten de situatie ter plaatse van het bedrijf van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit onaanvaardbaar hadden moeten achten. De betogen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] falen.

2.10. Ten behoeve van het plan is door Royal Haskoning onderzoek gedaan naar externe veiligheid. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Externe Veiligheid N207 ZWR Gouda" van 5 mei 2009. De conclusie van dit rapport is dat het plaatsgebonden risico vrijwel gelijk zal blijven aan de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. In deze situatie wordt voldaan aan de normen voor het plaatsgeboden risico. Evenmin wordt de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overschreden.

Gelet op de resultaten van dit onderzoek, welke niet door [appellant sub 1] zijn bestreden, hebben provinciale staten zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vanuit het oogpunt externe veiligheid de situatie ter plaatse van het bedrijf van [appellant sub 1] niet onaanvaardbaar zal zijn. Het betoog van [appellant sub 1] faalt.

2.11. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van het inpassingsplan berust bij provinciale staten. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens provinciale staten verwachtingen zijn gewekt dat de plangrens op de door [appellant sub 2] gewenste locatie zou komen te liggen. Dit betoog van [appellant sub 2] faalt.

2.12. Ten aanzien van de benodigde manoeuvreerruimte bij het bedrijfspand van [appellant sub 2] overweegt de Afdeling dat niet betwist is dat er na het realiseren van de ZWR nog voldoende ruimte overblijft om boten tot 10 meter te vervoeren.

[appellant sub 2] betwist dat opleggers met een lengte van 14 meter de bedrijfsruimte kunnen bereiken indien het terrein van Langeveld ten gevolge van het plan wordt verkleind. Zelfs indien hier vanuit moet worden gegaan, is naar het oordeel van de Afdeling de manoeuvreerruimte hierdoor niet zodanig verslechterd dat provinciale staten hieraan doorslaggevend gewicht hadden dienen toe te kennen. In dit verband hebben provinciale staten van belang mogen achten dat [appellant sub 2] bij aankoop van de bedrijfsruimte al een risico heeft genomen. Gelet op de eigendomsverhoudingen bestond ook onder het voorgaande regime geen zekerheid dat boten waarvoor opleggers van minimaal 14 meter nodig zijn, konden worden vervoerd. De gronden rond het bedrijf van [appellant sub 2] die nodig zijn om het bedrijf op de Middelblok te ontsluiten zijn in eigendom van derden. [appellant sub 2] heeft bij de aankoop van zijn bedrijf geen recht van overpad bedongen op deze gronden. [appellant sub 2] was derhalve voor ontsluitingsmogelijkheden afhankelijk van toestemming van de eigenaren van omliggende gronden. Overigens is de productie van boten met afmetingen waarvoor opleggers met ene lengte van 14 meter nodig een in tijd beperkt omdat de afgelopen 10 jaar dat het bedrijf op deze locatie is gevestigd [appellant sub 2] zich ongeveer 2 jaar heeft beziggehouden met de productie van boten met dergelijke afmetingen en voor het overige met het onderhoud en de productie van boten tot 10 meter.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] dat ten gevolge van het plan het optuigen van zeilen een groot risico voor de verkeersveiligheid met zich brengt, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het optuigen van zeilen niet meer mogelijk is op delen van het terrein die niet direct grenzen aan de ZWR. Het betoog dat betrekking heeft op de manoeuvreerruimte faalt.

2.13. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is verzekerd. Immers, onweersproken is door provinciale staten gesteld dat meer dan voldoende financiële middelen door de provincie en de gemeente Gouda ter beschikking worden gesteld.

2.14. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn ongegrond.

2.15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Ouwehand

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2011

224.