Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7905

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
201104519/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van scheidingswanden in een agrarisch gebouw op het perceel [locatie] te Oirschot (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104519/1/H1.

Datum uitspraak: 14 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kageva B.V. (hierna: Kageva), gevestigd te Oirschot,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 maart 2011 in zaak nr. 08/1100 in het geding tussen:

Kageva

en

het college van burgemeester en wethouders van Oirschot.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van scheidingswanden in een agrarisch gebouw op het perceel [locatie] te Oirschot (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 februari 2008 heeft het college het door [belanghebbenden A] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk en het door [belanghebbenden B] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 17 juli 2007 herroepen en de gevraagde bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 8 maart 2011, verzonden op 11 maart 2011, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door Kageva daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Kageva bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 13 mei 2011.

[belanghebbenden B] hebben daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2011, waar Kageva, vertegenwoordigd door A.H.L. van de Ven, bijgestaan door mr. E. Pimentel, en het college, vertegenwoordigd door J. Klinkenberg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar [belanghebbende B1], vertegenwoordigd door mr. M.M. Breukers, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van scheidingswanden in een agrarische bedrijfsloods op het perceel. Uit de bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bouwtekeningen blijkt dat deze scheidingswanden dienen voor het realiseren van acht slaapruimten en een gemeenschappelijke ruimte, ten behoeve van de huisvesting van ongeveer 96 buitenlandse seizoenarbeiders, die werkzaam zijn op het agrarische bedrijf van Kageva.

2.2. Kageva betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college [belanghebbenden B] ten onrechte als belanghebbenden heeft aangemerkt. Daartoe voert zij aan dat [belanghebbenden B] geen bezwaar hebben gemaakt tegen de bouwvergunning voor de uitbreiding van het bedrijfsgebouw zelf, zodat zij nu niet meer op grond van het afstands- en het zichtcriterium als belanghebbenden bij het besluit van 17 juli 2007 kunnen worden aangemerkt. Zij voert daartoe verder aan dat de rechtbank heeft miskend dat de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan niet van dien aard is, dat [belanghebbenden B] om die reden belanghebbend zijn. Volgens Kageva is slechts de afstand tot het bouwplan bepalend voor de belanghebbendheid van [belanghebbenden B].

2.2.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [belanghebbenden B] zijn aan te merken als belanghebbenden bij het besluit van 17 juli 2007. Dat zij geen bezwaar hebben gemaakt tegen de bouwvergunning voor het bedrijfsgebouw zelf, heeft niet tot gevolg dat zij thans niet als belanghebbenden bij dit besluit kunnen worden aangemerkt. Voor het oordeel dat slechts de afstand tot het bouwplan bepalend is voor de vraag of [belanghebbenden B] als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, bestaat geen grond.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college [belanghebbende B2] terecht belanghebbend heeft geacht, nu hij eigenaar is van een aan het perceel aangrenzend perceel.

De afstand van de woningen van [belanghebbende B3] en [belanghebbende B1] tot aan het agrarische bedrijfsgebouw bedraagt respectievelijk 106 en 157 m. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat door de mogelijkheid van het huisvesten van ongeveer 96 personen in het bedrijfsgebouw, sprake zal zijn

- met name buiten werktijden - van de aanwezigheid van deze personen in, rondom en in de nabijheid van dat gebouw. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat, in geval van een dergelijke concentratie van personen, de gangbare daarbij behorende vervoermiddelen en de toename van verkeersbewegingen, de ruimtelijke uitstraling van het gebouw van directe invloed zal zijn op de woon- en leefomgeving van [belanghebbende B3] en [belanghebbende B1].

De stelling van Kageva dat doorgaans sprake zal zijn van huisvesting van 40 à 45 personen, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat het bouwplan voorziet in de mogelijkheid van huisvesting van 96 personen. De stelling dat de toename van het aantal verkeersbewegingen gering zal zijn, leidt evenmin tot een ander oordeel. Ook indien dit juist zou zijn, rechtvaardigt dit niet de conclusie dat van het bouwplan een dermate geringe ruimtelijke uitstraling uitgaat dat deze niet van invloed zal zijn op de woon- en leefomgeving van betrokkenen. Ook de omstandigheid dat, als gesteld, Kageva maatregelen heeft voorgesteld om het open karakter van het gebied te beschermen, maakt niet dat [belanghebbenden B] niet als belanghebbenden bij het besluit van 17 juli 2007 zijn aan te merken.

Het betoog faalt.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied, Correctieve herziening 2003" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" met de nadere aanduiding "Gekoppeld agrarisch bouwblok". Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft geweigerd om daarvan met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling te verlenen.

2.4. Kageva betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen weigeren. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank dat oordeel ten onrechte mede op het advies van 22 augustus 2007 van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) heeft gebaseerd, nu Kageva de juistheid van dat advies heeft bestreden. Verder voldoet volgens Kageva het bouwplan aan de nota "Tijdelijk werken en wonen" (hierna: de nota) van 18 januari 2006 van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (hierna: SRE).

2.4.1. Het besluit om al dan niet vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen behoort tot de bevoegdheden van - in dit geval - het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen. Dit wil zeggen dat de rechter zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om vrijstelling te weigeren, heeft kunnen komen.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen. Het college heeft daarbij van belang mogen achten dat volgens de nota van het SRE een regeling omtrent vrijstelling voor de tijdelijke huisvesting van werknemers mogelijk werd geacht tot een maximum van 20 tot 40. Ook de "Kaderstellende discussienota bestemmingsplan Buitengebied Oirschot" van 3 juli 2007 heeft als uitgangspunt dat tijdelijke huisvesting mogelijk kan worden gemaakt tot een maximum van 30 werknemers. In het op

29 september 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2010" is dit beleid ook neergelegd. Artikel 3.6.10 van de planvoorschriften geeft een ontheffingsbevoegdheid voor tijdelijke huisvesting van maximaal 40 seizoensarbeiders.

Wat derhalve ook zij van de door Kageva gestelde onvolkomenheden in het rapport van AAB, het door Kageva gewenste aantal van 96 tijdelijk te huisvesten werknemers is dusdanig afwijkend van de hiervoor genoemde regionale en gemeentelijke ruimtelijke beleidsvoornemens, dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het college daarin in redelijkheid grond tot weigering van de vrijstelling heeft mogen zien.

Het betoog faalt.

2.5. Kageva betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat aan haar namens het college toezeggingen zijn gedaan, waardoor zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan zouden worden verleend. De bij besluit van 17 juli 2007 verleende bouwvergunning had dan ook niet bij besluit van 15 februari 2008 mogen worden herroepen, aldus Kageva.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 8 oktober 2008, in zaak nr. 200800761/1) is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat van een concrete en ondubbelzinnige toezegging dat vrijstelling en bouwvergunning zouden worden verleend, niet is gebleken. Kageva heeft met hetgeen zij in dit verband naar voren heeft gebracht, te weten dat het aanvankelijk juist het college was dat een voorkeur had voor tijdelijke huisvesting van de werknemers op het perceel, en dat het college haar heeft aangeraden om daarvoor een bouwvergunning aan te vragen, niet aannemelijk gemaakt dat een rechtens te honoreren verwachting is gewekt dat de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning definitief zouden worden verleend. De omstandigheid dat bij besluit van 17 juli 2007 bouwvergunning is verleend voor het bouwplan, leidt niet tot een ander oordeel. Bij de volledige heroverweging in bezwaar heeft het college op dit besluit kunnen terugkomen.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2011

531-641.