Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7893

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
201003902/6/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2010, kenmerk R2010.004a, heeft de raad van de gemeente Bladel het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2010" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201003902/6/R4.

m uitspraak: 9 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te Bladel,

en

de raad van de gemeente Bladel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2010, kenmerk R2010.004a, heeft de raad van de gemeente Bladel het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2010, beroep ingesteld. [verzoeker] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 4 oktober 2010.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2011, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 november 2011, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. S.J.H.G.M. Schils, advocaat te Rosmalen, en de raad, vertegenwoordigd door P. Stappaerts zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker] verzoekt het bestreden besluit te schorsen wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor zijn gronden aan de [locatie] te Bladel. [verzoeker] betoogt dat de omvang van het bouwblok van zijn veehouderij in strijd met het door provinciale staten van Noord-Brabant vastgestelde reconstructieplan Beerze Reusel is verkleind ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. [verzoeker] beroept zich hierbij op de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 30 juli 2010, zaak nr. 201003902/2/R3, waarin volgens hem sprake is van een gelijke situatie als in zijn geval. [verzoeker] wijst erop dat voor de uitbreiding van een nabijgelegen school planologische besluiten in voorbereiding zijn en dat in dat verband bij de beoordeling van de te verwachten geurhinder ten onrechte zal worden uitgegaan van het kleinere bouwblok van zijn bedrijf zoals dat met het bestreden besluit is vastgesteld. Om te voorkomen dat de bouwmogelijkheden waarop hij stelt aanspraak te kunnen maken en waarover de bodemprocedure loopt, illusoir worden, stelt hij belang te hebben bij schorsing van het bestreden plandeel.

2.3. De raad stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] niet is gebaat bij een schorsing van het bestreden besluit, omdat inmiddels de provinciale Verordening ruimte in werking is getreden en via de rechtstreeks werkende regeling, zoals opgenomen in artikel 9.2, vierde lid, van de Verordening, de bebouwingmogelijkheden op het perceel van [verzoeker] zijn beperkt tot de bebouwing die per 1 oktober 2010 op het perceel aanwezig is. [verzoeker] kan volgens de raad ook bij de schorsing van het plan dan ook geen gebruik meer maken van een groter bouwblok, omdat de Verordening ruimte zich daartegen verzet.

2.4. Niet in geschil is dat ten tijde van de vaststelling van het plan de correctieve herziening van het reconstructieplan Beerze-Reusel van kracht was. Volgens dit reconstructieplan geldt in extensiveringsgebieden, behoudens voor zover er overwegende bezwaren bestaan vanuit ruimtelijke-, landschappelijke-, maatschappelijke- en/of milieuhygiënische optiek, als uitgangspunt dat bouwrechten in bestemmingsplannen die zijn gebaseerd op het Streekplan 1992 en 2002 worden gerespecteerd en zijn vervat in een daarop gebaseerd bouwblok. Niet in geschil is dat het bedrijf van [verzoeker] is gelegen in extensiveringsgebied en dat het vorige bestemmingsplan was gebaseerd op het Streekplan 1992 en aan [verzoeker] de mogelijkheid bood zijn bedrijfsbebouwing uit te breiden tot 1,5 hectare. Voorts is niet in geschil dat het bouwblok van [verzoeker] in het plan de bestaande bebouwing omvat, zodat zijn uitbreidingsmogelijkheden zijn vervallen. In zoverre verschilt de situatie van [verzoeker] niet van de situatie zoals deze in de door hem genoemde uitspraak aan de orde was.

Naar aanleiding van het ter zitting door de raad gehouden betoog dat de inmiddels in werking getreden Verordening ruimte eraan in de weg staat dat [verzoeker] van een groter bouwblok gebruik kan maken dan de omvang van de thans op het perceel aanwezige bebouwing, heeft [verzoeker] ter zitting de verbindendheid van de Verordening ruimte en de redelijkheid van het daaraan ten grondslag liggend provinciaal beleid betwist. Gelet hierop en nu de bodemprocedure binnen afzienbare tijd, te weten op 9 en 10 januari 2012, ter zitting behandeld zal worden, ziet de voorzitter, na afweging van alle betrokken belangen, aanleiding om ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen het verzoek om schorsing in te willigen.

2.5. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Bladel van 22 februari 2010, kenmerk R2010.004a, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor de gronden aan de [locatie] te Bladel;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Bladel tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat de raad van de gemeente Bladel aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2011

375-717.