Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7892

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
201109822/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Someren" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109822/2/R3.

Datum uitspraak: 9 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te Someren, en anderen

2. [verzoeker sub 2], wonend te Asten, en anderen,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Someren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Someren" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 september 2011, en [verzoeker sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2011, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoeker sub 1] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2011, hebben [verzoeker sub 2] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 23 november 2011, waar [verzoeker sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, werkzaam bij Het Groene Schild Milieu-adviesbureau en [gemachtigde], en [verzoeker sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Helmond, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.M.T. Willems, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Het verzoek van [verzoeker sub 1] en anderen

2.2. Het verzoek van [verzoeker sub 1] en anderen betreft de in het plan opgenomen aanduiding "intensieve veehouderij" voor het perceel [locatie sub 1] te Someren. Zij stellen dat het hier om nieuwvestiging van een intensieve veehouderij in verwevingsgebied gaat, hetgeen in strijd is met het provinciale reconstructieplan en de provinciale Verordening Ruimte. Het bedrijf beschikt voorts niet over een milieuvergunning. De laatstelijk verleende milieuvergunning voor een veehouderij ter plaatse is bij uitspraak van de Afdeling van 2 december 2009, zaak nr. 200900263/1/M2, vernietigd. Het bestreden besluit strijdt op dit punt volgens hen tevens met de vermelding in de Nota beantwoording zienswijzen, dat de aanduiding van de verbeelding zou worden verwijderd. [verzoeker sub 1] en anderen beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen van inwerkingtreding van het plandeel te voorkomen. Zij hebben voorts als bezwaar van procedurele aard aangevoerd dat het plan niet conform de vereisten van het Besluit ruimtelijke ordening digitaal is vastgesteld.

2.2.1. Naar het oordeel van de voorzitter is aannemelijk dat het plan op de juiste wijze digitaal is vastgesteld. Mitsdien wordt in dit formele bezwaar geen aanleiding gezien voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.2.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder 1, van de planregels, voor zover van belang, zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met de bijbehorende bedrijfsbebouwing. Ingevolge lid 4.1.1, onder 1, is op gronden met de functieaanduiding "intensieve veehouderij" naast grondgebonden activiteiten ook intensieve veehouderij toegestaan.

2.3. Uit het besluit tot vaststelling van het plan, in samenhang met de Nota beoordeling zienswijzen, volgt dat de raad heeft besloten om in het voorliggende plan binnen de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" op de locatie [locatie sub 1] te Someren geen intensieve veehouderij toe te staan. Naar de raad ter zitting heeft erkend, stemt de verbeelding in zoverre niet overeen met het besluit tot vaststelling. Gelet hierop verwacht de voorzitter dat in de hoofdzaak zal worden geoordeeld dat het bestreden besluit voor zover het ter plaatse intensieve veehouderij mogelijk maakt in zoverre dient te worden vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek van [verzoeker sub 2] en anderen

2.4. [verzoeker sub 2] en anderen kunnen zich niet verenigen met de aanduiding "plattelandswoning" die is toegekend aan de woning op het perceel [locatie sub 2] in Someren. Zij wijzen erop dat het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 9 september 2010 om handhavend op te treden tegen het gebruik van de agrarische bedrijfswoning als burgerwoning bij uitspraak van de Afdeling van 13 april 2011 onherroepelijk is geworden en dat erop mag worden vertrouwd dat aan de last onder dwangsom uitvoering wordt gegeven. De burgerbewoning van het pand aan de [locatie sub 2] leidt tot belemmering van de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van hun bedrijven. Ook kan voor de bewoners van die woning geen goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd, aangezien dat negatief wordt beïnvloed door luchtverontreiniging, stof-, geur-, vliegen- en geluidoverlast. Bovendien is een nieuwe burgerwoonbestemming in het buitengebied in strijd met het gemeentelijk en provinciaal beleid, aldus [verzoeker sub 2] en anderen.

2.4.1. [verzoeker sub 2] en anderen exploiteren een varkenshouderij aan de [locatie sub 3] te Someren. [partij sub 1] exploiteert een pluimveebedrijf en [partij sub 2] een agrarisch loonbedrijf, beide aan de nabijgelegen [locatie], op de respectieve nummers [..] en [..]. De bij de varkenshouderij aan de [locatie sub 3] horende voormalige agrarische bedrijfswoning, met huisnummer [locatie sub 2], wordt als burgerwoning bewoond door [partijen sub 3].

2.4.2. In het plan is aan het perceel aan de [locatie sub 2] de bestemming "Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-plattelandswoning" toegekend.

Ingevolge artikel 1 van de planregels is deze aanduiding omschreven als: "een van oorsprong agrarische bedrijfswoning die structureel bewoond wordt door personen die geen (bedrijfstechnische) relatie hebben met het agrarisch bedrijf dat ter plaatse nog wordt uitgeoefend".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder 6, is binnen het bestemmingsvlak met deze aanduiding bewoning van de bedrijfswoning door derden die geen relatie hebben met het agrarisch bedrijf toegestaan en is deze vorm van bewoning in overeenstemming met de bestemming.

2.4.3. Volgens de raad is met deze aanduiding beoogd om enerzijds zoveel mogelijk recht te doen aan het beleid dat geldt voor het buitengebied en om anderzijds een praktische oplossing te bieden voor bestaande situaties die niet meer zijn terug te draaien. De plattelandswoning geniet, net als een reguliere bedrijfswoning, geen bescherming tegen geuroverlast afkomstig van het op dezelfde locatie gevestigde bedrijf, omdat de plattelandswoning de status van bedrijfswoning behoudt. Deze woning kan zonder procedure opnieuw als agrarische bedrijfswoning in gebruik worden genomen, aldus de raad.

2.4.4. Partijen worden verdeeld door de vraag of deze planologische regeling de toets in rechte kan doorstaan, waarbij met name in geschil is of die regeling al dan niet belemmering van de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van de agrarische bedrijven van [verzoeker sub 2] en anderen tot gevolg zal hebben, vanwege de ter plaatse van de plattelandswoning mogelijk optredende geluid- en andere milieuoverlast. De voorzitter stelt vast dat de schorsingsprocedure zich niet leent voor een inhoudelijk oordeel over het antwoord op deze vragen.

2.4.5. Bij besluit van 9 september 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders [partijen sub 3] op straffe van een dwangsom gelast het gebruik van de agrarische bedrijfswoning op het perceel [locatie sub 2] anders dan als agrarische bedrijfswoning te staken en gestaakt te houden. Bij haar uitspraak van 13 april 2011, in zaak nr. 201008897/1/H1 heeft de Afdeling het beroep van [partijen sub 3] tegen dat besluit ongegrond verklaard. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft het college van burgemeester en wethouders, in afwachting van de uitspraak van de Afdeling op het beroep van [verzoeker sub 2] en anderen tegen het voorliggende plan, bij besluit van 13 september 2011 de aan de last onder dwangsom verbonden begunstigingstermijn met 52 weken verlengd.

2.4.6. Voor het standpunt van [verzoeker sub 2] en anderen dat de raad in verband met de onherroepelijk geworden last onder dwangsom niet langer bevoegd was om tot legalisering van de overtreding over te gaan, kan in de wet noch ook overigens steun worden gevonden.

2.4.7. Vast staat dat voor het agrarische bedrijf van [verzoeker sub 2] aan de [locatie sub 3] op 13 juli 2011 een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning ingevolge de Wet milieubeheer is verleend, dat [partijen sub 3] daarin hebben berust en dat de vergunning thans in rechte onaantastbaar is. De voorzitter acht niet aannemelijk gemaakt dat het voorliggende plan in de weg staat aan de huidige bedrijfsvoering. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat het voorliggende plan in de weg staat aan concrete plannen tot aanpassing of uitbreiding van de bedrijven van [verzoeker sub 2] en anderen. De raad heeft voorts ter zitting verklaard dat hij, ingeval van klachten van de bewoners van het perceel [locatie sub 2] over overlast van de bedrijven van [verzoeker sub 2] en anderen, hangende de bodemprocedure niet tot handhavend optreden jegens die bedrijven zal overgaan.

2.4.8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter, bij afweging van de bij het besluit betrokken belangen, geen aanleiding om het verzoek van [verzoeker sub 2] en anderen om een voorlopige voorziening in te willigen.

2.5. De raad dient ten aanzien van [verzoeker sub 1] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [verzoeker sub 2] en anderen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Someren van 29 juni 2011, voor zover het betreft de aanduiding "intensieve veehouderij" voor het perceel [locatie sub 1] te Someren;

II. wijst het verzoek van [verzoeker sub 2] en anderen af;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Someren tot vergoeding van bij [verzoeker sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Someren aan [verzoeker sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2011

240.