Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7890

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
201011854/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2007 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een vervangingsvergunning voor [woonboot] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011854/1/H3.

Datum uitspraak: 14 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2010 in zaak nr. 09/397 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2007 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een vervangingsvergunning voor [woonboot] afgewezen.

Bij besluit van 17 december 2008 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 november 2010, verzonden op 3 november 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en een verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 januari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [echtgenoot], bijgestaan door mr. D.H. Woelinga, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees, werkzaam bij Waternet, en [voorzitter] van de Commissie Historische Schepen (hierna: CHS), zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 10 augustus 2011 in zaak nr. 201011854/1/T1/H3 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling het college opgedragen het in die uitspraak beschreven gebrek in het besluit van 17 december 2008 te herstellen.

Bij brief van 21 september 2011 heeft het college het besluit van 17 december 2008 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Bij brief van 26 september 2011 is [appellante] in de gelegenheid gesteld haar zienswijze op de brief van 21 september 2011 naar voren te brengen.

Bij brief van 23 oktober 2011 heeft [appellante] een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In overweging 2.5.3 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het college afdoende heeft gemotiveerd dat zich in zeven van de negen door [appellante] genoemde gevallen geen situatie voordoet die zich met die van [appellante] laat vergelijken. Voor zover het die gevallen betreft, is niet gebleken dat het college in gelijke gevallen wel een vervangingsvergunning heeft verleend. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de "Zes gebroeders" en de "Koophandel IV" geen met de "Anna-Sjoerdina" gelijke gevallen zijn en de "Anna-Sjoerdina", anders dan die woonboten, is te kwalificeren als een woonvaartuig als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Richtlijnen bij vervanging van woonboten (hierna: de vervangingsrichtlijnen) en niet als een woonschip. Het besluit van 17 december 2008 ontbeert in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) een deugdelijke motivering.

In het belang van een spoedige beëindiging van het geschil heeft de Afdeling aanleiding gezien het college op de voet van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek aan dit besluit te herstellen. Daartoe is het college opgedragen met inachtneming van overweging 2.5.3 het besluit alsnog toereikend te motiveren, of zo nodig het besluit te wijzigen dan wel in de plaats daarvan een ander besluit te nemen. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorschreven wijze bekendgemaakt te worden.

2.2. Het college heeft ter zitting bij de Afdeling ten aanzien van de ten behoeve van de "Zes gebroeders" en de "Koophandel IV" verleende vervangingsvergunningen aangevoerd dat de opbouwen van die woonboten weliswaar evenmin authentiek zijn in de zin van artikel 1 van de vervangingsrichtlijnen, maar dat die woonboten, anders dan de "Anna-Sjoerdina", in hun geheel bezien herkenbaar zijn als van origine varende schepen. Het college heeft deze woonboten daarom beide aangemerkt als woonschip als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de vervangingsrichtlijnen. In dat kader heeft het college voorts aangevoerd dat het de "Anna-Sjoerdina" niet als woonschip als hiervoor bedoeld heeft aangemerkt vanwege de plek waar de opbouw zich bevindt. Het college heeft bij brief van 21 september 2011 het standpunt ingenomen dat de authenticiteit van de opbouw zich niet alleen manifesteert in de diverse onderdelen van de opbouw zelf, maar ook in de volgorde waarin de betreffende onderdelen van de opbouw op het schip zijn geplaatst. Bij de "Anna-Sjoerdina" is de volgorde in de opbouw die typerend is voor een tjalk, anders dan bij de "Zes gebroeders" en de "Koophandel IV", volgens het college niet aanwezig. Het college heeft hierbij van belang geacht dat de stuurinrichting in de vorm van een stuurhut in dit geval midscheeps is geplaatst vóór de roef, terwijl de stuurhut achter de roef zou moeten staan. Verder kwamen stuurhutten van oorsprong niet voor op tjalken, is een groot deel van het vrachtruim niet meer aanwezig en is de roef dusdanig breed dat de gangboorden ter hoogte van de roef geheel verdwenen zijn, aldus het college.

2.3. Niet in geschil is dat de "Anna-Sjoerdina" een tjalk is en dat, gezien vanaf het achterschip, de stuurhut bij de "Anna-Sjoerdina" voor de roef staat. Volgens het college is de opbouw van de "Anna-Sjoerdina" dusdanig afwijkend van wat van origine gebruikelijk is bij tjalken en dusdanig anders in vergelijking met de "Zes gebroeders" en "Koophandel IV" dat de "Anna-Sjoerdina" niet kan worden aangemerkt als woonschip en geen sprake is van gelijke gevallen. [appellante] heeft daar echter, onder verwijzing naar een uitgebreide reactie van woonbootdeskundige Frank Bos, voormalig lid van de CHS, bij brief van 23 oktober 2011 gemotiveerd tegen ingebracht dat de "Anna-Sjoerdina" vergeleken met de "Zes gebroeders" en de "Koophandel IV" het meest haar oorspronkelijke uiterlijk als varend vrachtschip en het meest van haar oorspronkelijke ruim heeft behouden.

Voorts zijn er geen scheepstypen met een vaste volgorde in de opbouw, en is onjuist dat tjalken in de vrachtvaart nooit een stuurhut hebben gehad.

De Afdeling is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de "Zes gebroeders" en de "Koophandel IV" geen met de "Anna-Sjoerdina" gelijke gevallen zijn en de "Anna-Sjoerdina", anders dan die woonboten, is te kwalificeren als een woonvaartuig als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de vervangingsrichtlijnen en niet als een woonschip. Het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is niet hersteld.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellante] tegen het besluit van 17 december 2008 ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.5. Ten aanzien van het door [appellante] gedane verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb overweegt de Afdeling dat het college met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het door [appellante] gemaakte bezwaar dient te nemen. Niet zeker is hoe dat besluit zal luiden. Het is derhalve thans niet mogelijk om vast te stellen of en, zo ja, in welke omvang door [appellante] schade is geleden ten gevolge van het bij deze uitspraak vernietigde besluit. De Afdeling zal daarom het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellante] een zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren heeft gebracht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2010 in zaak nr. 09/397;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van 17 december 2008, kenmerk BZ.1.08.0021.001/DJZ;

V. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1966,50 (zegge: negentienhonderdzesenzestig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 377,00 (zegge: driehonderdzevenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2011

419-597.