Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7867

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
201102477/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2011:BP0813, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2009 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om hem in te schrijven in het Register beëdigde tolken en vertalers als tolk Nederlands - Arabisch (standaard, Syrisch-Libanees, Irakees, Golfstaten, Egyptisch, Soedanees en Saoedisch) en Nederlands - Assyrisch-Aramees afgewezen. Tevens heeft de minister geweigerd [appellant] als tolk voor die talencombinaties op de zogenoemde Uitwijklijst te plaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102477/1/H3.

Datum uitspraak: 14 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hengelo,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 10 januari 2011 in zaak nr. 10/507 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Veiligheid en Justitie (voorheen: de minister van Justitie).

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2009 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om hem in te schrijven in het Register beëdigde tolken en vertalers als tolk Nederlands - Arabisch (standaard, Syrisch-Libanees, Irakees, Golfstaten, Egyptisch, Soedanees en Saoedisch) en Nederlands - Assyrisch-Aramees afgewezen. Tevens heeft de minister geweigerd [appellant] als tolk voor die talencombinaties op de zogenoemde Uitwijklijst te plaatsen.

Bij besluit van 16 november 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2011, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2011, waar [appellant], bijgestaan door ir. A. van Willigen en dr. C.H.M. Versteegh, en de minister, vertegenwoordigd door mr. D.E.S. Tomeij, werkzaam bij de Raad voor Rechtsbijstand, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Wbtv) kan de minister een lijst houden waarop de gegevens worden bijgehouden van tolken en vertalers die beschikken over een recente verklaring omtrent het gedrag en die wegens het ontbreken van opleidingen of het ontbreken van onafhankelijke deskundigen die de kennis kunnen toetsen, niet kunnen aantonen te beschikken over de vereiste competenties taalvaardigheid in de bron- of de doeltaal of kennis van de cultuur van het land of gebied van de bron- of doeltaal. De minister kan een instelling aanwijzen die deze lijst bijhoudt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers heeft de minister de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch aangewezen als de instelling die de lijst bijhoudt, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Wbtv (hierna: de Uitwijklijst).

De Raad voor Rechtsbijstand heeft voor de beoordeling van aanvragen tot plaatsing op de Uitwijklijst bij het Besluit Uitwijklijst Wbtv (Stcrt. 2009, 102; hierna: het Besluit Uitwijklijst) beleidsregels vastgesteld.

Volgens artikel 1 kan de Raad voor Rechtsbijstand, indien hij een verzoek van een tolk of vertaler om te worden ingeschreven in het Register voor beëdigde tolken en vertalers afwijst, de tolk of vertaler voor de betreffende talencombinatie of vertaalrichting(en) plaatsen op de Uitwijklijst indien:

- in de betreffende talencombinatie of vertaalrichting(en) geen door de Raad voor Rechtsbijstand erkende toets kan worden afgelegd;

- en de tolk of vertaler aantoonbaar beschikt over:

o aantoonbaar mbo-denk/werkniveau;

o en taalcompetenties in bron- en doeltaal op niveau B2 van het Europese referentiekader voor talen;

o en relevante werkervaring als tolk, respectievelijk vertaler;

- en de tolk of vertaler minimaal 8 punten scoort op de competentiematrix die als bijlage bij dit besluit is gevoegd.

Volgens de Bijlage criteria voor plaatsing op de Uitwijklijst (Stcrt. 2009, 111) moet een tolk of vertaler aan alle van onderstaande eisen voldoen om op de Uitwijklijst te kunnen worden geplaatst:

A. tenminste havo/mbo-diploma of een buitenlands diploma van vergelijkbaar niveau;

B. aantoonbare taalcompetentie op niveau B2 (ERK) in zowel bron- als doeltaal;

C. aantoonbare werkervaring als tolk respectievelijk vertaler;

D. tenminste 8 punten op grond van onderstaande claims:

1. moedertaalspreker + middelbaar onderwijs in die taal 4 punten

of

moedertaalspreker + hoger onderwijs in die taal 6 punten

2. lager onderwijs in het taalgebied van de voor 2 punten

betrokkene vreemde taal

of

middelbaar onderwijs in het taalgebied van de voor 3 punten

betrokkene vreemde taal

of

hoger onderwijs in het taalgebied van de voor 5 punten

betrokkene vreemde taal

3. taalstudie (niveau hoger onderwijs) van de voor 4 punten

betrokkene vreemde taal

4. 1 jaar werkervaring (anders dan tolk of vertaler) in 2 punten

het taalgebied van de voor betrokkene vreemde taal

of

tenminste 2 jaar werkervaring in het taalgebied van 3 punten

de voor betrokkene vreemde taal

5. (deel-)certificaat van een tolk- of vertaleropleiding 2 punten

2.2. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. De minister heeft bij de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers aan de Raad voor Rechtsbijstand mandaat verleend ten aanzien van aan de minister toekomende in de Regeling genoemde bevoegdheden en handelingen betreffende aangelegenheden bedoeld in de Wbtv. Aan de Raad is evenwel niet mandaat verleend voor de vaststelling van beleidsregels. Daarvoor is ingevolge afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gelezen in samenhang met artikel 4:81 van die wet een afzonderlijk mandaat vereist. Nu dit mandaat pas bij besluit van 13 januari 2011 is verleend en het Besluit Uitwijklijst per die datum door de minister met terugwerkende kracht is bekrachtigd (Stcrt. 2011, 1030), bevatte het Besluit Uitwijklijst ten tijde van de behandeling van het beroep bij de rechtbank geen bevoegdelijk vastgestelde beleidsregels als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 augustus 2011 in zaak nr. 201100163/1/H3) betekent dit echter niet dat de minister bij de beoordeling van de aanvraag de in het Besluit Uitwijklijst opgenomen beleidsregels niet mocht betrekken. De minister heeft het Besluit Uitwijklijst sinds de vaststelling op 25 mei 2009 bij de beoordeling van alle aanvragen toegepast. Het Besluit Uitwijklijst dient daarom te worden geduid als een vaste gedragslijn. De rechtbank heeft het Besluit Uitwijklijst derhalve terecht, zij het op onjuiste gronden, bij de beoordeling van het besluit van 16 november 2010 betrokken.

2.3. De minister heeft geweigerd [appellant] als tolk op de Uitwijklijst te plaatsen, omdat hij niet voldoet aan de vereisten vermeld onder B en D van de Bijlage criteria voor plaatsing op de Uitwijklijst. Volgens de minister heeft [appellant] niet aangetoond dat hij het Nederlands op niveau B2 beheerst. Dit geldt evenzeer voor het Arabisch (Syrisch-Libanees, Irakees, Golfstaten, Egyptisch, Soedanees en Saoedisch) en Assyrisch-Aramees. Daarnaast voldoet [appellant] volgens de minister alleen aan claim D4 van de competentiematrix, hetgeen slechts 3 punten oplevert.

2.4. Het hoger beroep heeft alleen betrekking op de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten [appellant] niet te plaatsen op de Uitwijklijst als tolk Nederlands - Arabisch (standaard en Irakees) en Nederlands - Assyrisch-Aramees.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat hij het Nederlands wel aantoonbaar op niveau B2 beheerst. Ter ondersteuning van deze stelling heeft hij een uitnodigingsbrief en resultatenlijst overgelegd van een door hem in augustus 1989 afgelegd Interuniversitair Toelatingsexamen Nederlands en twee verklaringen van een onderwijscoördinator van de Vrije Universiteit van 16 november 2010 en 18 februari 2011. Volgens hem heeft de rechtbank, evenals de minister, het door hem afgelegde Interuniversitair Toelatingsexamen Nederlands verward met een door hem in oktober 1988 gevolgde cursus Nederlands als tweede taal op niveau 3.

2.5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister, gelet op een door hem overgelegde verklaring van de Universiteit van Amsterdam van 4 februari 2010, aannemelijk heeft gemaakt dat de cursus Nederlands als tweede taal op niveau 3 niet gelijk staat aan het huidige niveau B2. [appellant] betoogt evenwel terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij naast het volgen van deze cursus eveneens het Interuniversitair Toelatingsexamen Nederlands heeft afgelegd. Uit de door [appellant] overgelegde resultatenlijst van dat examen blijkt dat hij hiervoor een score van 72% heeft behaald. Aangezien voor een voldoende een score van 65% was vereist, heeft hij dat examen ruim voldoende gehaald. De onderwijscoördinator van de Vrije Universiteit heeft op 16 november 2010 verklaard dat het Interuniversitair Toelatingsexamen Nederlands een niveau heeft dat gelijkstaat aan niveau B2+/C1. Op 18 februari 2011 heeft hij deze verklaring bevestigd en daarbij nader toegelicht dat het examen toegang gaf tot een Nederlandstalige studie aan een Nederlandstalige universiteit en daarom vergelijkbaar is met het huidige Staatsexamen NT2 Programma II. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verklaring van de onderwijscoördinator van de Vrije Universiteit onjuist is. Uit voormelde verklaring van de Universiteit van Amsterdam van 4 februari 2010 volgt eveneens dat het Staatsexamen NT2 Programma II gelijk staat aan het taalniveau B2.

Gelet op het voorgaande heeft [appellant] naar het oordeel van de Afdeling aangetoond dat hij het Nederlands beheerst op niveau B2.

Het betoog slaagt.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat hij het Assyrisch-Aramees en het Arabisch (Irakees) op niveau B2 beheerst. Ter ondersteuning van deze stelling heeft hij een diploma van bekwaamheid in het Assyrisch-Aramees overgelegd, uitgereikt door een kerkelijke instelling in Syrië in 1984, alsmede een verklaring, gedateerd 12 februari 2011, van dr. Teule, hoogleraar aan het Instituut voor Oosters Christendom van de Radboud Universiteit Nijmegen. Voorts is Assyrisch-Aramees zijn moedertaal en heeft hij bij zijn jarenlange tolkwerkzaamheden bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) uitgebreide ervaring opgedaan als tolk Nederlands - Assyrisch-Aramees en Nederlands - Arabisch (Irakees), aldus [appellant].

2.6.1. De Afdeling gaat voorbij aan het verweer van de minister dat de verklaring van 12 februari 2011 in een te laat stadium in de procedure is ingebracht en daarom buiten beschouwing moet worden gelaten. Deze verklaring vormt een nadere motivering van een door [appellant] reeds in bezwaar en beroep ingenomen stelling. Tevens is de minister voldoende in de gelegenheid geweest om inhoudelijk op deze verklaring te reageren, hetgeen hij blijkens het verweerschrift ook heeft gedaan.

2.6.2. Niet in geschil is dat [appellant] het Arabisch (standaard) op niveau B2 beheerst.

Ten aanzien van het Arabisch (Irakees) is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij deze taal op niveau B2 beheerst. Ook de in hoger beroep overgelegde verklaring van Teule dat [appellant], gezien zijn nationale en familiale achtergrond en zijn veelvuldige contacten met de christelijke gemeenschappen van Irak, een goede kennis bezit van deze talen, is daartoe onvoldoende.

Ten aanzien van het Assyrisch-Aramees overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat Assyrisch-Aramees een moedertaal van [appellant] is en dat hij in Syrië in 1984 een diploma van bekwaamheid in het Assyrisch-Aramees heeft behaald. De minister heeft dat diploma ter waardering voorgelegd aan de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs, het Nuffic. Het Nuffic heeft het diploma echter niet kunnen waarderen, omdat het onvoldoende informatie bevat over de opleidingsinstantie, de inhoud en het niveau van de opleiding. Volgens de door [appellant] overgelegde verklaring van Teule, die onder meer Assyrisch-Aramees doceert, bewijst het diploma dat [appellant] een goede kennis bezit van het Assyrisch-Aramees. Teule heeft blijkens zijn verklaring [appellant] ook persoonlijk getest op zijn beheersing van het Assyrisch-Aramees en heeft op grond daarvan vastgesteld dat [appellant] deze taal schriftelijk en mondeling op uitstekend niveau beheerst en in staat is mondelinge en schriftelijke vertaalactiviteiten te verrichten.

Indien het Nuffic een overgelegd diploma niet kan waarderen, kan, naar de gemachtigde van de minister ter zitting heeft bevestigd, een verklaring van een deskundige dienen als vervangend bewijs, in dit geval als bewijs dat [appellant] het Assyrisch-Aramees op niveau B2 beheerst. De minister heeft zich evenwel op het standpunt mogen stellen dat de verklaring van Teule van 12 februari 2011 niet geschikt is om als dergelijk bewijs te dienen. Uit deze verklaring blijkt niet op welke wijze hij de beheersing van het Assyrisch-Aramees van [appellant] heeft getoetst. Evenmin blijkt hieruit op grond van welke resultaten hij een niveautypering heeft kunnen toekennen aan de taalbeheersing van [appellant]. De enkele verklaring dat Teule [appellant] persoonlijk heeft getest is onvoldoende.

Gezien het voorgaande heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat [appellant] met het overleggen van voormeld diploma en de verklaring van Teule van 12 februari 2011 niet heeft aangetoond dat hij het Assyrisch-Aramees op niveau B2 beheerst.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aan de vereiste minimale score van 8 punten op de competentiematrix heeft voldaan. Volgens hem behaalt hij bij claim D1 4 punten, bij claim D2 2 punten en bij claim D4 3 punten. Ten aanzien van claim D2 stelt hij zich op het standpunt dat hij weliswaar geen lager onderwijs heeft gevolgd in Nederland, maar hier te lande wel in totaal 17 jaar werkervaring heeft opgedaan op maatschappelijk, politiek en religieus terrein en het niveau van deze activiteiten minstens te waarderen is als lager onderwijs.

De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat [appellant] het niet redelijk vindt dat de minister in zijn geval niet afwijkt van de in het Besluit Uitwijklijst neergelegde gedragslijn.

2.7.1. Gelet op het overwogene onder 2.6.2. is thans alleen nog van belang of [appellant] ten aanzien van het Arabisch (standaard) tenminste 8 punten heeft behaald.

De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het Arabisch (standaard) als moedertaal noch als vreemde taal kan worden aangemerkt, zodat [appellant] bij claim D1 en D2 geen punten kan halen. [appellant] heeft in hoger beroep een verklaring overgelegd van dr. Leemhuis, Arabist en emeritus hoogleraar islamstudies aan de Rijksuniversiteit Groningen, van 7 november 2011, waarin deze samengevat weergegeven verklaart dat het in de Arabische linguïstiek gemeengoed is dat het Arabisch (standaard) en de verschillende omgangstalen geen verschillende talen zijn, en dat het door [appellant] gevolgde middelbaar onderwijs in het Arabisch (standaard) beschouwd moet worden als onderwijs in de moedertaal. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat niet in geschil is dat [appellant] vanaf zijn kindertijd het Arabisch (standaard) heeft gesproken, is de Afdeling anders dan de rechtbank van oordeel dat het Arabisch (standaard) in dit geval kan worden gelijkgesteld met een moedertaal van [appellant], als bedoeld in de competentiematrix.

Nu niet in geschil is dat [appellant] een middelbare schoolopleiding heeft genoten die in het Arabisch (standaard) is gegeven, behaalt hij bij claim D1 4 punten. Voorts is niet in geschil dat [appellant] tenminste twee jaar werkervaring heeft in Nederland, anders dan als tolk, zodat hij bij claim D4 3 punten behaalt. Dit leidt tot een score van 7 punten. De rechtbank heeft, zij het deels op onjuiste gronden, derhalve terecht overwogen dat [appellant] niet tenminste 8 punten op de competentiematrix heeft behaald, zodat hij niet voldoet aan vereiste D. Volgens het Besluit Uitwijklijst komt hij derhalve niet in aanmerking voor plaatsing op de Uitwijklijst.

De rechtbank heeft voorts terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, die in dit geval nopen tot afwijking van de in het Besluit Uitwijklijst neergelegde gedragslijn. De enkele omstandigheid dat [appellant] een jarenlange werkervaring heeft, zowel als tolk bij de IND als anders als tolk, kan niet als zodanige omstandigheid worden aangemerkt, nu dit reeds bij claim D4 in aanmerking is genomen. Bovendien heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem onmogelijk of onevenredig bezwarend is om via andere claims van de competentiematrix alsnog op een totaal van ten minste 8 punten te komen.

Gezien het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten [appellant] niet te plaatsen op de Uitwijklijst.

Het betoog faalt.

2.8. Het betoog van [appellant] dat de minister in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel, omdat hij andere tolken wel op de Uitwijklijst heeft geplaatst zonder dat deze meer behoefden aan te tonen dan dat zij werkervaring als tolk hadden, dient buiten beschouwing te blijven, aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en niet valt in te zien waarom deze grond niet reeds in beroep bij de rechtbank had kunnen worden aangevoerd.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Biharie

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2011

611.