Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7865

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
201111411/1/H3 en 201111411/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2011 heeft de RDW geweigerd om in het kentekenbewijs van het motorvoertuig met kenteken […] (hierna: het motorvoertuig) de vermelding "G3" op te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111411/1/H3 en 201111411/2/H3.

Datum uitspraak: 6 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, op het hoger beroep van:

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 30 september 2011 in zaak nr. 11/3145 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te Amsterdam,

en

de RDW.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2011 heeft de RDW geweigerd om in het kentekenbewijs van het motorvoertuig met kenteken […] (hierna: het motorvoertuig) de vermelding "G3" op te nemen.

Bij besluit van 30 mei 2011 heeft de RDW het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de RDW opgedragen om opnieuw op het gemaakte bezwaar te beslissen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2011, waar de RDW, vertegenwoordigd door mr. C. van der Berg, werkzaam in haar dienst, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 dienen bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers te zijn goedgekeurd voor toelating tot de weg.

Ingevolge het tweede lid kan die goedkeuring worden verleend als typegoedkeuring, dan wel, met betrekking tot voertuigen, voor een individueel voertuig.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Regeling aanpassing voertuigen (hierna: de Regeling) moet, alvorens tot inbouw wordt overgegaan, door middel van een ingangscontrole worden vastgesteld dat de onderdelen van de in te bouwen LPG-installatie aan de in bijlage X, hoofdstuk 5, afdeling 1, van de Regeling voertuigen gestelde eisen voldoen.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, moet de ingangscontrole aldus geschieden, dat ten aanzien van onderdelen die worden gemonteerd in voertuigen die moeten blijven voldoen aan het gestelde in het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging wordt vastgesteld dat, blijkens een door de RDW geautoriseerde verklaring, de informatie op de sticker overeenkomt met de relevante onderdelen van de LPG-installatie, alsmede het desbetreffende voertuig. Bij G3-gassystemen moet deze controle plaatsvinden aan de hand van de bijgeleverde documentatie en wordt met behulp van deze documentatie vastgesteld of de LPG-installatie voor het specifieke merk en type voertuig als G3-gassysteem is toegelaten.

2.3. [wederpartij] heeft de RDW verzocht om in het kentekenbewijs van het motorvoertuig de vermelding "G3" op te nemen, omdat zij in het motorvoertuig een G3-gasinstallatie heeft laten inbouwen. Aan het besluit van 21 januari 2011 heeft de RDW ten grondslag gelegd dat het motorvoertuig van het merk Daimler is en de ingebouwde G3-gasinstallatie slechts ten aanzien van motorvoertuigen van het merk Jaguar is goedgekeurd voor toelating tot de weg.

2.4. De rechtbank heeft de afwijzing van het verzoek aldus niet toereikend gemotiveerd geacht, nu [wederpartij] gemotiveerd heeft gesteld dat motorvoertuigen van de merken Daimler en Jaguar technisch identiek zijn, en overwogen dat de RDW evenmin ongemotiveerd voorbij mocht gaan aan de stelling van [wederpartij] dat in de kentekenbewijzen van motorvoertuigen van het merk Chevrolet de vermelding "G3" is opgenomen, terwijl de daarin ingebouwde G3-gasinstallaties ten aanzien van motorvoertuigen van het merk Daewoo waren goedgekeurd voor toelating tot de weg.

2.5. De RDW betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat het opnemen van de vermelding "G3" in het kentekenbewijs van een motorvoertuig van een ander merk dan van de motorvoertuigen, ten aanzien waarvan de in dat motorvoertuig ingebouwde G3-gasinstallatie voor toelating tot de weg is goedgekeurd, in strijd is met artikel 18, derde lid, aanhef en onder b, van de Regeling. In het besluit van 30 mei 2011 is voorts ingegaan op de stelling van [wederpartij] met betrekking tot motorvoertuigen van het merk Chevrolet, aldus de RDW.

2.5.1. Bij artikel 18, derde lid, aanhef en onder b, tweede volzin, van de Regeling is bepaald dat, voordat tot inbouw van een G3-gasinstallatie wordt overgegaan, vastgesteld moet worden dat deze installatie voor het merk van het desbetreffende motorvoertuig is toegelaten. Blijkens de desbetreffende typegoedkeuring is de in het motorvoertuig ingebouwde G3-gasinstallatie slechts ten aanzien van motorvoertuigen van het merk Jaguar goedgekeurd voor toelating tot de weg. Aangezien het motorvoertuig niet van het merk Jaguar is, betoogt de RDW terecht dat het opnemen van de vermelding "G3" in het kentekenbewijs van het motorvoertuig in strijd is met voormelde bepaling van de Regeling. Dat motorvoertuigen van de merken Daimler en Jaguar, als gesteld, technisch identiek zijn, doet daar niet aan af, daar voor de toelaatbaarheid van het inbouwen van een G3-gasinstallatie van belang is of de installatie is toegelaten voor motorvoertuigen van het merk van het desbetreffende motorvoertuig.

2.5.2. Voorts is de RDW in het besluit van 30 mei 2011 ingegaan op de stelling van [wederpartij] met betrekking tot motorvoertuigen van het merk Chevrolet. Vermeld is dat de typegoedkeuring van de desbetreffende G3-gasinstallaties, die oorspronkelijk ten aanzien van motorvoertuigen van het merk Daewoo was verleend, is uitgebreid naar motorvoertuigen van het merk Chevrolet en daarom geen beletsel bestond om in het kentekenbewijs van de betrokken motorvoertuigen de vermelding "G3" op te nemen. Met betrekking tot het door [wederpartij] in beroep aangevoerde geval van het motorvoertuig van het merk GMC, waarin een G3-gasinstallatie was ingebouwd die slechts ten aanzien van motorvoertuigen van het merk Chevrolet was toegelaten, is vermeld dat in het kentekenbewijs van dat motorvoertuig de vermelding "G3" is opgenomen, nadat de RDW had vastgesteld dat dat motorvoertuig ten onrechte niet als motorvoertuig van het merk Chevrolet was geregistreerd, hetgeen later is gecorrigeerd.

2.5.3. Gezien het voorgaande, gaat het niet om gelijke of gelijk te stellen gevallen en heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de RDW de afwijzing van het verzoek niet toereikend heeft gemotiveerd. Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzitter het tegen het besluit van 30 mei 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaren.

2.7. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.9. Redelijke toepassing van artikel 52, vijfde lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat de secretaris van de Raad van State aan de RDW het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht terugbetaalt.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 september 2011 in zaak nr. 11/3145;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek af;

V. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan de directie van de Dienst Wegverkeer het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. De Vries

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2011

582.