Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7859

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
201106585/1/H4 en 201106585/2/H4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2011 heeft het college aan Pack2pack een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een reconditioneringsbedrijf voor verpakkingen aan de Marsweg 3 te Zwolle. Dit besluit is op 4 mei 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2011/73 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106585/1/H4 en 201106585/2/H4.

Datum uitspraak: 7 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pack2pack Zwolle B.V., gevestigd te Zwolle,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2011 heeft het college aan Pack2pack een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een reconditioneringsbedrijf voor verpakkingen aan de Marsweg 3 te Zwolle. Dit besluit is op 4 mei 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft Pack2pack bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2011, beroep ingesteld. Bij deze brief heeft Pack2pack de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 oktober 2011, waar Pack2pack, vertegenwoordigd door W. Foppen, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Orie en A. van Konijnenburg, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het in de Invoeringswet Wabo opgenomen overgangsrecht volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. Pack2pack voert aan dat vergunningvoorschrift 2.4.3, onder j, wat de laatste volzin betreft niet werkbaar is, omdat het niet aan haar is om te bepalen welke informatie Material Safety Data Sheets en opschriften van verpakkingen bevatten. Dit wordt binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders bepaald door de producent van de verpakte stof, aldus Pack2pack.

2.4.1. Ingevolge voorschrift 2.4.3, onder j, moet in het A&V-beleid concreet worden uitgewerkt in welke gevallen de (voor)acceptatie zonder informatie over de aard van de in het productieproces gebruikte stoffen, Material Safety Data Sheets voor chemicaliën en opschriften van verpakkingen kan geschieden en in welke gevallen bovengenoemde informatie noodzakelijk is voor de beoordeling of de betreffende verpakkingen verwerkt kunnen worden. Ook moet worden uitgewerkt welke informatie Material Safety Data Sheets voor chemicaliën en opschriften van verpakkingen moeten bevatten om deze beoordeling mogelijk te maken.

2.4.2. Zoals ook ter zitting door het college is bevestigd, strekt de laatste volzin van voorschrift 2.4.3, onder j, er slechts toe dat Pack2pack moet uitwerken wanneer een Material Safety Data Sheet of een opschrift van een verpakking voldoende informatie bevat voor de beoordeling of de betrokken verpakking kan worden verwerkt. Niet valt in te zien dat dit niet van Pack2pack kan worden gevergd.

Deze beroepsgrond faalt.

2.5. Pack2pack voert aan dat de voorschriften 3.2.3 en 3.2.4 identiek zijn, zodat één van deze voorschriften dient te vervallen.

2.5.1. De voorschriften 3.2.3 en 3.2.4 komen volledig overeen, zodat één van deze voorschriften overbodig is. Het twee maal opnemen van hetzelfde voorschrift leidt echter niet tot rechtsonzekerheid of een extra belasting voor Pack2pack die niet in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geacht. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het bestreden besluit op dit punt te vernietigen.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Pack2pack voert aan dat voorschrift 3.2.5 overbodig is, omdat de daaraan voorafgaande voorschriften al leiden tot goed onderhouden en met zorg bediende zuiveringstechnische voorzieningen.

2.6.1. In de voorschriften 3.2.1 tot en met 3.2.4 is een aantal specifieke eisen opgenomen ten aanzien van zuiveringstechnische voorzieningen in de inrichting. Daarnaast is in voorschrift 3.2.5 bepaald dat bedoelde zuiveringstechnische voorzieningen in goede staat van onderhoud dienen te verkeren en met zorg dienen te worden bediend.

Zoals ook door het college ter zitting is opgemerkt, gaat het bij voorschrift 3.2.5 om een vangnetbepaling in aanvulling op de daaraan voorafgaande voorschriften. Een zekere overlap met die voorschriften is onvermijdelijk. Voor zover zich overlap voordoet, geeft dit op zichzelf geen aanleiding om het bestreden besluit in zoverre te vernietigen. Pack2pack heeft niet aannemelijk gemaakt dat voorschrift 3.2.5 leidt tot rechtsonzekerheid of een extra belasting voor Pack2pack die niet in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geacht.

Deze beroepsgrond faalt.

2.7. Pack2pack voert aan dat in voorschrift 3.7.1 ten onrechte een registratieverplichting is opgenomen ten aanzien van de acceptatie en verwerking van vaten en IBC's en de daarbij vrijkomende afval(water)stromen. Volgens Pack2pack is voorschrift 3.7.1 overbodig, sluit het niet aan bij haar bedrijfsvoering en is het onredelijk belastend, met name voor zover het verplicht om vaten en IBC's al naar gelang de stoffen die daarin hebben gezeten als afzonderlijke categorieën te registreren.

2.7.1. In voorschrift 3.7.1 is bepaald dat van de bedrijfsvoering een registratie dient te worden bijgehouden waarin ten minste de volgende gegevens dienen te worden vermeld:

a welke categorieën vaten en IBC's zijn verwerkt;

b welke verwerkingswijze/procesvoering bij de reiniging van de onder a vermelde vaten en IBC's is toegepast;

c welke categorieën afval(water)stromen van de onder b vermelde verwerkingswijze/procesvoering zijn vrijgekomen;

d welke hoeveelheden afval(water)stromen bij de onder c vermelde categorieën zijn vrijgekomen;

e op welke wijze deze afval(water)stromen zijn verwerkt, onderscheiden naar:

- afvoer naar derden;

- in eigen beheer;

- op een andere wijze;

f welke categorieën en hoeveelheden vaten en IBC's niet zijn geaccepteerd.

De wijze van registratie behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag. Vergunninghouder dient op verzoek van of namens het bevoegd gezag te allen tijde inzage te geven in de in dit voorschrift bedoelde registratie.

Onder voorschrift 3.7.1 is een toelichting opgenomen waarin is vermeld dat bij categorieën vaten en IBC's moet gedacht worden aan: voedingsmiddelen, minerale olie, oplosmiddelen, zepen, bestrijdingsmiddelen, reinigingsmiddelen, etc.

2.7.2. Voorschrift 3.7.1 is afgeleid van een model voor een lozingsvergunning dat is opgenomen in het rapport 'Afvalwaterproblematiek bij vatenwasserijen' uit 1993, dat in de Regeling aanwijzing BBT-documenten is genoemd als document waarmee het college rekening diende te houden bij het nemen van het bestreden besluit. Volgens het college is het betrokken model destijds in vrijwel alle vergunningen op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren opgenomen en staat het voorschrift ook in de huidige vergunning van de inrichting.

2.7.3. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat registratie van de acceptatie en verwerking van vaten en IBC's en de daarbij vrijkomende afval(water)stromen noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu. Voorschrift 3.7.1 bevat onder a tot en met f algemene eisen waaraan deze registratie ten minste moet voldoen. Hetgeen Pack2pack aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat deze algemene eisen als zodanig onredelijk bezwarend zijn. Dit is anders wat de bij voorschrift 3.7.1 behorende toelichting betreft. Met die toelichting, die moet worden geacht deel uit te maken van het voorschrift, wordt de in het voorschrift onder a gestelde eis van registratie van categorieën vaten en IBC's op zodanige wijze nader ingevuld dat Pack2pack wordt verplicht vaten en IBC's als afzonderlijke categorieën te registreren naar gelang de stoffen die zij hebben bevat. Het college heeft naar het oordeel van de voorzitter onvoldoende gemotiveerd waarom dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van het milieu. Het besluit berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet op een deugdelijke motivering.

Deze beroepsgrond slaagt deels.

2.8. Pack2pack voert aan dat in voorschrift 3.8.2 voor het bepalen van het gehalte aan chloride in te lozen afvalwater ten onrechte wordt verwezen naar NEN-EN-ISO 5667-3.

2.8.1. Het college heeft ter zitting erkend dat de verwijzing naar NEN-EN-ISO 5667-3 niet juist is. In zoverre is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Deze beroepsgrond slaagt.

2.9. Pack2pack voert aan dat bijlage 2 van de vergunningvoorschriften, waarnaar in voorschrift 7.2.1 wordt verwezen voor de ligging van de beoordelingspunten voor geluid, bij het bestreden besluit ontbreekt.

2.9.1. Bij het bestreden besluit ontbreekt bijlage 2 van de vergunningvoorschriften; bij dit besluit is een blanco bijlage opgenomen. Blijkens het verhandelde ter zitting was het de bedoeling van het college om bij het bestreden besluit dezelfde bijlage 2 op te nemen als bij het ontwerpbesluit. In zoverre is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Deze beroepsgrond slaagt.

2.10. Pack2pack voert aan dat in voorschrift 8.1.3, zij het met enigszins afwijkende bewoordingen, hetzelfde staat als in voorschrift 8.3.4, zodat één van deze voorschriften dient te vervallen. Indien met het ene voorschrift iets anders is beoogd dan met het andere, behoeven de voorschriften volgens Pack2pack in zoverre verduidelijking.

2.10.1. In voorschrift 8.1.3 is bepaald dat ongereinigde verpakkingen die (sterk) geurende stoffen bevatten of bevat hebben niet binnen de inrichting mogen worden verwerkt. Deze verpakkingen moeten luchtdicht gesloten worden bewaard en moeten zo spoedig mogelijk worden afgevoerd naar een externe verwerker. Het shredderen of persen van dergelijke verpakkingen is niet toegestaan.

In voorschrift 8.3.4 is bepaald dat ongereinigde verpakkingen die sterk geurende producten hebben bevat niet mogen worden be- of verwerkt en niet mogen worden geshredderd. Deze verpakkingen moeten luchtdicht gesloten blijven en worden afgevoerd naar een externe verwerker.

2.10.2. Zoals ter zitting door het college is bevestigd, is met de twee voorschriften hetzelfde beoogd. De voorschriften bevatten grotendeels dezelfde bewoordingen, zij het dat voorschrift 8.1.3 een iets ruimere reikwijdte heeft, zodat voorschrift 8.3.4 overbodig is. Het opnemen van dit voorschrift naast voorschrift 8.1.3 leidt echter niet tot rechtsonzekerheid of een extra belasting voor Pack2pack die niet in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geacht. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het bestreden besluit op dit punt te vernietigen.

Deze beroepsgrond faalt.

2.11. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover in voorschrift 3.8.2 voor het bepalen van het gehalte aan chloride in te lozen afvalwater wordt verwezen naar NEN-EN-ISO 5667-3, voor zover bij dit besluit bijlage 2 van de vergunningvoorschriften ontbreekt en voor zover onder voorschrift 3.7.1 de zinsnede 'Toelichting: Bij categorieën vaten en IBC's moet gedacht worden aan: voedingsmiddelen, minerale olie, oplosmiddelen, zepen, bestrijdingsmiddelen, reinigingsmiddelen, etc.' is opgenomen. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.12. Pack2pack en het college zijn het er over eens zijn dat in voorschrift 3.8.2 voor het bepalen van het gehalte aan chloride in te lozen afvalwater moet worden verwezen naar NEN 6604. Zij zijn het er voorts over eens dat bij het bestreden besluit dezelfde bijlage 2 van de vergunningvoorschriften als bij het ontwerpbesluit moet worden opgenomen. De voorzitter ziet hierin aanleiding op na te melden wijze in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover dat is vernietigd.

2.13. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.14. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 28 april 2011, kenmerk 2011/0085636, voor zover in voorschrift 3.8.2 voor het bepalen van het gehalte aan chloride in te lozen afvalwater wordt verwezen naar NEN-EN-ISO 5667-3, voor zover bij dit besluit bijlage 2 van de vergunningvoorschriften ontbreekt en voor zover onder voorschrift 3.7.1 de zinsnede 'Toelichting: Bij categorieën vaten en IBC's moet gedacht worden aan: voedingsmiddelen, minerale olie, oplosmiddelen, zepen, bestrijdingsmiddelen, reinigingsmiddelen, etc.' is opgenomen;

III. bepaalt dat 'NEN-EN-ISO 5667-3' in voorschrift 3.8.2 wordt vervangen door 'NEN 6604';

IV. bepaalt dat als bijlage 2 van de vergunningvoorschriften geldt bijlage 2 zoals opgenomen bij het ontwerpbesluit van 5 januari 2011, kenmerk 2011/0002363;

V. bepaalt dat deze uitspraak voor zover het betreft III en IV in de plaats treedt van het besluit van 28 april 2011 voor zover dat is vernietigd;

VI. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VII. wijst het verzoek af;

VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pack2pack Zwolle B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pack2pack Zwolle B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 604,00 (zegge: zeshonderdvier euro) voor de behandeling van het beroep en het verzoek vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011

462.