Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7538

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
12-12-2011
Zaaknummer
201005583/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit het bepaalde in artikel 3.90 van het Vb 2000 niet dat bij de beoordeling of de vreemdeling aan de voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 3.51, tweede lid, van het Vb 2000, heeft voldaan, tevens betekenis toekomt aan het feit dat de samenwoning is verbroken indien de vreemdeling de persoon bij wie verblijf is toegestaan wegens gewelddaden heeft verlaten. Artikel 3.90 van het Vb 2000 behelst slechts een uitzondering op de bevoegdheid van de minister een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te trekken. Uit het feit dat in het in 2.2.5. genoemde besluit van 16 november 2009, waarbij intrekking van de verblijfsvergunning achterwege is gelaten voor de periode dat de samenwoning tijdelijk was verbroken, toepassing is gegeven aan artikel 3.90 van het Vb?2000 volgt derhalve niet dat wat voornoemde periode betreft toch van samenwoning moet worden uitgegaan. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat een vreemdeling, indien deze niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.51 van het Vb?2000, volgens het in rechtsoverweging 2.2.4. weergegeven beleid, wegens klemmende redenen van humanitaire aard, waaronder aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie, voortgezet verblijf kan worden verleend op grond van artikel 3.52 van het Vb 2000, hetgeen in het thans aan de orde zijnde besluit van 16 november 2009 ook is gedaan.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.51
Vreemdelingenbesluit 2000 3.52
Vreemdelingenbesluit 2000 3.90
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005583/1/V2.

Datum uitspraak: 7 december 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 10 mei 2010 in zaak nr. 09/43820 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd krachtens artikel 3.51 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) afgewezen.

Bij besluit van 16 november 2009 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard en aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd krachtens artikel 3.52 van het Vb 2000 met ingang van 4 november 2009 verleend. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 juni 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2.2. In de enige grief klaagt de minister, samengevat en zakelijk weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep gegrond is, reeds omdat artikel 3.90 van het Vb 2000 aldus moet worden uitgelegd dat een tijdelijke verbreking van de samenwoning als bedoeld in die bepaling niet alleen geen grond kan vormen voor intrekking, maar evenmin grond kan vormen voor de weigering van de verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, en derhalve voor de weigering van een verblijfsvergunning in het kader van artikel 3.51 van het Vb 2000.

2.2.1. Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000, voor zover hier van belang, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming verleend, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 genoemde voorwaarden.

Ingevolge artikel 3.17, aanhef en onder a, van het Vb 2000, voor zover hier van belang, wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend, indien de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.

2.2.2. Ingevolge artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming met een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht.

Ingevolge het tweede lid kan de verblijfsvergunning worden verleend, indien in de in het eerste lid bedoelde periode is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.

Ingevolge artikel 3.52 van het Vb 2000 kan, in andere gevallen dan genoemd in de artikelen 3.50 en 3.51, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000 heeft gehad en van wie naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.

2.2.3. Ingevolge artikel 3.90, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, die is verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, niet ingetrokken op de enkele grond dat de samenwoning tijdelijk is verbroken, indien de vreemdeling de persoon bij wie verblijf is toegestaan wegens gewelddaden heeft verlaten.

2.2.4. Volgens paragraaf B16/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals deze gold ten tijde van het besluit van 16 november 2009 en voor zover hier van belang, kan, indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van artikel 3.50 of 3.51 van het Vb 2000, wegens klemmende redenen van humanitaire aard voortgezet verblijf worden toegestaan op grond van artikel 3.52 van het Vb 2000. Klemmende redenen van humanitaire aard kunnen volgens deze paragraaf onder meer gelegen zijn in aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie. Geweld, dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie, wordt aangetoond aan de hand van een proces-verbaal van de aangifte en een verklaring van een (vertrouwens)arts.

2.2.5. Bij onderscheiden besluit van 16 november 2009 heeft de minister onder meer het door de vreemdeling gemaakte bezwaar gericht tegen een besluit, waarbij onder meer de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht was ingetrokken voor de periode dat de samenwoning tijdelijk verbroken was, gegrond verklaard en deze intrekking met toepassing van artikel 3.90 van het Vb 2000 ongedaan gemaakt. Dit besluit staat in rechte vast.

2.2.6. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit het bepaalde in artikel 3.90 van het Vb 2000 niet dat bij de beoordeling of de vreemdeling aan de voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 3.51, tweede lid, van het Vb 2000, heeft voldaan, tevens betekenis toekomt aan het feit dat de samenwoning is verbroken indien de vreemdeling de persoon bij wie verblijf is toegestaan wegens gewelddaden heeft verlaten. Artikel 3.90 van het Vb 2000 behelst slechts een uitzondering op de bevoegdheid van de minister een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te trekken. Uit het feit dat in het in 2.2.5. genoemde besluit van 16 november 2009, waarbij intrekking van de verblijfsvergunning achterwege is gelaten voor de periode dat de samenwoning tijdelijk was verbroken, toepassing is gegeven aan artikel 3.90 van het Vb 2000 volgt derhalve niet dat wat voornoemde periode betreft toch van samenwoning moet worden uitgegaan. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat een vreemdeling, indien deze niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.51 van het Vb 2000, volgens het in rechtsoverweging 2.2.4. weergegeven beleid, wegens klemmende redenen van humanitaire aard, waaronder aantoonbaar ondervonden (seksueel)

geweld binnen de familie, voortgezet verblijf kan worden verleend op grond van artikel 3.52 van het Vb 2000, hetgeen in het thans aan de orde zijnde besluit van 16 november 2009 ook is gedaan. De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 16 november 2009 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

2.4. In beroep heeft de vreemdeling betoogd dat de ingangsdatum van het verblijfsrecht had moeten worden vastgesteld op 30 september 2008, in aansluiting op de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf bij partner [partner]. In dit kader heeft hij betoogd dat hij reeds bij brief van 22 december 2008 heeft aangevoerd dat hij slachtoffer is geweest van huiselijk geweld.

2.4.1. Bij besluit van 16 november 2009 is aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend krachtens artikel 3.52 van het Vb 2000, met als ingangsdatum 4 november 2009. Daarbij is vermeld dat het in bezwaar gevoerde betoog over gewelddaden van de partner tijdens de hoorzitting op 20 oktober 2009 en bij brief van 4 november 2009 nader is onderbouwd en dat laatstelijk op die datum is gebleken dat aan de voorwaarden voor verlening wordt voldaan. In het verweerschrift heeft de minister het besluit nader toegelicht en gesteld dat de vreemdeling met de brief van 22 december 2008 niet heeft aangetoond dat sprake was van huiselijk geweld, aangezien hij daarbij geen afschrift van aangifte bij de politie en een verklaring van een (vertrouwens)arts heeft overgelegd en hij dus op dat moment niet voldeed aan de voorwaarden van paragraaf B16/7 van de Vc 2000. Tijdens de hoorzitting heeft de vreemdeling nader verklaard over het gestelde huiselijk geweld en meegedeeld dat hij zal proberen een artsenverklaring te krijgen. Bij brief van 4 november 2009 heeft de vreemdeling te kennen gegeven dat geen verklaring van een (vertrouwens)arts kon worden afgegeven. Eerst toen heeft de minister aangenomen dat de vreemdeling niet meer bewijsmiddelen kon aandragen om het huiselijk geweld aan te tonen, heeft hij hem het voordeel van de twijfel gegund en aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf verleend met ingang van de datum van ontvangst van die laatste brief. De minister verwijst in het verweerschrift naar de brief van de minister van Justitie van 28 juli 2008 (Kamerstukken II, 2007/08, 19 637, nr. 1217), waarin is aangekondigd dat in de toekomst meer gegevens als bewijs voor huiselijk geweld worden geaccepteerd.

2.4.2. Onder deze omstandigheden is er geen grond voor het oordeel dat de minister, gelet op de in 2.4.1. weergegeven motivering en de grote mate van beoordelingsvrijheid die artikel 3.52 van het Vb 2000 hem biedt, niet in redelijkheid de verblijfsvergunning heeft kunnen verlenen met ingang van 4 november 2009, het moment dat hij aangetoond heeft geacht dat van de vreemdeling wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat. De beroepsgrond faalt.

2.5. Het inleidende beroep dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 10 mei 2010 in zaak nr. 09/43820;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M.G.J. Parkins de Vin, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Bossmann

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011

314-681.

Verzonden: 7 december 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser