Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7533

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2011
Datum publicatie
12-12-2011
Zaaknummer
201000581/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit hetgeen hiervoor onder 2.2. en 2.2.1 is weergegeven, volgt dat de vreemdeling vanaf 23 oktober 2005 meer dan één jaar legale arbeid in dienst van één en dezelfde werkgever heeft verricht. Voorts is gesteld noch gebleken van enig frauduleus handelen, als bedoeld in het arrest Kol, en heeft de intrekking plaatsgevonden na afloop van het tijdvak van één jaar legale arbeid. Gelet op hetgeen het Hof voor recht heeft verklaard, stond het de minister in dit geval dan ook niet vrij de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 16 mei 2006 in te trekken. Hieruit volgt ook dat de minister in het opnieuw te nemen besluit op het gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zal moeten beoordelen of aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf ingevolge artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80 is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201000581/1/V3.

Datum uitspraak: 5 december 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Justitie, thans de minister voor Immigratie en Asiel

2. [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 23 december 2009 in zaken nrs. 09/22628, 09/22629 en 09/22630 in de gedingen tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2009 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en deze verblijfsvergunning ingetrokken.

Bij onderscheiden besluiten van 27 mei 2009 heeft de staatssecretaris de daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 23 december 2009, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter van rechtbank, voor zover thans van belang het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit, waarbij de afwijzing van de aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is gehandhaafd, vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 januari 2010, en de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 januari 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

De vreemdeling en de minister hebben een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 24 juli 2009 in zaak nr. 200804679/1/V3 en van 13 april 2010 in zaak nr. 200905702/1/V3 heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de door haar gestelde vragen. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Naar aanleiding van deze uitspraken heeft de Afdeling partijen bericht dat de behandeling van onderhavige zaak wordt aangehouden in afwachting van het antwoord van het Hof.

Bij arrest van 9 december 2010 in gevoegde zaken C-300/09 en C-301/09 (hierna: het arrest Toprak en Oguz) en van 29 september 2011 in zaak C-187/10 (hierna: het arrest Unal) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna eveneens: het Hof) de gestelde vragen beantwoord. Deze arresten zijn aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder minister tevens diens rechtsvoorgangers verstaan.

2.2. De vreemdeling is op [datum] 2003 te [plaats] in Turkije in het huwelijk getreden met [de echtgenote] (hierna: de echtgenote). Bij besluit van 30 januari 2004 is aan hem met ingang van 6 oktober 2003, met een geldigheidsduur tot 6 oktober 2004, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij echtgenote verleend. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is vervolgens verlengd tot 14 november 2008.

Het huwelijk tussen de vreemdeling en de echtgenote is op 18 mei 2006 feitelijk verbroken en is op 5 juli 2007 door echtscheiding ontbonden. Op 19 september 2008 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend om wijziging van de aan zijn verblijfsvergunning verbonden beperking in voortgezet verblijf.

2.2.1. De vreemdeling heeft op 31 mei 2005 een uitzendovereenkomst met Uitzendbureau [uitzendbureau] B.V. te Haarlem gesloten en op basis van deze overeenkomst met ingang van 23 oktober 2005 arbeid verricht. Op 13 september 2007 heeft de vreemdeling een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur met voormeld uitzendbureau gesloten. De vreemdeling heeft ook op basis van deze overeenkomst arbeid verricht.

<u>in het hoger beroep van de minister</u>

2.3. In deze zaak heeft het huwelijk van de vreemdeling ten minste drie jaar standgehouden en heeft hij meer dan één jaar, maar minder dan drie jaar beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij echtgenote.

Voor het wettelijke kader dat in deze zaak van toepassing is en de gestelde vraag wordt verwezen naar de uitspraak van 24 juli 2009.

2.3.1. Het Hof heeft in het arrest Toprak en Oguz op de gestelde vraag voor recht verklaard:

<small>In omstandigheden als die van de hoofdgedingen, die betrekking hebben op een nationale bepaling inzake de verkrijging van een verblijfsvergunning door Turkse werknemers, moet artikel 13 van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, genomen door de Associatieraad die is ingesteld bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, in die zin worden uitgelegd dat een aanscherping van een na 1 december 1980 ingevoerde bepaling, die een versoepeling vormde van de op 1 december 1980 toepasselijke bepaling, een „nieuwe beperking” vormt in de zin van dat artikel, ook wanneer door deze aanscherping de voorwaarden voor verkrijging van de vergunning ten opzichte van de voorwaarden uit hoofde van de bepaling die van kracht was op 1 december 1980 niet strenger worden, hetgeen ter beoordeling staat van de nationale rechter.</small>

2.3.2. In de uitspraak van 24 juli 2009 is, kort samengevat, in overweging 2.9, gelezen in samenhang met de overwegingen 2.11 en 2.12, vastgesteld dat de op 1 december 1980 geldende beleidsregel over voortgezet verblijf na verbreking huwelijk op 1 februari 1983 is versoepeld en dat deze versoepeling op 1 april 2001 is vervallen.

2.3.3. Gelet op hetgeen het Hof voor recht heeft verklaard, betekent dat ook in deze zaak dat het vervallen van voormelde versoepeling een bij artikel 13 van besluit nr. 1/80 verboden "nieuwe" beperking vormt, zodat minister met inachtneming van de op 1 februari 1983 geldende beleidsregel over voortgezet verblijf na verbreking huwelijk op het gemaakte bezwaar had dienen te beslissen.

De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht, samengevat, overwogen dat een aanscherping van het beleid, na de eerdere versoepeling daarvan, een verboden "nieuwe" beperking in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 is. De enige grief, die gelijkluidend is aan de in zaak nr. 200804679/1/V3 voorgedragen eerste grief, faalt.

2.4. Het hoger beroep van de minister is kennelijk ongegrond.

<u>in het hoger beroep van de vreemdeling</u>

2.5. Het betoog van de minister in het verweerschrift dat het hoger beroep niet tijdig is ingesteld, zodat het niet-ontvankelijk is, faalt. Bij brief van 3 februari 2010 heeft de vreemdeling met een door TNT Post aangebracht poststempel aangetoond dat het hoger beroep op 20 januari 2010, derhalve voor afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep, ter post is bezorgd.

2.6. Voor het wettelijke kader dat in deze zaak van toepassing is en de gestelde vraag wordt verwezen naar de uitspraak van 13 april 2010.

2.6.1. De vreemdeling klaagt in grief 2 dat de voorzieningenrechter ten onrechte, samengevat, heeft overwogen dat de minister terecht en op goede gronden de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 18 mei 2006 heeft ingetrokken en dat, omdat hij sinds die datum niet meer voldeed aan de aan deze verblijfsvergunning verbonden beperking niet langer sprake was van een stabiele en niet-voorlopige situatie op de arbeidsmarkt, daarom niet langer werd voldaan aan de voorwaarden voor legale arbeid, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80. De vreemdeling klaagt ook dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij op 18 mei 2006 niet één jaar, maar slechts bijna zeven maanden legale arbeid bij één werkgever heeft verricht, zodat de minister terecht heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf ingevolge artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80.

Daartoe voert de vreemdeling, samengevat, aan dat uit het arrest van Hof van 5 juni 1997, C-285/95, Kol (www.eur-lex.europa.eu; hierna: het arrest Kol) en het arrest van 18 december 2008, C-337/07, Altun (www.curia.europa.eu) kan worden afgeleid dat in dit geval, waarin van frauduleus handelen geen sprake is, het rechtszekerheidsbeginsel zich verzet tegen de intrekking met terugwerkende kracht van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, zodat de door hem verrichte arbeid tot aan het moment van de aanvraag op 19 september 2008 als legaal in de zin van voormeld artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 moet worden aangemerkt.

2.6.2. Het Hof heeft in het arrest Unal op de gestelde vraag voor recht verklaard:

<small>Artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie, vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de bevoegde nationale autoriteiten de verblijfsvergunning van een Turkse werknemer met terugwerkende kracht intrekken tot de datum waarop niet langer werd voldaan aan de nationaalrechtelijke grond voor verlening van zijn vergunning, wanneer genoemde werknemer zich niet schuldig heeft gemaakt aan enig frauduleus handelen en deze intrekking plaatsvindt na afloop van het tijdvak van een jaar legale arbeid als voorzien in genoemd artikel 6, lid 1, eerste streepje. </small>

2.6.3. Uit hetgeen hiervoor onder 2.2. en 2.2.1 is weergegeven, volgt dat de vreemdeling vanaf 23 oktober 2005 meer dan één jaar legale arbeid in dienst van één en dezelfde werkgever heeft verricht. Voorts is gesteld noch gebleken van enig frauduleus handelen, als bedoeld in het arrest Kol, en heeft de intrekking plaatsgevonden na afloop van het tijdvak van één jaar legale arbeid. Gelet op hetgeen het Hof voor recht heeft verklaard, stond het de minister in dit geval dan ook niet vrij de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 16 mei 2006 in te trekken.

Hieruit volgt ook dat de minister in het opnieuw te nemen besluit op het gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zal moeten beoordelen of aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf ingevolge artikel 6, eerste lid, van besluit nr. 1/80 is voldaan.

Grief 2 slaagt.

2.7. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden vernietigd. Hetgeen de vreemdeling overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 27 mei 2009, waarbij de intrekking van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is gehandhaafd, gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. De minister dient alsnog een nieuw besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.8. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 23 december 2009 in zaak nr. 09/22628;

IV. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

V. vernietigt het besluit van de minister van Justitie van 27 mei 2009, kenmerk 6320-13-0744;

VI. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de minister voor Immigratie en Asiel aan de vreemdeling het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieentwintig euro ) vergoedt;

VIII. bepaalt dat van de minister voor Immigratie en Asiel een griffierecht van € 447,00 (zegge: vierhonderzevenenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2011

347.

Verzonden: 5 december 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser