Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7527

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
12-12-2011
Zaaknummer
200907949/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 6?juli?2009 in zaak nr.?200901280/1 - www.raadvanstate.nl) heeft, indien de vreemdeling ter staving van zijn identiteit en herkomst een paspoort heeft overgelegd waarvan de echtheid is vastgesteld door de Koninklijke Marechaussee, dan wel het onder verantwoordelijkheid van de staatssecretaris werkend Bureau documenten, hij daarmee voldaan aan de uit artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 voortvloeiende rechtsplicht zijn gestelde identiteit en af- en/of herkomst aannemelijk te maken. In dat geval staat het de staatssecretaris niet vrij aan dat paspoort geen waarde te hechten louter op basis van bij hem gerezen twijfel, ingegeven door de wijze waarop het paspoort is afgegeven en onduidelijkheid over de brondocumenten op basis waarvan het is afgegeven. Als de staatssecretaris het paspoort buiten beschouwing wil laten, ligt het op zijn weg daarnaar onderzoek te laten verrichten bij de Iraakse autoriteiten. Indien hij er evenwel voor kiest dat onderzoek achterwege te laten, dient hij uit te gaan van de in het paspoort vermelde gegevens. Reeds bij zijn eerste aanvraag heeft de vreemdeling een geldig Iraaks paspoort overgelegd uit de S-serie, waarop is vermeld dat hij op 15?januari 1987 in Mosul is geboren. Van dit paspoort is toen door het Bureau documenten vastgesteld dat het echt is. De staatssecretaris heeft sindsdien naar het paspoort geen onderzoek laten verrichten bij de Iraakse autoriteiten, noch te kennen gegeven dit onderzoek achterwege te willen laten. In plaats daarvan heeft hij ook in deze procedure volhard in zijn standpunt dat de vreemdeling er met het overleggen van dat paspoort niet in is geslaagd zijn identiteit en afkomst uit CentraalIrak aannemelijk te maken, omdat het paspoort is afgegeven op basis van documenten, waarvan door het Bureau documenten is vastgesteld dat deze vals zijn. De rechtbank heeft onder verwijzing naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2009 overwogen dat het besluit daarmee onzorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen. Hoewel de vreemdeling met het overleggen van het paspoort al in de eerste procedure had voldaan aan de uit artikel 31, eerste lid, van de Vw?2000 voortvloeiende rechtsplicht zijn identiteit en afkomst uit CentraalIrak aannemelijk te maken, heeft voormelde handelwijze van de staatssecretaris tot gevolg dat ook thans nog niet vaststaat of hij van de door de vreemdeling gestelde identiteit en afkomst uitgaat. Evenmin is duidelijk of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was of is van een rechtsgrond voor verlening, indien van de in het paspoort vermelde gegevens was uitgegaan en welke gevolgen dat heeft voor het op de aanvraag te nemen besluit. Het was in de eerste plaats aan de staatssecretaris en niet aan de rechtbank om daarover een standpunt in te nemen. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank ten onrechte grond gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200907949/1/V2.

Datum uitspraak: 6 december 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 8 september 2009 in zaak nr. 08/37766 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2008 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 september 2009, verzonden op 16 september 2009, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In het hogerberoepschrift klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten aanzien van het door hem overgelegde Iraakse paspoort ten onrechte heeft overwogen dat ook indien de vreemdeling daarmee zijn afkomst uit Centraal Irak alsnog aannemelijk zou hebben gemaakt, dit niet kan afdoen aan de afwijzing van zijn eerdere aanvraag hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Hij voert daartoe aan dat de staatssecretaris er in de eerdere procedures bij de beoordeling of hij aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een rechtsgrond voor verlening van is uitgegaan dat zijn identiteit en afkomst uit Centraal-Irak niet geloofwaardig zijn, respectievelijk dat hij afkomstig is uit Noord-Irak. Niet is beoordeeld of hij in aanmerking kwam voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, bijvoorbeeld krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), indien van zijn afkomst uit Centraal-Irak wordt uitgegaan. Het is aan de staatssecretaris en niet de rechtbank te beoordelen of hij in dat geval alsnog aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het indienen van de aanvraag sprake was van een rechtsgrond voor verlening en, zo dat het geval is, welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden. Voor het instandlaten van de rechtsgevolgen bestond dan ook geen grond, aldus de vreemdeling.

2.1.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 6 juli 2009 in zaak nr. 200901280/1 - www.raadvanstate.nl) heeft, indien de vreemdeling ter staving van zijn identiteit en herkomst een paspoort heeft overgelegd waarvan de echtheid is vastgesteld door de Koninklijke Marechaussee, dan wel het onder verantwoordelijkheid van de staatssecretaris werkend Bureau documenten, hij daarmee voldaan aan de uit artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 voortvloeiende rechtsplicht zijn gestelde identiteit en af- en/of herkomst aannemelijk te maken. In dat geval staat het de staatssecretaris niet vrij aan dat paspoort geen waarde te hechten louter op basis van bij hem gerezen twijfel, ingegeven door de wijze waarop het paspoort is afgegeven en onduidelijkheid over de brondocumenten op basis waarvan het is afgegeven. Als de staatssecretaris het paspoort buiten beschouwing wil laten, ligt het op zijn weg daarnaar onderzoek te laten verrichten bij de Iraakse autoriteiten. Indien hij er evenwel voor kiest dat onderzoek achterwege te laten, dient hij uit te gaan van de in het paspoort vermelde gegevens.

2.1.2. Reeds bij zijn eerste aanvraag heeft de vreemdeling een geldig Iraaks paspoort overgelegd uit de S-serie, waarop is vermeld dat hij op 15 januari 1987 in Mosul is geboren. Van dit paspoort is toen door het Bureau documenten vastgesteld dat het echt is. De staatssecretaris heeft sindsdien naar het paspoort geen onderzoek laten verrichten bij de Iraakse autoriteiten, noch te kennen gegeven dit onderzoek achterwege te willen laten. In plaats daarvan heeft hij ook in deze procedure volhard in zijn standpunt dat de vreemdeling er met het overleggen van dat paspoort niet in is geslaagd zijn identiteit en afkomst uit Centraal Irak aannemelijk te maken, omdat het paspoort is afgegeven op basis van documenten, waarvan door het Bureau documenten is vastgesteld dat deze vals zijn. De rechtbank heeft onder verwijzing naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2009 overwogen dat het besluit daarmee onzorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen.

2.1.3. Hoewel de vreemdeling met het overleggen van het paspoort al in de eerste procedure had voldaan aan de uit artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 voortvloeiende rechtsplicht zijn identiteit en afkomst uit Centraal Irak aannemelijk te maken, heeft voormelde handelwijze van de staatssecretaris tot gevolg dat ook thans nog niet vaststaat of hij van de door de vreemdeling gestelde identiteit en afkomst uitgaat. Evenmin is duidelijk of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was of is van een rechtsgrond voor verlening, indien van de in het paspoort vermelde gegevens was uitgegaan en welke gevolgen dat heeft voor het op de aanvraag te nemen besluit. Het was in de eerste plaats aan de staatssecretaris en niet aan de rechtbank om daarover een standpunt in te nemen. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank ten onrechte grond gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

2.1.4. De grieven slagen.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. De minister voor Immigratie en Asiel dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak en de uitspraak van de rechtbank is overwogen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Daarbij zal hij in elk geval moeten bezien of nog steeds aanleiding bestaat de vreemdeling tegen te werpen dat hij zijn identiteit en herkomst uit Centraal Irak niet aannemelijk heeft gemaakt en, zo dat niet het geval is, hij uitgaande van zijn herkomst uit Centraal-Irak in aanmerking komt of zou zijn gekomen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.3. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 8 september 2009 in zaak nr. 08/37766, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten;

III. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en H. Troostwijk en mr. P.A. Offers, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loon

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2011

284-631.

Verzonden: 6 december 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser