Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7101

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
201009385/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2010 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Inpassingsplan Agro & Food Cluster West-Brabant" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/5646
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009385/1/R3.

Datum uitspraak: 7 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de onderlinge waarborgmaatschappij Koninklijke Coöperatie Cosun U.A. handelend onder de naam "Suiker Unie" gevestigd te Breda,

2. de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie (hierna: de BMF) gevestigd te Tilburg,

3. [appellante sub 3] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), allen wonend te Fijnaart, gemeente Moerdijk,

4. de vereniging Belangenvereniging Behoud Open Polders (hierna: BOP), gevestigd te Stampersgat, gemeente Halderberge,

appellanten,

en

provinciale staten van Noord-Brabant,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2010 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Inpassingsplan Agro & Food Cluster West-Brabant" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Suiker Unie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2010, de BMF bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2010, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2010, en BOP bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 september 2010, beroep ingesteld.

[appellant sub 3] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2011, waar de Suiker Unie, vertegenwoordigd door mr. M. Bos, advocaat te

's-Hertogenbosch, bijgestaan door A.P.M. Backs, P.J. Hagens en J.A. Huizen, de BMF, vertegenwoordigd door H.C. Gerringa, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos, R. Kramps en F. Veurink, allen werkzaam bij de provincie, en A. Schoenmakers en B. Hendriks, beiden werkzaam bij het onderzoeksbureau Arcadis, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tuinbouwontwikkelingsmaatschappij B.V. (hierna: TOM), vertegenwoordigd door mr. W. Zwier, advocaat te Breda, en ir. L. Burghout, project manager, verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Het plan maakt de ontwikkeling van de zogeheten Agro & Foodcluster (hierna: AFC) in West-Brabant mogelijk. Het plangebied wordt omsloten door Stampersgat aan de oostkant, de rivier De Dintel aan de noordkant, de A29 aan de westkant, en weilanden aan de zuidkant. Het plangebied omvat een glastuinbouwgebied van ongeveer 220 ha, een bedrijventerrein van ongeveer dezelfde grootte en enkele weilanden ten zuiden van het glastuinbouwgebied. Van het bedrijventerrein is 49 ha bestemd voor nieuw te realiseren bedrijven. Het overige deel behoort toe aan de Suiker Unie en wordt gescheiden door het Mark-Vlietkanaal. Ten oosten hiervan liggen de suikerfabriek met bijbehorende gebouwen en ten westen hiervan liggen de zogeheten vloeivelden.

2.2. Provinciale staten hebben ter zitting betoogd dat de beroepen van [appellant sub 3] en BOP niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard voor zover die zich richten tegen de artikelen 3, 5.5.1, onder a, 5.6 onder c en d, en 7 van de planregels, nu zij hiertegen geen zienswijzen hebben ingediend.

[appellant sub 3] en BOP hebben in hun zienswijze betoogd dat het plan een aanzienlijke aantasting van het landschap en de natuur met zich zal brengen en dat onduidelijk is hoe de beoogde symbiose binnen het plangebied tot stand zal komen. Nu [appellant sub 3] en BOP zich in hun zienswijze tegen het hele plan hebben gekeerd, kunnen zij, gelet op artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, in beroep eveneens het gehele plan aanvechten. Reeds om die reden bestaat geen grond om de beroepen van [appellant sub 3] en BOP, voor zover die zich richten tegen de door provinciale staten genoemde artikelen, niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3. Vast staat dat de Crisis- en herstelwet van toepassing is op het inpassingsplan. Ingevolge artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

2.3.1. [appellant sub 3] heeft eerst ter zitting betoogd dat niet wordt voldaan aan het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit en dat de negatieve gevolgen van het project voor de luchtkwaliteit gecompenseerd moeten worden door extra maatregelen.

Nog daargelaten de vraag of het naar voren brengen van deze beroepsgrond zich verhoudt met een goede procesorde, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet na afloop van de termijn voor het instellen van een beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. De Afdeling zal daarom deze beroepsgrond buiten beschouwing laten.

2.3.2. De Suiker Unie kan zich niet verenigen met artikel 14, lid 14.2 van de planregels, waarin een verbod is opgenomen om op de voor "Waterstaat - beschermingszone watergang" aangewezen gronden te bouwen. De Suiker Unie betoogt dat deze bepaling zich niet verhoudt met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - kadefaciliteiten", die is toegekend aan gronden met deze bestemming.

Verder betoogt de Suiker Unie dat het vastgestelde plan ten onrechte is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp, in die zin dat aan de gronden waarop zij een biomassavergistingsinstallatie wil realiseren, de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - beeldkwaliteitzone 8" is toegekend. Op grond van de bijbehorende artikelen 5, lid 5.2.3 en 18, lid 18.2.8, van de planregels is het evenwel onmogelijk om de installatie op te richten.

2.4. Ter zitting hebben provinciale staten betoogd dat de door de Suiker Unie bedoelde voorschriften abusievelijk in de planregels zijn opgenomen en geschrapt zouden kunnen worden. De Afdeling ziet daarom aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van de Suiker Unie is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

Procedurele gronden

2.5. [appellant sub 3] en BOP betogen dat het voorliggende plan, dat verstrekkende gevolgen heeft, ten onrechte tijdens de vakantieperiode ter inzage is gelegd.

Deze grond slaagt niet. Er is geen rechtsregel die zich tegen terinzagelegging in de vakantieperiode verzet.

2.6. [appellant sub 3] en BOP betogen dat zij ten onrechte geen rechten kunnen ontlenen aan de bestuursovereenkomst die de provincie en de gemeente Halderberge hebben gesloten. Verder menen zij dat de gemeente Moerdijk had moeten worden betrokken bij de overeenkomst.

Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het vastgestelde plan en kan reeds om die reden niet slagen.

2.7. De BMF, [appellant sub 3] en BOP betogen dat het vastgestelde plan en het milieueffectrapport (hierna: MER) niet overeenstemmen met hetgeen in de startnotitie voor het MER is vermeld. Zij wijzen er op dat in de startnotitie niet is vermeld dat de milieugevolgen van het realiseren van windturbines zouden worden onderzocht. Verder achten de BMF, [appellant sub 3] en BOP het MER gebrekkig, nu hierin niet is vermeld wat de milieugevolgen van de lichtverspreiding zijn.

2.7.1. De Afdeling stelt voorop dat de startnotitie een eerste stap vormt in de te volgen procedure voor het maken van een MER. Aanvullingen op de beschikbare informatie in een dergelijke procedure zijn niet ongebruikelijk en zijn in beginsel toegestaan. Ter zitting is gebleken dat in de richtlijnen voor het MER, die naar aanleiding van de startnotitie zijn vastgesteld, is aangegeven dat ook de milieugevolgen van het realiseren van windturbines dienden te worden onderzocht. Nu de BMF, [appellant sub 3] en BOP niet nader hebben gemotiveerd op welke wijze de afwijking van de startnotitie de bevindingen met betrekking tot de milieueffecten heeft beïnvloed, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zodanig gewijzigd is vastgesteld, dat de uitkomsten van het MER niet redelijkerwijs aan het plan ten grondslag hadden kunnen worden gelegd.

2.7.2. Met betrekking tot het betoog dat in het MER niet een uitvoeriger model is weergegeven voor de lichtverspreiding en dat dit daarom gebrekkig is, overweegt de Afdeling als volgt.

In artikel 7.7, eerste lid, aanhef onder h, in samenhang met artikel 7.7, eerste lid, onder e, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, is bepaald dat het MER een overzicht bevat van de leemten in de beschrijvingen van de gevolgen voor het milieu die de voorgenomen activiteit kan hebben, ten gevolge van het ontbreken van de benodigde gegevens. Ter voldoening aan dit artikel is in hoofdstuk 3 van de aanvulling op het MER vermeld dat goede en wetenschappelijk onderbouwde rekenmodellen en dosis-effectrelaties voor het berekenen en beoordelen van de verlichting vanuit de glastuinbouwgebieden, ontbreken. Verder is in het MER vermeld dat dit kan worden aangemerkt als een leemte in kennis. De Commissie MER heeft geoordeeld dat in het MER en de aanvulling daarop de essentiële informatie aanwezig is. De BMF, [appellant sub 3] en BOP hebben niet aannemelijk gemaakt dat desondanks het MER op dit punt gebrekkig is. De beroepsgrond slaagt niet.

Nut en noodzaak van het plan

2.8. De BMF, [appellant sub 3] en BOP betogen dat er geen noodzaak is voor het plan, voor zover dat glastuinbouw mogelijk maakt. Zo er al een behoefte bestaat, dan zou de benodigde ruimte in ieder geval kleiner kunnen zijn. De BMF voert in dit kader aan dat het beleid van de provincie is gericht op het concentreren van glastuinbouw in bepaalde gebieden en op beperking van de groei van het glasareaal in Noord-Brabant.

De BMF betoogt verder dat een planologische regeling ontbreekt die het mogelijk maakt om solitaire glastuinbouw die verspreid op kwetsbare locaties in Noord-Brabant ligt, te verplaatsen naar het AFC-terrein. Dit had volgens de BMF kunnen worden gerealiseerd door een uitplaatsing vanuit een kwetsbare locatie te koppelen aan een uitwerkings- of wijzigingsbevoegdheid naar een bouwvlak op een plek op het AFC-terrein. Nu deze voorwaarde niet is ingevuld, ontbreekt een zwaarwegend maatschappelijk belang om het plan te realiseren, aldus de BMF.

2.8.1. Provinciale staten hebben betoogd dat de omstandigheid dat het aantal glastuinbouwers in absolute zin afneemt, niet met zich brengt dat geen behoefte is aan ruimte voor glastuinbouw. Zij wijzen er op dat veel kleinschalige bedrijven op solitaire locaties op termijn tot bedrijfsbeëindiging zullen overgaan. De overblijvende glastuinbouwers zullen om te kunnen blijven concurreren op een veel grotere schaal dienen te produceren en zullen daarom meer ruimte nodig hebben dan op solitaire locaties kan worden geboden. Het plangebied voorziet in die behoefte. Verder wijzen zij er op dat uit inventarisaties van de TOM is gebleken dat er brede belangstelling bestaat voor het glastuinbouwgebied waarin het plan voorziet. De BMF heeft dit niet gemotiveerd bestreden.

Verder hebben provinciale staten betoogd dat het door hen ter zake gevoerde beleid ten doel heeft om verspreid liggende glastuinbouw in de provincie te verminderen en in 2015 75% van het totale areaal glastuinbouw in de provincie in aangewezen glastuinbouwgebieden te concentreren. Om deze doelstelling te halen zijn de ruimte en de ontwikkeling van het glastuinbouwgebied binnen het plangebied noodzakelijk. Teneinde de doorstroming van glastuinbouwbedrijven die niet in de concentratiegebieden liggen veilig te stellen, is in de exploitatieovereenkomst met de TOM een regeling getroffen die voor een deel van het plangebied, ongeveer 100 hectare, voorziet in een voorrangspositie voor deze glastuinbouwers om zich op het glastuinbouwterrein te vestigen. Om deze reden hebben provinciale staten geen aanleiding gezien om de door de BMF gewenste maatregelen in het plan op te nemen. Nog daargelaten of de door de BMF gewenste maatregelen kunnen worden getroffen, ziet de Afdeling in hetgeen de BMF heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat provinciale staten na afweging van de betrokken belangen zich niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen. De beroepsgrond slaagt niet.

Aantasting Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) en Groene Hoofdstructuur (hierna: GHS)

2.9. De BMF betoogt dat de AFC wordt gerealiseerd in de EHS en de GHS en dat in het plan de EHS ten onrechte is wegbestemd. De BMF betoogt in dit kader verder dat volgens het provinciale beleid van de Interim Structuurvisie en de Verordening Ruimte Noord-Brabant, fase 1 (hierna: de Verordening) de EHS slechts mag worden aangetast, indien hieraan een natuurcompensatieplan is gekoppeld en indien een groot openbaar belang gemoeid is met de aantasting van de ervan.

Verder kan de BMF zich niet verenigen met artikel 7 van de planregels, op grond waarvan het mogelijk is om verkeersvoorzieningen als voetpaden, fietspaden en lichtmasten op te richten, dan wel aan te leggen op gronden met de bestemming "Natuur". Volgens de BMF tasten deze voorzieningen de natuurwaarden in de EHS aan.

2.9.1. Provinciale staten hebben betoogd dat zij bij het vaststellen van het plan het beleid met betrekking tot de EHS in de Verordening, die op 1 juni 2010 in werking is getreden, hebben gehanteerd. Alle gronden die volgens de Verordening tot de EHS behoren, zijn op de verbeelding opgenomen en door middel van de planregels beschermd overeenkomstig de daartoe in de Verordening opgenomen algemene regels. Volgens hen bestaat voor de overige gronden op basis van de Verordening geen compensatieplicht, nu deze gronden niet tot de EHS behoren.

2.9.2. Ingevolge artikel 3.1.3, eerste lid, van de Verordening, samengevat weergegeven, strekt een plan dat is gelegen in de EHS tot behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en stelt een plan regels ter bescherming van de ecologische waarden.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Natuur" bestemd voor instandhouding en ontwikkeling van natuurwaarden, instandhouding en ontwikkeling van de bestaande ecologische verbindingszone, verkeersvoorzieningen in de vorm van fiets- en voetpaden, bermen, waterlopen, taluds, en dergelijke en groenvoorzieningen.

In artikel 7, lid 7.2, van de planregels is bepaald dat uitsluitend, met inachtneming van de onder artikel 7, lid 7.1, van de planregels genoemde natuurwaarden, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals lichtmasten met een maximale bouwhoogte van 10 meter, verkeersborden en andere verkeersvoorzieningen met een maximale bouwhoogte van

3 meter zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1 aanhef en onder h, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor natuur als medebestemming ter plaatse van de aanduiding "natuur". In artikel 5, lid 5.2, onder b, is bepaald dat ter plaatse van de gronden met deze aanduiding geen gebouwen mogen worden opgericht. In artikel 5, lid 5.5.2 is bepaald dat als met het plan strijdig gebruik in ieder geval wordt gerekend het gebruik van de gronden met de aanduiding "natuur" voor bedrijfsmatige functies die de natuurwaarden aantasten, met uitzondering van bestaand gebruik zoals dat binnen de bestaande bedrijfsvoering aanwezig was ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan.

2.9.3. De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het vaststellen van het inpassingsplan de Verordening in werking was getreden. Deze Verordening vervangt de Interim Structuurvisie. Bij de Verordening zijn de contouren van de EHS aangepast ten opzichte van de contouren die in de Interim Structuurvisie waren vastgelegd. Voorts is met de inwerkingtreding van de Verordening de gebiedstypering GHS komen te vervallen. Het betoog dat de EHS is aangepast door het plan en dat het plangebied in de GHS ligt, mist om die reden feitelijke grondslag.

Provinciale staten hebben de tot de EHS behorende gronden binnen het plangebied, behoudens een smalle strook grond gelegen tussen de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" en de bestemming "Agrarisch - Projectvestiging glastuinbouw" in het noorden van het plangebied, de bestemming "Natuur" dan wel de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "natuur" toegekend. De Afdeling ziet gezien de bovengenoemde planregels in hetgeen de BMF heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat provinciale staten de natuurwaarden van de EHS ter plaatse niet hebben gewaarborgd.

Ten aanzien van de tot de EHS behorende smalle strook grond in het noorden van het plangebied, overweegt de Afdeling dat aan deze grond uitsluitend de bestemming "Bedrijventerrein" is toegekend. Provinciale staten hebben noch in de stukken noch ter zitting gemotiveerd waarom met het zonder meer toekennen van deze bedrijfsbestemming de natuurwaarden in dit deel van de EHS kunnen worden gewaarborgd. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Provinciale staten dienen een nieuw besluit te nemen. De Afdeling zal hiertoe een termijn stellen.

Voor zover de BMF betoogt dat voetpaden, fietspaden en lichtmasten niet aanvaardbaar zijn in de EHS, ziet de Afdeling, gezien de voorwaarde in artikel 7, lid 7.2, dat deze voorzieningen slechts met inachtneming van de natuurwaarden mogen worden gerealiseerd, geen grond voor het oordeel dat door de aanleg van voet- en fietspaden en door de plaatsing van lichtmasten de ecologische waarden ter plaatsen niet kunnen worden behouden.

Ontheffingsmogelijkheden

2.10. De BMF betoogt dat door middel van ontheffingen bebouwing kan worden opgericht ter plaatse van de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van natuur - ecologische verbindingszone en waterberging". Door deze ontheffingen kan de feitelijke functie van de gronden worden gewijzigd en de natuurcompensatie worden omzeild. Zij betoogt dat een wijzigingsbevoegdheid in plaats van een ontheffing had moeten worden opgenomen.

2.10.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.4, aanhef en onder a, en artikel 9, lid 9.3 van de planregels, samengevat weergegeven, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om ontheffing te verlenen van het verbod om bebouwing op te richten ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van natuur - ecologische verbindingszone en waterberging" op gronden met respectievelijke de bestemming "Agrarisch - Projectvestiging glastuinbouw", en "Water - Kanaal", mits de functie van de ecologische verbindingszone en de waterbergende functie niet worden aangetast.

In artikel 5, lid 5.4, aanhef en onder b, van de planregels is een gelijkluidende regeling opgenomen met betrekking tot de bovengenoemde aanduiding op gronden met de bestemming "Bedrijventerrein", met dien verstande dat de functie van de ecologische verbindingszone en de ecologische functie niet mag worden aangetast.

2.10.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals deze luidde ten tijde van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels van bij het plan aan te geven regels ontheffing kan verlenen. Met deze bepaling kan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid worden gegeven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Een ontheffingsregeling kan slechts betrekking hebben op planregels. Geen ontheffing kan worden verleend van de in het plan opgenomen bestemmingen. Toepassing van een ontheffingsregeling mag evenmin het effect hebben dat feitelijk de bestemming van gronden wordt gewijzigd.

De Afdeling ziet in hetgeen de BMF heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de bovengenoemde ontheffingsvoorwaarden een feitelijke wijziging van de bestemming of aanduiding, en daarmee een grotere aantasting van de natuur tot gevolg zullen hebben, dan indien een wijzigingsbevoegdheid was opgenomen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten om die reden geen ontheffingsbevoegdheid hebben kunnen opnemen in het plan.

Flora en fauna

2.11. De BMF, [appellant sub 3] en BOP betogen dat geen vrijstelling geldt of ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) zal kunnen worden afgegeven zodat het plan niet uitvoerbaar is. Zij betogen in dit verband dat de natuurinventarisaties van het onderzoeksbureau Mertens in 2005 en 2006 en het aanvullende onderzoek van Bureau Waardenburg uit 2009 onvolledig en verouderd zijn. Zo zouden er volgens de BMF aanwijzingen bestaan dat naast de diersoorten die volgens de bovengenoemde onderzoeken in het plangebied voorkomen onder meer de Noordse Woelmuis, de Rugstreeppad, de Grote Modderkruiper, de Kleine Modderkruiper, de Zwartkopmeeuw en de Watervleermuis voorkomen. Verder wijst de BMF er op dat in de Natuurtoets Flora- en Faunawet van het onderzoeksbureau Arcadis van 27 mei 2010 is vermeld dat de Laatvlieger en de Watervleermuis in het plangebied voorkomen, onder verwijzing naar een onderzoek van het onderzoeksbureau Mertens uit 2006, terwijl deze auteur deze soorten niet heeft genoemd.

2.11.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel of een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat provinciale staten het plan niet hadden kunnen vaststellen, indien en voor zover zij op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.11.2. Uit de resultaten van de onderzoeken van het onderzoeksbureau Mertens van 2005 en 2006, waarin alle in het plangebied voorkomende flora en fauna zijn geïnventariseerd, blijkt dat de door de BMF genoemde diersoorten niet in het plangebied voorkomen. De Laatvlieger en de Watervleermuis komen blijkens het rapport alleen foeragerend in het plangebied voor en hebben daar geen vaste verblijfplaats. Naar aanleiding van meldingen dat de Grote Modderkruiper en de Noordse Woelmuis in het plangebied voorkomen, heeft Bureau Waardenburg in 2009 opnieuw veldonderzoek gedaan naar het voorkomen van deze soorten in het plangebied. Tijdens dit onderzoek is de Grote Modderkruiper noch de Noordse Woelmuis aangetroffen in het plangebied. In de natuurtoets van Arcadis van 27 mei 2010 zijn de resultaten van de rapporten van het onderzoeksbureau Mertens en Bureau Waardenburg opnieuw weergegeven. Met betrekking tot de Rugstreeppad is in de natuurtoets van het onderzoeksbureau Arcadis nog vermeld dat deze diersoort niet voorkomt in het plangebied. Tot slot is in dit rapport geconcludeerd dat geen ontheffingen nodig zijn, mits aan diverse maatregelen wordt voldaan en dat in enkele specifieke situaties ontheffingen nodig zijn.

De BMF, [appellant sub 3] en BOP hebben met de enkele stelling dat de rapporten van Mertens enkele jaren oud zijn, dat de Grote Modderkruiper is gesignaleerd door vissers en dat het plangebied als goede biotoop zou kunnen dienen voor onder meer Watervleermuizen, niet aannemelijk gemaakt dat de gegevens uit de rapporten van Mertens, Bureau Waardenburg en Arcadis onjuist dan wel zodanig verouderd zijn, dat de uitkomsten van deze rapporten moeten worden betwijfeld. Verder hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat ontheffingen, indien die nodig zouden zijn, deze niet verleend kunnen worden. In hetgeen de BMF, [appellant sub 3] en BOP hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de Ffw niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. De beroepsgrond slaagt niet.

Kierpercentage

2.12. De BMF, [appellant sub 3] en BOP betogen dat de norm van 5% kieren, waarbij de assimilatieverlichting onbeperkt naar boven schijnt, te ruim is. Volgens hen zullen omwonenden hiervan hinder ondervinden. De BMF wijst er verder op dat ongehinderde lichtuitstraling nadelige gevolgen heeft voor trekvogels en watervogels.

2.12.1. In artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder b, van de planregels is bepaald dat tot een met het plan strijdig gebruik in ieder geval wordt gerekend het gebruik van assimilatieverlichting in kassen, tenzij de kas is voorzien van afdekschermen. Hierbij dient de zijafscherming te bestaan uit materiaal dat zorgt voor een afscherming van 100% en de bovenafscherming dient te bestaan uit materiaal dat zorgt voor een afscherming van ten minste 98%.

Ingevolge artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder d, is met het plan strijdig gebruik in ieder geval het gebruik van assimilatieverlichting in kassen, indien meer dan 5% van het totale glasareaal in het plangebied geen gebruik maakt van het onder b voorgeschreven beschermingsmateriaal, een en ander onverminderd het bepaalde in het Besluit glastuinbouw.

2.12.2. Provinciale Staten hebben zich op het standpunt gesteld dat de norm van 5% die in artikel 4, lid 4.5.2 aanhef en onder d, van de planregels is opgenomen, vijf maal strenger is dan de norm voor het kieren die in het Besluit landbouw, dat per 1 januari 2014 in werking zal treden, is gesteld. Verder wijzen zij er op dat in de omgeving van het plangebied ook andere lichtbronnen aanwezig zijn en dat in het MER is vermeld dat de verlichtingssterktes zelfs in de worst-case situatie laag zijn en passen binnen de natuurlijke bandbreedte van nachtelijk licht, zodat het niet waarschijnlijk is dat er merkbare effecten voor mens en dier zullen optreden. Volgens provinciale staten behoeft gezien het voorgaande niet voor een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat dan wel voor nadelige effecten voor vogels te worden gevreesd. In hetgeen de BMF, [appellant sub 3] en BOP hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen. Met betrekking tot het betoog van de BMF dat de norm zou moeten worden aangescherpt tot een kierpercentage van 0% overweegt de Afdeling dat provinciale staten aannemelijk hebben gemaakt dat deze norm thans technisch nog niet mogelijk is, aangezien vanwege de klimaatbeheersing in de kassen altijd gekierd zal moeten worden. De beroepsgrond slaagt niet.

Aantasting van het landschap

2.13. De BMF, [appellant sub 3] en BOP betogen dat de landschappelijke inpassing onvoldoende is gewaarborgd. De BMF wijst er op dat de bouwhoogte op het bedrijventerrein 63 meter is, en dat met een ontheffing tot zelfs 75 meter hoog kan worden gebouwd. De voorziene wijze van landschappelijke inpassing met kale aarden wallen, acht de BMF in dit kader onvoldoende. [appellant sub 3] en BOP betogen voorts dat de landschapsontwikkeling buiten het plangebied plaatsvindt, en dat de verantwoordelijkheid ten onrechte aan de gemeente Steenbergen is overgelaten. Volgens hen had de landschapsontwikkeling in het plangebied en in de planregels moeten worden verzekerd. Voorts achten [appellant sub 3] en BOP artikel 3, lid 3.1, onder b, van de planregels zinledig, nu vast staat dat de openheid van de omgeving wordt aangetast. Verder achten zij artikel 3, lid 3.4.3, van de planregels onvoldoende nauwkeurig bepaald.

2.13.1. Artikel 3, lid 3.1, onder b, van de planregels bepaalt dat de voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor behoud van openheid. Ingevolge artikel 3, lid 3.4.3, in samenhang met artikel 3, lid 3.4.1, van de planregels mag, samengevat weergeven, slechts een aanlegvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden worden verleend indien door deze werken of werkzaamheden geen schade wordt toegebracht aan de openheid.

Artikel 5, lid 5.2.2, aanhef en onder a.1, van de planregels bepaalt dat de bouwhoogte voor gebouwen op het bedrijventerrein niet meer mag bedragen dan 40 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte (m)" (63 meter) silo's en bijbehorende gebouwen en een koeltoren zijn toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 63 meter, en overige gebouwen tot een bouwhoogte van maximaal 45 meter.

Artikel 5, lid 5.2.3, aanhef en onder b.1, bepaalt dat de bouwhoogte voor bouwwerken geen gebouwen zijnde niet meer mag bedragen dan 40 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte (m)"(63 meter) een koeltoren is toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 63 meter.

2.13.2. De Afdeling overweegt dat, anders dan de BMF betoogt, de maximale bouwhoogte van 63 meter geen betrekking heeft op het gehele bedrijventerrein, maar enkel op de bouw van silo's en bijbehorende gebouwen en een koeltoren op het deel van het bedrijventerrein waarop de suikerfabriek ligt. Nu de maximale bouwhoogte van de gebouwen op dit deel van het bedrijventerrein 40 meter is, en op het terrein van de suikerfabriek reeds een 78 meter hoge schoorsteen aanwezig is, ziet de Afdeling in hetgeen de BMF, [appellant sub 3] en BOP naar voren hebben gebracht geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat voor een onaanvaardbare aantasting van de omgeving ter plaatse moet worden gevreesd. De beroepsgrond faalt.

2.13.3. Met betrekking tot het betoog dat de landschapsontwikkeling ten onrechte buiten het plangebied is geregeld, hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat ook zonder deze landschapsontwikkeling de landschappelijke inpasbaarheid is gewaarborgd. Zij wijzen in dit verband op de aarden wallen die in de verschillende beeldkwaliteitszones aan de randen van het plangebied kunnen worden opgericht en de bebouwing in het plangebied aan het zicht zullen onttrekken. Deze wallen sluiten volgens provinciale staten goed aan bij de dijkstructuur van de Dintel, die aan de noordzijde van het plangebied stroomt en de vestingwerken van de Brabantse Waterlinie. Voorts sluiten de nieuw te realiseren bedrijven op het bedrijventerrein aan de oostzijde aan bij de reeds bestaande bebouwing van de suikerfabriek. Aan de westzijde sluit het plangebied aan bij de A29. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich onder deze omstandigheden in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de omgeving ter plaatse. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.13.4. Ten aanzien van de artikelen 3, lid 3.1, onder b, en lid 3.4.3 van de planregels, overweegt de Afdeling dat deze bepalingen zien op het plandeel met de bestemming "Agrarisch", dat ten zuiden van het glastuinbouwgebied en het nieuw te realiseren bedrijventerrein ligt. Ingevolge artikel 3, lid 3.2 van de planregels mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd, waarbij geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 2 meter mag bedragen. De Afdeling ziet, gelet op deze bepaling, geen grond voor het oordeel dat de openheid van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" niet kan worden gewaarborgd. De beroepsgrond slaagt niet.

Onduidelijkheden in de planregels

2.14. [appellant sub 3] en BOP betogen dat zowel het college van gedeputeerde staten als het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag zijn voor het verlenen van ontheffingen en vergunningen en het wijzigen van het plan. Naar hun mening is dit in strijd met de rechtszekerheid. Verder betogen zij dat de verbeelding moeilijk leesbaar en onduidelijk is.

2.14.1. In de planregels is duidelijk aangegeven welk bestuursorgaan bevoegd is gebruik te maken van de in het plan opgenomen mogelijkheden om ontheffingen of vergunningen te verlenen, nadere eisen te stellen dan wel het plan te wijzigen. Voorts hebben [appellant sub 3] en BOP niet gemotiveerd op welk punt zij de verbeelding onduidelijk achten. De beroepsgrond slaagt niet.

2.15. De BMF, [appellant sub 3] en BOP betogen dat de term symbiose die in diverse artikelen van de planregels is genoemd, onduidelijk is, zodat niet duidelijk is hoe de beoogde duurzaamheid, symbiose en samenwerking binnen het plangebied tot stand komen. Verder betogen [appellant sub 3] en BOP dat in het plan had moeten worden vastgelegd hoe de in het MER omschreven samenwerking en beheersstructuur tussen de verschillende soorten bedrijven op het bedrijventerrein, de fabriek van de Suiker Unie en de glastuinbouwbedrijven tot stand moet komen.

2.15.1. In de artikelen 4, lid 4.5.1, onder a, en 5, lid 5.5.1, onder a, van de planregels is, samengevat weergegeven, bepaald dat het beleid ten aanzien van glastuinbouwbedrijven respectievelijk bedrijven genoemd onder artikel 5, lid 5.1 onder a tot en met d, er op is gericht om ter plaatse een glastuinbouwlocatie respectievelijk bedrijventerrein te realiseren dat gericht is op symbiose c.q. samenwerking tussen bedrijven binnen het plangebied.

In artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a tot en met d, is, samengevat weergegeven, bepaald dat de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd zijn voor agro- en foodgerelateerde bedrijven, bedrijven op het gebied van be- en verwerkende agrologistiek en bedrijven uit de voedings- en genotmiddelenindustrie in de milieucategorieën 3, 4, 5, 5.1 en 5.2 genoemd in de bij de planregels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten alsmede met deze milieucategorieën naar invloed op de omgeving vergelijkbare bedrijven, ter plaatse van de corresponderende aanduidingen op de verbeelding.

Artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder u, bepaalt dat de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd zijn voor collectieve voorzieningen ten behoeve van symbiose en samenwerking.

Ingevolge artikel 5, lid 5.6, aanhef en onder c en d, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 5.1, onder a tot en met d, ten einde agrologistieke bedrijven respectievelijk teneinde overige bedrijven toe te staan onder de volgende voorwaarden:

1. door de vestiging van het bedrijf dient symbiose op te treden met andere bedrijfsactiviteiten op het bedrijventerrein respectievelijk binnen het plangebied (…);

(…).

2.15.2. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat het uitgangspunt van het plan is geweest dat het plangebied duurzaam wordt ontwikkeld. Symbiose en samenwerking moeten volgens hen een bijdrage leveren aan deze doelstelling. De term symbiose is met name in de planregels opgenomen om duidelijk te maken dat de AFC geen conventioneel bedrijventerrein is, maar gericht is op duurzame samenwerking, wederzijds voordeel en innovatie. Zij betogen dat symbiose en samenwerking onder meer bestaat uit het benutten van restwarmte van de suikerfabriek tijdens de bietencampagne voor de energiebehoefte van een deel van de glastuinders. Voorts zal het proceswater van de fabriek als gietwater voor de glastuinbouw worden benut, zal spuiwater collectief worden ingezameld en gezuiverd, en zal een distributienetwerk voor CO2 worden aangelegd. Verder zal de vrijkomende bietengrond worden gebruikt voor de aanleg van de aarden wallen rond het plangebied en zal de biomassavergistingsinstallatie bio-energie leveren. Tot slot wijzen zij er op dat de planregels waarborgen dat alleen specifieke en met name agro- en foodgelieerde bedrijven zijn toegestaan en dat juist in die categorie bedrijven kansen hebben om tot symbiose en samenwerking te komen. Verder zijn zij van mening dat de gewenste symbiose met name tot uitdrukking komt in het exploitatieplan en de exploitatieovereenkomsten. Zo is in artikel 8.3.3 van het exploitatieplan vastgelegd dat gebouwen binnen de bestemmingen "Agrarisch-glastuinbouw" en (delen van) "Bedrijventerrein" pas in gebruik mogen worden genomen nadat alle nutsvoorzieningen zijn aangelegd. Op grond van exploitatieovereenkomsten zal voorts een overkoepelende beheersorganisatie worden opgericht, die zal toezien op de duurzame ontwikkeling van het plangebied.

2.15.3. In het plan is geen definitie gegeven van het begrip "symbiose". Ook anderszins blijkt uit het plan niet wat onder dit begrip dient te worden verstaan. Evenmin ziet de Afdeling grond voor het oordeel dat het begrip op basis van hetgeen in het normale taalgebruik onder "symbiose" wordt verstaan, slechts voor een uitleg vatbaar kan zijn en om die reden niet tot onduidelijkheid leidt. Voorts hebben provinciale staten niet gemotiveerd waarom zij, gelet op het belang dat zij toekennen aan symbiose en samenwerking op het AFC-terrein, de term symbiose niet nader hebben omschreven in de planregels, dan wel de door hen hierboven genoemde maatregelen op grond waarvan zij menen dat symbiose tot uitdrukking komt, hebben vertaald in de planregels. In hetgeen de BMF, [appellant sub 3] en BOP hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarom aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met de rechtszekerheid en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht is vastgesteld en in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.

Milieugevolgen van het plan

2.16. [appellant sub 3] en BOP voeren aan dat niet duidelijk is welke milieubelasting vanwege het bedrijventerrein zal optreden. Zij betogen in dit kader dat in de planregels is vermeld dat daar waar categorie 3 wordt vermeld, daar ook de categorieën 3.1 en 3.2 onder moeten worden begrepen, hetgeen betekent dat geen rekening is gehouden met de diverse milieueffecten. Hetzelfde geldt volgens hen voor categorie 4- en 5-bedrijven. Verder voert [appellant sub 3] aan dat provinciale staten ten onrechte een richtafstand van 700 meter tussen de bedrijven en de nabijgelegen woningen hebben aangehouden. Gezien de stille, landelijke omgeving van het plangebied had een afstand van 1.200 meter naar haar mening meer voor de hand gelegen.

[appellant sub 3] en BOP betogen verder dat niet duidelijk is gemaakt wat in de plantoelichting wordt bedoeld met "autonome ontwikkeling" en "nieuw bedrijventerrein". Hierdoor zijn volgens hen de deelonderzoeken naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit, de geluidbelasting, de externe veiligheid en geur niet representatief. [appellant sub 3] en BOP stellen dat als autonome situatie heeft te gelden de situatie waarin uitsluitend rekening wordt gehouden met de mogelijkheden die het hiervoor geldende bestemmingsplan bood.

2.16.1. De Afdeling overweegt dat bij het vaststellen van een plan niet zelden nog niet precies duidelijk is hoe het plangebied concreet wordt ingevuld en hoe groot de milieubelasting is die het plan veroorzaakt. In het MER is vermeld dat bij het onderzoek naar de milieugevolgen is uitgegaan van een volledige invulling van de deelgebieden met bedrijven uit de in dat gebied maximaal toegestane milieucategorie (worst-case benadering). Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 3] en BOP hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het onderzoek naar de diverse milieugevolgen vanwege het bedrijventerrein onzorgvuldig is geweest.

Met betrekking tot de afstanden tussen het bedrijventerrein en de nabijgelegen woningen aan de Noordlangeweg hebben provinciale staten aansluiting gezocht bij de gebiedstyperingen en de daarbij behorende richtafstanden die in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) zijn aanbevolen. In paragraaf 2.3 van de VNG-brochure is een richtafstand van 700 meter aanbevolen voor het omgevingstype gemengd gebied, en 1.000 meter voor een rustige woonwijk en rustig buitengebied. Verder is vermeld dat onder meer lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid als gemengd gebied kan worden beschouwd. Gezien de aard van de omgeving, waaronder de aanwezigheid van de suikerfabriek en de A29 hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omgeving als gemengd gebied kan worden getypeerd en dat aansluiting kan worden gezocht bij de voor dit gebiedstype aanbevolen richtafstand van 700 meter. De beroepsgrond slaagt niet.

2.16.2. Voorts is in de paragrafen 5.3.1 en 5.3.2 van de plantoelichting omschreven welke activiteiten en ontwikkelingen tot de autonome ontwikkelingen op het terrein van de Suiker Unie behoren respectievelijk waar het nieuw op te richten bedrijventerrein zal komen en welke activiteiten zullen plaatsvinden op dit terrein. In het MER en de verschillende deelonderzoeken die aan het plan ten grondslag zijn gelegd is als uitgangspunt gehanteerd dat met de autonome ontwikkelingen worden bedoeld de ontwikkelingen op het terrein van de Suiker Unie dan wel ten behoeve van de Suiker Unie die los van de realisatie van het bedrijventerrein welke het plan mogelijk maakt, kunnen en zullen worden gerealiseerd. [appellant sub 3] en BOP hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het MER en de genoemde deelonderzoeken naar de te verwachten milieugevolgen van het plan van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.

2.17. [appellant sub 3] en BOP betogen voorts dat de hoogte van de geluidwallen rond het plangebied niet juridisch geborgd zijn. Nu dit niet is gebeurd, vrezen zij geluidoverlast. Verder voeren zij aan dat de zonegrens niet duidelijk is aangegeven op de verbeelding, dat een 50 dB(A)-contour ontbreekt, dat onduidelijk is hoe getoetst gaat worden aan deze contour en of er wel of geen sprake is van uitbreiding van geluidruimte voor de voorgenomen op onderdelen onbekende bedrijvigheid.

Verder voeren zij aan dat de normstelling in het geurrapport niet gebaseerd had mogen worden op toekomstig beleid en dat voor onaanvaardbare trillinghinder moet worden gevreesd.

Tot slot betoogt BOP dat de externe veiligheid onvoldoende is gewaarborgd.

2.17.1. Uit het akoestisch rapport "Geluid vanwege het gezoneerde industrieterrein" van 24 juni 2010 blijkt dat de geluidzone die thans zich bevindt rond het plandeel waarop de suikerfabriek zich bevindt, deels gewijzigd dient te worden. Op de verbeelding is de geluidcontour, voor zover deze is gewijzigd dan wel binnen het plangebied valt, weergegeven. Het betoog van [appellant sub 3] en BOP dat de 50 dB(A)-contour niet in het plan is vastgelegd, mist derhalve feitelijke grondslag. Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat deze geluidzone niet duidelijk zou zijn weergegeven op de verbeelding en dat hieraan niet zou kunnen worden getoetst, dan wel dat onduidelijk is of er een uitbreiding is van de geluidruimte voor het bedrijventerrein.

Buiten het plangebied wijzigt blijkens het rapport de reeds bestaande geluidzone niet. Provinciale staten hebben zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de 50 dB(A)-contour voor zover deze buiten het plangebied ligt niet op de verbeelding behoefde te worden weergegeven. De beroepsgrond slaagt niet.

2.17.2. Met betrekking tot de geluidwallen overweegt de Afdeling als volgt. In het akoestisch rapport van 24 juni 2010 is vermeld dat bij de akoestische modellering rekening is gehouden met de situering van enkele grondwallen, op het terrein van de suikerfabriek. Deze grondwallen zijn blijkens het rapport nodig om de hogere geluidbelasting op de woningen in de woonkern van Stampersgat, langs de Gastelsedijk West en de Groeneweg niet te laten toenemen. De situering en de hoogte van deze geluidwallen zijn aangegeven op een bij het akoestisch rapport behorende kaart. Aanvullend zullen blijkens het rapport geluidreducerende brongerichte maatregelen bij de suikerfabriek moeten worden getroffen, teneinde de zonegrens en de huidige ten hoogste toelaatbare geluidbelastingen bij de woningen niet te overschrijden.

Provinciale staten hebben ten einde de bovengenoemde grondwallen mogelijk te maken aan de locaties waar deze dienen te worden opgericht, de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - beeldkwaliteitszone 7" toegekend. In artikel 18, lid 18.2.7, van de planregels is, samengevat en voor zover hier van belang, bepaald dat binnen de gronden met deze aanduiding onder meer grondwallen zijn toegestaan, waarvan de hoogte varieert van 3,5 tot 15 meter. Voorts maken de geluidwallen zoals die zijn weergegeven in het akoestisch rapport deel uit van de aanvraag om een milieuvergunning. Deze milieuvergunning is bij besluit van 29 oktober 2010 verleend, waarbij is bepaald dat de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning. In hetgeen [appellant sub 3] en BOP hebben aangevoerd, ziet de Afdeling daarom geen grond voor het oordeel dat de geluidwallen en de hoogte daarvan juridisch niet geborgd zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

2.17.3. Met betrekking tot de stelling dat de geurnorm die in het geurrapport wordt genoemd niet had mogen worden gebaseerd op toekomstig beleid, overweegt de Afdeling dat in het rapport van SGS van

4 juni 2010 is vermeld dat de Nederlandse Emissie Richtlijnen lucht en het concept van het geurbeleid van de provincie Noord-Brabant als toetsingskaders dienen om de aanvaardbaarheid van de geurbelasting vanwege de suikerfabriek te beoordelen. De enkele omstandigheid dat het beleid in een conceptfase verkeerd, brengt naar het oordeel van de Afdeling niet met zich dat dit niet zou mogen worden gehanteerd bij de vraag of een aanvaardbaar geurhinderniveau optreedt bij de omliggende geurgevoelige objecten. De beroepsgrond slaagt niet.

2.17.4. Met betrekking tot de stelling dat voor onaanvaardbare trillinghinder dient te worden gevreesd, overweegt de Afdeling dat in het MER is vermeld dat eventuele trillingen worden veroorzaakt door oneffenheden in de wegen en de hoeveelheid vrachtverkeer. Volgens het MER zullen trillingen neutraal of licht negatief zijn ten opzichte van de autonome situatie. [appellant sub 3] en BOP hebben deze uitgangspunten en conclusies niet gemotiveerd bestreden. Voor het oordeel dat voor onaanvaardbare trillinghinder moet worden gevreesd, ziet de Afdeling daarom geen aanleiding. De beroepsgrond faalt.

2.17.5. Voor zover BOP betoogt dat niet is gemotiveerd of en zo ja hoe de veiligheidsrisico's binnen het daarvoor geldende beleid zullen blijven, overweegt de Afdeling dat in het door Arcadis opgestelde rapport "Externe veiligheid Agro & foodcluster West-Brabant" van mei 2010 is vermeld dat aan de grenswaarden voor het plaatsgevonden risico en de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt voldaan. BOP heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusies onjuist zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Windturbines

2.18. [appellant sub 3] en BOP betogen dat onduidelijk is hoeveel windturbines door middel van de wijzigingsbevoegdheden, die in het plan zijn opgenomen, kunnen worden gerealiseerd. Zij wijzen er op dat in de plantoelichting is vermeld dat binnen het plandeel met de aanduiding "wro-zone wijzigingsgebied 3" maximaal acht windturbines mogen worden opgericht. Op grond van artikelen 3, lid 3.5.2, artikel 4, lid 4.8.1 en artikel 5, lid 5.8.4 kunnen volgens hen evenwel in totaal twaalf windturbines worden opgericht. Verder achten zij het mogelijk maken van windturbines in strijd met het beleid uit de Ruimtelijke Visie West-Brabant 2030 (hierna: de Ruimtelijke Visie), waarin geen nieuwe initiatieven voor windturbines zijn opgenomen.

2.18.1. In artikel 3, lid 3.5.2, aanhef en onder a, van de planregels is, samengevat weergegeven, bepaald dat het college van gedeputeerde staten het plan kan wijzigen om de op de verbeelding met "wro-zone wijzigingsgebied 3" ingetekende gronden te wijzigen en de aanduiding "windturbinepark" op te nemen, waarbij maximaal 4 windturbines mogen worden opgericht binnen de aanduiding "wro-zone wijzigingsgebied 3" voor zover gelegen binnen de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch - Projectvestiging glastuinbouw".

Artikel 4, lid 4.8.1, aanhef en onder a, van de planregels is identiek aan artikel 3, lid, 3.5.2, aanhef en onder a.

Artikel 5, lid 5.8.4, aanhef en onder a bepaalt, voor zover hier van belang, dat het college van gedeputeerde staten het plan kan wijzigen om de op de verbeelding met "wro-zone wijzigingsgebied 3" ingetekende gronden te wijzigen en de aanduiding "windturbinepark" op te nemen voor maximaal 4 windturbines binnen de bestemming "Bedrijventerrein".

2.18.2. Uit de bovengenoemde planregels vloeit voort dat de wijzigingsbevoegdheid ziet het oprichten van maximaal 4 windturbines op de gronden met de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch - Projectvestiging glastuinbouw" en maximaal 4 windturbines op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein". De wijzigingsbevoegdheden voorzien derhalve in de realisatie van in totaal 8 windturbines. Voor zover [appellant sub 3] en BOP betogen dat het plan in strijd is met de Ruimtelijke Visie, overweegt de Afdeling dat het plangebied deel uitmaakt van de in dit document aangewezen zoekgebieden voor windenergie. Nog daargelaten dat in dit document uitdrukkelijk is vermeld dat het geen juridische status heeft en de vraag of provinciale staten hieraan gebonden zijn, mist de stelling dat het plan in strijd is met de Ruimtelijke Visie derhalve feitelijke grondslag.

Proceskosten

2.19. Provinciale staten dienen ten aanzien van de Suiker Unie en de BMF in de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft [appellant sub 3] en BOP is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De door [appellant sub 3] opgegeven gemaakte kosten voor een door een deskundige opgesteld deskundigenrapport komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu [appellant sub 3] dit rapport niet in de procedure heeft ingebracht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de onderlinge waarborgmaatschappij Koninklijke Coöperatie Cosun U.A. handelend onder de naam Suiker Unie geheel, en de beroepen van de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, [appellant sub 3] en anderen en de vereniging Belangenvereniging Behoud Open Polders gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van provinciale staten van Noord-Brabant van 9 juli 2010, kenmerk 33/10 E, voor zover:

a. het artikel 14, lid 14.2, artikel 5, lid 5.2.3, artikel 18, lid 18.2.8, artikel 5, lid 5.1, onder u en artikel 5, lid 5.6, onder c, punt 1, en onder d, punt 1, van de planregels betreft;

b. het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein", zoals is aangegeven op de bij deze uitspraak horende kaart;

III. draagt provinciale staten van Noord-Brabant op om binnen drie maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen;

IV. verklaart de beroepen van[appellant sub 3] en anderen, de vereniging Belangenvereniging Behoud Open Polders en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt provinciale staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de onderlinge waarborgmaatschappij Koninklijke Coöperatie Cosun U.A. handelend onder de naam Suiker Unie in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 901,31 (zegge: negenhonderdeen euro en eenendertig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en van bij de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 32,91 (zegge: tweeëndertig euro en eenennegentig cent);

VI. gelast dat provinciale staten van Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor de onderlinge waarborgmaatschappij Koninklijke Coöperatie Cosun U.A. handelend onder de naam Suiker Unie, € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 3] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzicht van de anderen, € 298,00 (zegge tweehonderdachtennegentig euro) voor de vereniging Belangenvereniging Behoud Open Polders en € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.G.C. Wiebenga, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van staat.

w.g. Wiebenga w.g. Van Helvoort

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011

361.