Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7097

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
200909903/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2009, no. 1590095/1596551, heeft het college aan de raad van de gemeente Reusel-De Mierden (hierna: de raad) een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 22 september 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2009" (hierna: het bestemmingsplan).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.8
Wet ruimtelijke ordening 4.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200909903/1/R3.

Datum uitspraak: 7 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Lage Mierde, gemeente Reusel-De Mierden,

2. het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden (hierna: het gemeentebestuur),

3. [appellant sub 3], wonend te Reusel, gemeente Reuse-De Mierden,

4. [appellant sub 4 A] en [appellant sub 4 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), wonend te Lage Mierde, gemeente Reusel-De Mierden,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2009, no. 1590095/1596551, heeft het college aan de raad van de gemeente Reusel-De Mierden (hierna: de raad) een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 22 september 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2009" (hierna: het bestemmingsplan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2009, het gemeentebestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2009, [appellant sub 3] per faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2009, en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2009, beroep ingesteld.

Het gemeentebestuur heeft het beroep aangevuld bij brief van 11 maart 2010.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. H.A. Gooskens, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, het gemeentebestuur, vertegenwoordigd door G. Linden en J.K.J. Boon, beiden werkzaam bij de gemeente, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. W. Krijger, werkzaam bij Krijger Advies, [appellant sub 4], bijgestaan door mr. F.P.J.R. Jansen, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door drs. P.J.M. Aertsen, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. T. van den Berk, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3.8, zesde lid, van de Wro, gelezen in samenhang met het vierde lid, voor zover hier van belang, kan het college, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegdheden, met betrekking tot een onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan waarover hij een zienswijze over het ontwerp heeft ingediend en deze niet volledig is overgenomen, aan de gemeenteraad een aanwijzing geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld (hierna: reactieve aanwijzing). Het college vermeldt in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan haar toekomende bevoegdheden te beschermen.

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, kan, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, het college aan de raad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan.

Algemene bezwaren

2.2. [appellant sub 3] en het gemeentebestuur stellen dat de reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij voeren hiertoe aan dat ten tijde van het bestreden besluit geen verordening was vastgesteld. Voor zover de reactieve aanwijzing is gebaseerd op de "Interimstructuurvisie Noord-Brabant Brabant in Ontwikkeling" (hierna: de interimstructuurvisie), vastgesteld bij besluit van 27 juni 2008 door provinciale staten van Noord-Brabant, en de "Paraplunota ruimtelijke ordening" (hierna: de paraplunota), vastgesteld door het college op 1 juli 2008, stellen zij dat hiervan geen taakstellend of dwingend karakter uitgaat, zodat de aanwijzing een afdoende rechtsgrondslag ontbeert.

2.3. Uit hetgeen is overwogen in onder meer de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010, in zaak nr. 200910210/1/R1 volgt dat het college onder meer gebruik kan maken van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing in gevallen waarin het stellen van algemene regels wordt overwogen of voorbereid.

Volgens het bestreden besluit zijn de provinciale belangen die het college door het geven van een reactieve aanwijzing heeft beoogd te waarborgen beschreven in de interimstructuurvisie en de paraplunota. Om de in de interimstructuurvisie en de paraplunota beschreven belangen te waarborgen hebben provinciale staten besloten om voor een zeventiental onderwerpen een verordening voor te bereiden, welk besluit in de op 12 december 2008 vastgestelde Startnotitie Verordening Ruimte Noord-Brabant (hierna: de startnotitie) is uitgewerkt. In deze startnotitie en in bijlage 6 van de interimstructuurvisie is aangegeven over welke onderwerpen uit de interimstructuurvisie en de paraplunota in de verordening regels zouden worden opgenomen. Verder blijkt uit de startnotitie dat in de op te stellen verordening tevens regels zullen worden gesteld over de integrale zonering op grond van reconstructieplannen en over daarin opgenomen beleidslijnen inzake de ontwikkelmogelijkheden van de intensieve veehouderij.

In de startnotitie is aangegeven dat een aantal onderwerpen direct in een verordening zal worden uitgewerkt, waarbij het ontwerp van de verordening is voorzien voor de zomer van 2009 (categorie 1-onderwerpen), en dat de uitwerking van een aantal andere onderwerpen wordt afgestemd op de totstandkoming van een nieuwe structuurvisie, waarbij de ontwerpverordening is voorzien voor eind 2009 (categorie 2-onderwerpen).

De interimstructuurvisie, de paraplunota, het Reconstructieplan Beerze-Reusel (hierna: het reconstructieplan) en de startnotitie dateren van voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Naar aanleiding van de startnotitie is de procedure tot vaststelling van de Verordening Ruimte Noord-Brabant (hierna: de verordening) gestart. De eerste fase van de verordening is in werking getreden op 1 juni 2010 en de tweede fase op 1 maart 2011.

Uit vorenstaande volgt dat de reactieve aanwijzingen zijn gegeven daar waar de provinciale belangen die een vertaling zouden krijgen in de verordening niet of onvoldoende in het plan zijn gewaarborgd.

Nu algemene regels over de onderwerpen waarop het bestreden besluit betrekking heeft werden voorbereid, is er geen grond voor het oordeel dat het college, wat betreft het provinciale beleid ten aanzien waarvan het voornemen bestond om dat in de verordening op te nemen, als zodanig geen gebruik had mogen maken van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing om tussentijdse ruimtelijke ontwikkelingen in strijd met het door de verordening te waarborgen provinciale belang te voorkomen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de verordening met een zekere voortvarendheid tot stand is gekomen.

Het betoog dat de reactieve aanwijzing niet met het oog op de op handen zijnde verordening konden worden gegeven, omdat deze ten tijde van het bestreden besluit nog niet was vastgesteld en dat de aanwijzing voor zover deze is gebaseerd op beleid, afdoende rechtsgrondslag ontbeert, faalt.

2.4. [appellant sub 3] en het gemeentebestuur stellen voorts dat het college het instrument van de reactieve aanwijzing ten onrechte aanwendt om zich op detailniveau met gemeentelijke besluiten te bemoeien.

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 februari 2011, in zaak nr. 201005138/1/R3) is, voor het antwoord op de vraag of een bepaald belang een provinciaal belang is, bepalend of het belang zich leent voor behartiging op provinciaal niveau vanwege de daaraan klevende bovengemeentelijke aspecten en is de mogelijkheid om een reactieve aanwijzing te geven niet beperkt tot bijzonder zwaarwegende belangen.

De Afdeling overweegt verder, onder verwijzing naar de uitspraak van 2 februari 2010, in zaak nr. 201009121/1/R3, dat het college in het algemeen in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan indien niet is uitgesloten dat, zolang de in voorbereiding zijnde verordening nog niet in werking is getreden, kan worden gehandeld in afwijking van de verordening en het daaraan ten grondslag liggende provinciale beleid. Onder verwijzing naar die uitspraak overweegt de Afdeling voorts dat het college zich in die omstandigheden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het provinciale belang onvoldoende kon worden beschermd door het toepassen van andere bevoegdheden dan het geven van een reactieve aanwijzing.

Het geven van een zogenoemde proactieve aanwijzing of het vaststellen van een inpassingsplan liggen immers in de rede voor ontwikkelingen die het provinciebestuur met het oog op een goede ruimtelijke ordening juist wenselijk of noodzakelijk acht. Het betoog faalt.

Het perceel [locatie 1] te Lage Mierde

2.5.1. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen (W)" aan het perceel [locatie 1].

2.5.2. In het plan is aan het betreffende perceel de bestemming "Wonen (W)" toegekend.

Ingevolge artikel 29, lid 29.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen (W)", voor zover hier van belang, bestemd voor wonen, aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven, groenvoorzieningen, voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder wegen en paden, erven en parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede voor de bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden en/of beeldbepalende waarden in één bouwmassa zoals die te onderkennen zijn bij gesplitste woonboerderijen, aangeduid met de aanduiding "2 woningen" op de plankaart (lees: verbeelding).

2.5.3. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot dit perceel ten grondslag gelegd dat daaraan nooit een woonbestemming is toegekend. Volgens het college is toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied in beginsel niet toegestaan. Daarnaast kan volgens het college door de functieverandering van bedrijfswoning naar burgerwoning de behoefte ontstaan aan een tweede bedrijfswoning voor het recreatiebedrijf op het betreffende perceel, hetgeen leidt tot een toename van verstening. Het college acht dit in strijd met het provinciale beleid.

2.5.4. [appellant sub 4], eigenaar van de woning op het betreffende perceel, en het gemeentebestuur stellen dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven.

[appellant sub 4] betoogt dat de woning al vanaf 1974 in gebruik is als burgerwoning en dat hiervoor een bouwvergunning is verleend. De woning is volgens hem terecht als zodanig bestemd. Anders dan het college stelt, bestaat er geen behoefte aan een tweede bedrijfswoning ten behoeve van het recreatiebedrijf. Dit is ook als zodanig opgenomen in het bestemmingsplan.

Het gemeentebestuur betoogt dat aan de woning een woonbestemming is toegekend, omdat voor de woning destijds een bouwvergunning is verleend.

2.5.5. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van burgerwoningen in het buitengebied. In paragraaf 4.12.1 van de paraplunota is gesteld dat toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw in beginsel niet is toegestaan, evenmin als toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing van gebouwen. Onder bepaalde voorwaarden is de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning wel toegestaan, indien sprake is van een voormalige agrarische bedrijfslocatie.

In artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied regels stelt ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen dan wel van zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen.

In het derde lid, aanhef en onder b en c, is bepaald dat een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid kan voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits is verzekerd dat er geen splitsing in meerdere wooneenheden plaatsvindt en dat overtollige bebouwing wordt gesloopt, dan wel in de vestiging of splitsing in meerdere wooneenheden in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, mits deze vestiging of splitsing mede is gericht op het behoud of herstel van deze bebouwing.

2.5.6. De woning op het betreffende perceel is in het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" bestemd voor "Recreatie (R)" en heeft de code "Rv3" gekregen. Ingevolge artikel 15, lid 15.1.1, van de voorschriften van dat plan zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor recreatief verblijf in recreatiewoningen, met dien verstande dat het aantal recreatiewoningen niet meer dan 105 mag bedragen, kamperen en het plaatsen van stacaravans.

Ingevolge artikel 15, lid 15.1.2, zijn die gronden tevens bestemd voor woondoeleinden ten dienste van het betreffende recreatiebedrijf, afhankelijk van het op de plankaart binnen het betreffende (deel van het) bestemmingsvlak aangegeven maximaal toegestane aantal (bedrijfs)woningen. Op het betreffende perceel zijn blijkens de plankaart twee bedrijfswoningen toegestaan.

2.5.7. In het vastgestelde bestemmingsplan is voor de betreffende woning een apart bestemmingsvlak met een woonbestemming opgenomen.

De betreffende woning is niet aan te merken als voormalige agrarische bedrijfswoning als bedoeld in de paraplunota. De woning ligt op het terrein van een recreatiepark waar recreatiewoningen en caravans staan.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in de toevoeging van een burgerwoning in het buitengebied die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en die tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels. Daarbij is mede van belang dat niet onaannemelijk is dat de bedrijfswoning in de toekomst weer noodzakelijk zal zijn voor de bedrijfsvoering van het recreatiepark.

2.5.8. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.5.9. De Afdeling begrijpt het verdere betoog van [appellant sub 4] en het gemeentebestuur aldus dat het college voor de betreffende woning een uitzondering had kunnen en moeten maken, omdat de woning reeds jaren in gebruik is als burgerwoning en hiervoor een bouwvergunning is verleend.

[appellant sub 4] en het gemeentebestuur hebben in dit verband echter geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het college in zoverre niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden en om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het betreffende perceel. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant sub 4], die de woning bewoont, bij de exploitatie van het recreatiepark is betrokken en de woning ook functioneert als bedrijfswoning.

2.6. In hetgeen [appellant sub 4] en het gemeentebestuur hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Het beroep van [appellant sub 4] is geheel en het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre ongegrond.

Het perceel [locatie 2] te Lage Mierde

2.7. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen (W)" aan het perceel [locatie 2].

2.7.1. In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Wonen (W)" toegekend, op basis waarvan de als zodanig bestemde gronden bestemd zijn voor, voor zover hier van belang, wonen, aan huis gebonden beroepen en/of bedrijven, groenvoorzieningen, voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder wegen en paden, erven en parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede voor de bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden en/of beeldbepalende waarden in één bouwmassa zoals die te onderkennen zijn bij gesplitste woonboerderijen, aangeduid met de aanduiding "2 woningen" op de plankaart.

2.7.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het betreffende perceel ten grondslag gelegd dat deze in het vigerende bestemmingsplan deel uitmaakt van het agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 3]. Volgens het college is over de wijzing naar de bestemming "Wonen (W)" ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan niets opgenomen in het bestemmingsplan. Het college acht toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwvestiging in strijd met het provinciale beleid. Daarnaast kan volgens het college de behoefte ontstaan aan een tweede bedrijfswoning voor het agrarische bedrijf, hetgeen leidt tot een toename van verstening. Het college acht dit eveneens in strijd met het provinciale beleid.

2.7.3. [appellant sub 1] stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

2.7.4. Uit de onder 2.1 weergegeven bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat een reactieve aanwijzing uitsluitend kan worden gegeven indien en voor zover het college met betrekking tot het betreffende onderdeel van het bestemmingsplan een zienswijze heeft ingediend en deze bij de vaststelling van het plan niet of niet volledig is overgenomen of indien en voor zover de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, anders dan op grond van zienswijzen van het college.

Gelet hierop dient het college in de zienswijzen duidelijk aan te geven op welke onderdelen de raad het plan bij de vaststelling dient te wijzigen om een reactieve aanwijzing te voorkomen.

2.7.5. De Afdeling stelt vast dat het college de planregeling voor het perceel [locatie 2] in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig heeft bestreden. In de zienswijze staat met betrekking tot de functiewijziging van agrarische bedrijven naar woonbestemmingen onder het thema Ruimtelijke kwaliteit dat bij 18 locaties de onderbouwing daarvoor ontbreekt. De adressen van deze locaties zijn in de bijlage onder punt 3 opgenomen. Het adres [locatie 2] is niet opgenomen in de bijlage. Voorts is het plan, wat betreft het perceel [locatie 2], bij de vaststelling niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. De Afdeling is van oordeel dat het college op dit punt geen zienswijze heeft ingediend zoals bedoeld in artikel 3.8, vierde lid, van de Wro. Voor het oordeel dat het college redelijkerwijs niet kan worden verweten dat op dit punt geen zienswijze is ingediend, zoals het college ter zitting heeft gesteld, bestaat geen aanleiding. Artikel 3.8, zesde lid, van de Wro biedt daarvoor geen aanknopingspunt.

2.7.6. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, bezien in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen (W)" aan het perceel [locatie 2], dient te worden vernietigd.

Gelet hierop wordt aan een inhoudelijke bespreking van het beroep van het gemeentebestuur niet toegekomen. Ten aanzien van [appellant sub 1] behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer.

2.7.7. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het toekennen van de bestemming "Wonen (W)" aan het perceel [locatie 2], onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Hulpgebouwen

2.8. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de regeling voor het toestaan van hulpgebouwen zoals opgenomen in de artikelen 4, lid 4.2.1, onder b, 5, lid 5.2.1, onder b, en 6, lid 6.2.1, onder b, en de artikelen 4, lid 4.3.1, onder a, 5, lid 5.4.1, onder a, 6, lid 6.4.1, onder a, en 7, lid 7.4, onder a, van de planregels.

2.8.1. De artikelen 4, 5, 6 en 7 hebben betrekking op de bestemmingen "Agrarisch (A)", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1 (AW-L1)", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 2 (AW-L2)" onderscheidenlijk "Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1 (AW-LN 1)".

Ingevolge de artikelen 4, lid 4.2.1, aanhef en onder a, 5, lid 5.2.1, aanhef en onder a, en 6, lid 6.2.1, onder a, van de planregels zijn op de gronden met de desbetreffende bestemmingen hulpgebouwen toegestaan met een hoogte van maximaal 3 m ter plaatse van de aanduiding "hulpgebouw" op de plankaart.

Ingevolge de artikelen 4, lid 4.2.1, aanhef en onder b, 5, lid 5.2.1, aanhef en onder b, en 6, lid 6.2.1, onder b, gelden voor het bouwen van gebouwen voor de op de plankaart aangewezen gronden met de desbetreffende bestemmingen dat in afwijking van het bepaalde onder a op deze gronden nieuwe hulpgebouwen mogen worden gebouwd, waarbij de volgende bepalingen gelden:

1. de hulpgebouwen dienen noodzakelijk te zijn vanwege een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;

2. het aantal hulpgebouwen mag niet meer bedragen dan 1 per 1,5 ha agrarisch gebied aaneengesloten eigendom;

3. de oppervlakte per hulpgebouw mag niet meer bedragen dan 20 m²;

4. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;

5. het hulpgebouw moet worden voorzien van een zadeldak.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2, mogen op de gronden met de desbetreffende bestemmingen geen gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

Ingevolge de artikelen 4, lid 4.3.1, aanhef en onder a, 5, lid 5.4.1, aanhef en onder a, 6, lid 6.4.1, aanhef en onder a, en 7, lid 7.4, aanhef en onder a, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in de leden 4.2.1, 5.2.1, 6.2.1 en 7.2 voor het bouwen van (extra) agrarische hulpgebouwen, zoals melkstallen en schuilgelegenheden voor vee met een maximale oppervlakte van 20 m² per 1,5 ha en een goot- en bouwhoogte van niet meer dan 3 m, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

1. het gebouw dient noodzakelijk te zijn vanwege een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;

2. de in de doeleindenomschrijving aangegeven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.

2.8.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat de betreffende bepalingen mogelijk maken dat verspreid in het buitengebied bouwwerken en gebouwen worden opgericht, hetgeen leidt tot een verdergaande verstening en verrommeling. Het college streeft naar concentratie van bebouwing binnen bouwvlakken en ziet de noodzaak voor het verspreid oprichten van bouwwerken vanuit een doelmatige agrarische bedrijfsvoering niet in. Het provinciale belang bij het openhouden van het buitengebied en het opheffen van de verstoring van landschappelijke kwaliteiten wordt door de bepalingen geschaad.

2.8.3. Het gemeentebestuur stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Het betoogt daartoe dat hulpgebouwen slechts onder strikte voorwaarden zijn toegestaan. Door het reguleren van de mogelijkheid van hulpgebouwen, wordt verrommeling van het buitengebied juist voorkomen. Voorts betoogt het gemeentebestuur dat met de regeling rekening wordt gehouden met de ruimtelijke en functionele kwaliteiten van de verschillende gebieden.

2.8.4. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit volgens paragraaf 5.2.4 van de interimstructuurvisie gericht op zuinig ruimtegebruik door onder meer het tegengaan van verrommeling en onnodige verstening van het landelijke gebied. Uit de begripsbepaling over het begrip bouwblok in bijlage 1 bij de paraplunota kan voorts worden afgeleid dat volgens het beleid bebouwing ten behoeve van een bestemming in een bouwvlak diende te worden geconcentreerd.

2.8.5. De bestemmingsvlakken met de bestemmingen "Agrarisch (A)", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1 (AW-L1)", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 2 (AW-L2)" en "Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1 (AW-LN 1)" zijn niet voorzien van bouwvlakken. Hieruit volgt dat de planregels waarop de reactieve aanwijzing betrekking heeft in beginsel in strijd zijn met het ten tijde van het bestreden besluit geldende beleid, op grond waarvan het college, vooruitlopend op het vaststellen van de verordening, de reactieve aanwijzing heeft gegeven.

2.8.6. Het aan de aanwijzing ten grondslag liggende beleid is volgens het college thans vervat in het uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik dat is opgenomen in artikel 2.1. van de verordening.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, eerste volzin, van de verordening draagt een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, houdt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik in ieder geval in dat ingeval van vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken toestaat.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, is uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden.

In paragraaf 2.2 van de toelichting bij de verordening staat onder meer dat voor het opnemen van een zorgplicht in de verordening is gekozen om gemeenten de vrijheid te geven om zelf te bepalen op welke wijze zij het belang van ruimtelijke kwaliteit behartigen. De bepaling laat gemeenten dus gedragsalternatieven.

2.8.7. Gelet op de in de artikelen 4, lid 4.3.1, aanhef en onder a, 5, lid 5.4.1, aanhef en onder a, 6, lid 6.4.1, aanhef en onder a, en 7, lid 7.4, aanhef en onder a, van de planregels opgenomen voorwaarden en beperkingen kan het college niet worden gevolgd in het standpunt dat met deze bepalingen onvoldoende invulling wordt gegeven aan de zorgplicht uit artikel 2.1 van de verordening. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de bepalingen niet bij recht, maar bij ontheffing voorzien in de mogelijkheid om hulpgebouwen op te richten. Voorts wordt in aanmerking genomen dat het uitgangspunt van de verordening is dat het aan gemeenten is om in concrete gevallen vorm te geven aan de in artikel 2.1 opgenomen algemene zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit. Gelet hierop kan het college niet worden gevolgd in het standpunt dat de in de betreffende bepalingen opgenomen voorwaarden en beperkingen onvoldoende waarborgen bieden voor een zorgvuldig ruimtegebruik. Voor zover het college zich beroept op artikel 2.1, tweede lid, van de verordening, vormt dat geen grond voor een ander oordeel nu die bepaling een nadere invulling geeft aan artikel 2.1, eerste lid, van de verordening en uit het voorgaande voortvloeit dat de betreffende bepalingen niet in strijd zijn met artikel 2.1, eerste lid, van de verordening.

2.8.8. Zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen, is de reactieve aanwijzing gegeven om de provinciale belangen die een vertaling zouden krijgen in de verordening te waarborgen. Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de artikelen 4, lid 4.3.1, aanhef en onder a, 5, lid 5.4.1, aanhef en onder a, 6, lid 6.4.1, aanhef en onder a, en 7, lid 7.4, aanhef en onder a, van de planregels niet in strijd zijn met artikel 2.1, eerste lid, van de verordening, brengt dit mee dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd dat provinciale belangen door deze bepalingen onvoldoende worden gewaarborgd en het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot deze bepalingen noodzakelijk maken. Het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven betreffende de regeling met betrekking tot het toestaan van hulpgebouwen zoals opgenomen in de artikelen 4, lid 4.3.1, aanhef en onder a, 5, lid 5.4.1, aanhef en onder a, 6, lid 6.4.1, aanhef en onder a, en 7, lid 7.4, aanhef en onder a, van de planregels dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.8.9. Het standpunt van het college dat de artikelen 4, lid 4.2.1, aanhef en onder a, 5, lid 5.2.1, aanhef en onder a, en 6, lid 6.2.1, onder a, ten onrechte het oprichten van hulpgebouwen bij recht mogelijk maken, is niet onredelijk. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat voor het oprichten van hulpgebouwen een nader afwegingsmoment ontbreekt en derhalve dat de betreffende bepalingen onvoldoende waarborgen bieden. In zoverre kan de Afdeling het standpunt van het college volgen dat onvoldoende invulling wordt gegeven aan de zorgplicht uit artikel 2.1 van de verordening. Gelet hierop zijn de betreffende bepalingen in strijd met artikel 2.1, eerste lid, van de verordening.

2.8.10. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing voor de artikelen 4, lid 4.2.1, aanhef en onder a, 5, lid 5.2.1, aanhef en onder a, en 6, lid 6.2.1, onder a, kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. Het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre ongegrond.

2.8.11. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op de regeling met betrekking tot het toestaan van hulpgebouwen zoals opgenomen in de artikelen 4, lid 4.3.1, aanhef en onder a, 5, lid 5.4.1, aanhef en onder a, 6, lid 6.4.1, aanhef en onder a, en 7, lid 7.4, aanhef en onder a, van de planregels onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Kuilvoerplaten en/of mestzakken buiten het bouwvlak

2.9. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de artikelen 4, lid 4.3.1, onder c, 5, lid 5.4.1, onder b, 6, lid 6.4.1, onder b en 7, lid 7.4, onder b, van de planregels.

2.9.1. Ingevolge de artikelen 4, lid 4.3.1, aanhef en onder c, 5, lid 5.4.1, aanhef en onder b, en 6, lid 6.4.1, aanhef en onder b, en 7, lid 7.4, aanhef en onder b, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in de leden 4.2.1, 5.2.1, 6.2.1 en 7.2 voor het bouwen van kuilvoerplaten en/of mestzakken voor gronden met de bestemming onderscheidenlijk "Agrarisch (A)", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1 (AW-L 1)" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 2 (AW-L 2)", waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

1. het aanleggen van kuilvoerplaten en/of mestzakken dient noodzakelijk te zijn in het kader van de agrarische bedrijfsvoering;

2. situering van kuilvoerplaten en/of mestzakken binnen de bestemming "Bedrijf - Agrarisch (B-A)" is niet mogelijk;

3. kuilvoerplaten/mestzakken zijn uitsluitend toegestaan direct grenzend aan de bestemming "Bedrijf - Agrarisch (B-A)", bij voorkeur aan de achterzijde;

4. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 0,1 ha;

5. de voorziening moet zorgvuldig landschappelijk worden ingepast door de opstelling van een goed te keuren landschappelijk inpassingsplan.

2.9.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat de betreffende bepalingen mogelijk maken dat kuilvoerplaten en/of mestzakken buiten de agrarische bouwvlakken worden gerealiseerd. Het provinciale belang wordt hierdoor geschaad.

Ter zitting heeft het college toegelicht dat kuilvoerplaten en/of mestzakken geconcentreerd dienen te worden binnen het bouwvlak. Voor alle bouwvlakken geldt een maximale maatvoering die groot genoeg is om daar tevens kuilvoerplaten en/of mestzakken in te concentreren. Bovendien is er bij het bepalen van de oppervlakte van de bouwvlakken rekening mee gehouden dat voorzieningen als kuilvoerplaten en/of mestzakken in de bouwvlakken vallen.

2.9.3. Het gemeentebestuur stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Het betoogt daartoe dat de ontheffing voor kuilvoerplaten en/of mestzakken de uitbreiding van bouwvlakken voorkomt, omdat bij uitbreiding van het bouwvlak de nog onbebouwde plekken ook bebouwd kunnen worden. Volgens het gemeentebestuur wordt het provinciale belang - zo hier al sprake van is, nu de uitbreiding van bouwvlakken een lokaal thema is - door de regeling juist beter geborgd.

2.9.4. Zoals reeds overwogen in 2.8.4 was het provinciale beleid ten tijde van het nemen van het bestreden besluit volgens paragraaf 5.2.4 van de interimstructuurvisie gericht op het realiseren van zuinig ruimtegebruik door onder meer het tegengaan van verrommeling en onnodige verstening van het landelijke gebied. Uit de begripsbepaling voor het begrip bouwblok in bijlage 1 bij de paraplunota kan voorts worden afgeleid dat volgens het beleid bebouwing ten behoeve van een bestemming in een bouwvlak diende te worden geconcentreerd.

2.9.5. De bestemmingsvlakken met de bestemmingen "Agrarisch (A)", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1 (AW-L 1)" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 2 (AW-L 2)" zijn niet voorzien van bouwvlakken. Hieruit volgt dat de planregels waarop de reactieve aanwijzing betrekking heeft in beginsel in strijd zijn met het ten tijde van het bestreden besluit geldende beleid, op grond waarvan het college, vooruitlopend op het vaststellen van de verordening, de reactieve aanwijzing heeft gegeven.

2.9.6. Het aan de aanwijzing ten grondslag liggende beleid is volgens het college thans vervat in het uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik dat is opgenomen in artikel 2.1 van de verordening, zoals reeds overwogen in 2.8.6. Dit uitgangspunt is voor de bebouwing binnen het bouwblok verder uitgewerkt in de artikelen 6.4 en 8.3 van de verordening.

In artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder d, is bepaald, voor zover hier van belang, dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok.

In artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder d, is bepaald, voor zover hier van belang, dat een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok.

In de toelichting bij hoofdstuk 6 van de verordening staat dat de groenblauwe mantel overwegend bestaat uit grondgebonden agrarisch gebied, met belangrijke nevenfuncties voor natuur, water en (niet-bezoekersintensieve) recreatie. Binnen de groenblauwe mantel zijn de zogenaamde beheersgebieden van de ecologische hoofdstructuur opgenomen. Dit zijn de door het college begrensde gebieden in de ecologische hoofdstructuur, waaronder de GHS en de AHS. In de toelichting bij artikel 6.4, eerste lid, wordt verweven naar de toelichting bij artikel 8.3. In de toelichting bij artikel 8.3, eerste lid, staat dat gebouwen en permanente voorzieningen op het bouwblok geconcentreerd moeten worden.

2.9.7. De bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1 (AW-L 1)" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 2 (AW-L 2)" verhouden zich tot het provinciale beleid als onderscheidenlijk AHS-landbouw en AHS-landschap. Voorts is van belang dat kuilvoerplaten en/of mestzakken voorzieningen zijn ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, al dan niet tijdelijk in gebruik, en deze bij het bouwvlak horen.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de betreffende bepalingen in strijd zijn met het destijds geldende beleid en tevens in strijd zijn met de inmiddels vastgestelde algemene regels. Daarbij heeft het college mede van belang kunnen achten dat bouwblokken van maximaal 2 ha groot genoeg zijn om daar kuilvoerplaten en/of mestzakken in te concentreren.

2.9.8. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.9.9. In hetgeen het gemeentebestuur heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre ongegrond.

Vormverandering bouwvlakken van intensieve veehouderijen

2.10. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de artikelen 4, lid 4.6.2, 5, lid 5.7.2, 6, lid 6.7.2, 7, lid 7.5.1 en 10, lid 10.6.1, van de planregels.

2.10.1. De artikelen 4, 5, 6, 7 en 10 van de planregels hebben betrekking op onderscheidenlijk de bestemmingen "Agrarisch (A)", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1 (AW-L 1)", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 2 (AW-L 2)", "Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1 (AW-LN 1)" en "Bedrijf - Agrarisch (B-A)".

Op grond van de artikelen 4, lid 4.6.2, 5, lid 5.7.2, 6, lid 6.7.2, 7, lid 7.5.1 en 10, lid 10.6.1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de desbetreffende bestemming te wijzigen ten behoeve van de vormverandering van het bestemmingsvlak "Bedrijf - Agrarisch (B-A)", waarbij onder meer moet worden voldaan aan de voorwaarde dat de totale oppervlakte van het bestemmingsvlak niet mag worden vergroot en de voorwaarde dat de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig mogen worden aangetast.

2.10.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat de mogelijkheid om een bouwvlak voor een intensieve veehouderij in extensiveringsgebied van vorm te laten veranderen in strijd is met de correctieve herziening van het reconstructieplan Beerze-Reusel en de verordening.

2.10.3. Het gemeentebestuur stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Het betoogt dat vormverandering van het bouwvlak niet is bedoeld om uit te breiden. Voorts stelt het gemeentebestuur dat vormverandering van bouwvlakken kan leiden tot een verbetering van de milieutechnische situatie.

2.10.4. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het provinciaal belang zich in verwevings- en landbouwontwikkelingsgebied niet verzet tegen vormverandering van bouwblokken voor intensieve veehouderijen, maar dat het niet mogelijk was om het aanwijzingsbesluit te beperken tot extensiveringsgebieden, omdat in de betreffende bepalingen waar de reactieve aanwijzing voor is gegeven geen onderscheid wordt gemaakt in verwevings-, landbouwontwikkelings- en extensiveringsgebied. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

2.10.5. In de concentratiegebieden - als bedoeld in bijlage B bij de Wet herstructurering varkenshouderij - vindt ingevolge artikel 4 van de Reconstructiewet concentratiegebieden (hierna: Rwc) ter bevordering van een goede ruimtelijke structuur van de concentratiegebieden, in het bijzonder met betrekking tot landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, alsmede ter verbetering van een goed woon-, werk- en leefklimaat en van de economische structuur, een reconstructie plaats.

Ingevolge artikel 1 van de Rwc wordt onder een extensiveringsgebied verstaan een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt.

Het beleid voor extensiveringsgebieden is opgenomen in deel B in paragraaf 11.6.1 van het reconstructieplan en in de correctieve herziening daarvan op pagina 9. Hierin is bepaald dat vormverandering van een bouwkavel voor de intensieve veehouderij wordt aangemerkt als uitbreiding en dat dit in extensiveringsgebieden niet is toegestaan. Daarbij is het algemene voorbehoud gemaakt dat de beleidsuitgangspunten voor extensiveringsgebieden worden gehanteerd behoudens voor zover er overwegende bezwaren bestaan vanuit ruimtelijke-, landschappelijke-, maatschappelijke- en/of milieuhygiënische optiek.

2.10.6. Uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat met de Rwc en het provinciale beleid inzake de ontwikkelingsmogelijkheden voor intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden wordt beoogd om de milieubelasting van intensieve veehouderijen op kwetsbare gebieden te doen afnemen en om het aantal stankgehinderden in steden en dorpen, niet-agrarische lintbebouwing, bebouwingsclusters en andere grote stankgevoelige objecten te doen verminderen.

Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in 2.9.5.2 in de uitspraak van 15 april 2011, zaak nr. 200902874/1/R3 acht de Afdeling de wijzigingsbevoegdheden die zijn opgenomen in de artikelen 4, lid 4.6.2, 5, lid 5.7.2, 6, lid 6.7.2, 7, lid 7.5.1 en 10, lid 10.6.1, van de planregels niet met deze doelstellingen in strijd, nu daarin onder meer is bepaald dat de totale oppervlakte van het bestemmingsvlak niet mag worden vergroot en de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig mogen worden aangetast.

Gelet hierop is de Afdeling ook in het onderhavige geval van oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het provinciaal belang ter zake van de reconstructiedoelen in de extensiveringsgebieden het geven van een reactieve aanwijzing ten aanzien van de genoemde wijzigingsbevoegdheden met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maakt. Er kunnen zich immers situaties voordoen waarbij de bestaande bouwmogelijkheden binnen een bouwkavel van een intensieve veehouderij uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn en de door de ondernemer gewenste vormverandering per saldo geen negatieve invloed heeft op de aspecten die bij de integrale afweging op grond van artikel 4 van de Rwc moeten worden betrokken. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat met de voorwaarden, zoals hiervoor onder 2.10.1 weergegeven, waaraan de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden is onderworpen, in onvoldoende mate is gewaarborgd dat de reconstructiedoelen in de extensiveringsgebieden niet worden doorkruist. Voorts is nog van belang dat tegen de toepassing van een van de wijzigingsbevoegdheden in het concrete geval voor het college rechtsmiddelen openstaan.

De Afdeling merkt daarbij overigens nog op dat het bestemmingsplan is vastgesteld op een moment dat de verordening in voorbereiding was, zodat geen algemene regel gold waarmee het bestemmingsplan niet in strijd mag zijn. Derhalve dient het beleid waarop het college zich heeft gebaseerd bij het geven van de reactieve aanwijzing een afdoende basis te bieden. Niet uitgesloten is dat een hier nog niet aan de orde zijnd geval, waarin een bestemmingsplan rechtstreeks getoetst moet worden aan een algemene regel in de verordening, tot een ander oordeel leidt, gelet op de omstandigheid dat een dergelijke regel een door provinciale staten vastgesteld algemeen verbindend voorschrift betreft.

2.10.7. Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. Het beroep van het gemeentebestuur is op dit punt gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de artikelen 4, lid 4.6.2, 5, lid 5.7.2, 6, lid 6.7.2, 7, lid 7.5.1 en 10, lid 10.6.1, van de planregels, dient te worden vernietigd.

2.10.8. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op de artikelen 4, lid 4.6.2, 5, lid 5.7.2, 6, lid 6.7.2, 7, lid 7.5.1 en 10, lid 10.6.1, van de planregels, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Bijbehorende voorzieningen

2.11. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de zinsnede "met bijbehorende voorzieningen" in de artikelen 7, lid 7.1, onder a en 8, lid 8.1, onder a, van de planregels.

2.11.1. De artikelen 7 en 8 van de planregels hebben betrekking op de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1 (AW-LN 1)" en "Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 2 (AW-LN 2)". Op grond van de artikelen 7, lid 7.1, aanhef en onder a en 8, lid 8.1, aanhef en onder a, zijn de gronden met de betreffende bestemmingen bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen.

2.11.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat in de desbetreffende planregels een afweging van de oprichting van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak ten opzichte van de omliggende gebiedskwaliteiten ontbreekt. Volgens het college blijkt uit de desbetreffende planregels niet dat deze voorzieningen alleen zijn toegestaan binnen de bouwvlakken, omdat de desbetreffende bestemmingen zijn gericht op agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen. Nu het provinciale beleid erop is gericht om geen teeltondersteunende voorzieningen toe te laten in de GHS, acht het college het plan in zoverre in strijd met het provinciale belang. Voorts is er strijd met de verordening waarin is geregeld dat dergelijke voorzieningen dienen te worden geconcentreerd in een bouwblok.

2.11.3. Het gemeentebestuur stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Het betoogt dat het provinciale beleid is doorvertaald in het bestemmingsplan door daarin voor de percelen in de GHS geen ontheffingsbevoegdheid voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en geen wijzigingsbevoegdheid voor permanente teeltondersteunende voorzieningen op te nemen. Bijbehorende voorzieningen zijn volgens het gemeentebestuur een stroomvoorziening, weidepomp of regenpomp, maar geen teeltondersteunende voorzieningen.

2.11.4. Het college heeft ter zitting aangegeven dat bijbehorende voorzieningen niet worden gedefinieerd in de begripsbepalingen en dat hij daarom vreest dat de definitie van teeltondersteunende voorzieningen, die wel is opgenomen in de begripsbepalingen, zal worden geïnterpreteerd alsof daaronder ook bijbehorende voorzieningen vallen. Voorts heeft het college aangegeven dat als onder bijbehorende voorzieningen een stroomvoorziening, weidepomp of regenpomp valt, hij kan instemmen met de betreffende bepalingen.

2.11.5. In de begripsbepaling van het plan in artikel 1, onder 84, van de planregels staat een definitie voor (teelt)ondersteunende voorzieningen. Hieruit volgt dat daar geen bijbehorende voorzieningen onder vallen, zoals een stroomvoorziening, weidepomp of regenpomp. Uit het plan volgt verder dat de artikelen 4, 5 en 6 bepalingen bevatten over ontheffings- en wijzigingsbevoegdheden voor (teelt)ondersteunende voorzieningen. De artikelen 7 en 8 bevatten geen bepalingen voor dergelijke bevoegdheden ten aanzien van (teelt)ondersteunende voorzieningen. Voorts is van belang dat het gemeentebestuur ter zitting heeft bevestigd dat bijbehorende voorzieningen geen teeltondersteunende voorzieningen zijn.

Gelet op de plansystematiek en het standpunt van het gemeentebestuur bestaat er naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor de vrees van het college dat met bijbehorende voorzieningen in de betreffende bepalingen tevens teeltondersteunende voorzieningen worden bedoeld.

2.11.6. Zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen, is de reactieve aanwijzing gegeven om de provinciale belangen die een vertaling zouden krijgen in de verordening te waarborgen. Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de zinsnede "met bijbehorende voorzieningen" in de artikelen 7, lid 7.1, onder a en 8, lid 8.1, onder a, van de planregels niet in strijd is met de verordening, brengt dit mee dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd dat provinciale belangen door deze bepalingen onvoldoende worden gewaarborgd en het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot deze bepalingen noodzakelijk maken. Het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven betreffende de zinsnede "met bijbehorende voorzieningen" in de artikelen 7, lid 7.1, onder a en 8, lid 8.1, onder a, van de planregels dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

2.11.7. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op de zinsnede "met bijbehorende voorzieningen" in de artikelen 7, lid 7.1, onder a en 8, lid 8.1, onder a, van de planregels, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Het perceel [locatie 4] te Reusel

2.12. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf - Agrarisch" als uitbreiding van het bouwvlak aan [locatie 4].

2.12.1. In het plan is aan het perceel de bestemming "Bedrijf - Agrarisch" toegekend met de aanduidingen "twee bedrijfswoningen" en "intensieve veehouderij". Het bestemmingsvlak is tevens het bouwvlak.

2.12.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel ten grondslag gelegd dat niet vaststaat of sprake is van een duurzame locatie. Hierdoor worden mogelijk de provinciale belangen geschaad.

2.12.3. [appellant sub 3], exploitant van een intensieve veehouderij op het perceel, en het gemeentebestuur stellen dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij voeren aan dat het college het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Zij stellen dat de uitbreiding van het bouwvlak noodzakelijk is in verband met technische voorzieningen en de aanleg van sleufsilo's ten behoeve van het bestaande bedrijf. Hierover is een positief advies uitgebracht door de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB). De uitbreiding strekt nadrukkelijk niet tot een vergroting van de productie of een toename van gebouwen binnen het bouwvlak. De vrees van het college dat de uitbreiding van het bouwvlak in de toekomst kan leiden tot een toename van gebouwen of dat de uitbreiding wordt gebruikt voor gebouwen die niet ten dienste staan van de intensieve veehouderij is onterecht. Daarvoor moet eerst de noodzaak worden aangetoond en moet een advies worden uitgebracht door de AAB. [appellant sub 3] en het gemeentebestuur voeren voorts aan dat de uitbreiding van het bouwvlak past binnen het ter zake geldende beleid.

2.12.4. Volgens paragraaf 11.6.1, onder b, van het reconstructieplan en pagina 10 van de correctieve herziening, voor zover hier van belang, worden bouwrechten van intensieve veehouderijen in verwevingsgebieden die zijn gebaseerd op het streekplan 1992 en 2002 gerespecteerd. Deze bouwrechten zijn vervat in een daarop gebaseerd bouwblok. Bestaande intensieve veehouderijen waarvan de bouwrechten zijn vastgelegd in een bestemmingsplan dat niet is gebaseerd op het streekplan van 1992 en 2002 krijgen een beoordeling volgens "bouwblok op maat", zoals uiteengezet in bijlage 5 bij het reconstructieplan. Indien sprake is van een duurzame locatie kan met toepassing van de handleiding in bijlage 5 een bouwblok van maximaal 2,5 hectare worden toegekend.

Volgens de begripsbepaling in paragraaf 11.6.1 van het reconstructieplan wordt onder een bestemmingsplan, gebaseerd op het streekplan van 1992 en 2002, verstaan een bestemmings- of wijzigingsplan waarin directe bouwrechten zijn vastgelegd en waarover het college een besluit omtrent goedkeuring van dat plan heeft genomen na 17 juli 1992 en voor 22 april 2005.

Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de verordening bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied dat bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha mogen uitbreiden op een duurzame locatie.

2.12.5. Vast staat dat het betreffende perceel in verwevingsgebied ligt. Het college heeft bij besluit van 1 september 2009 goedkeuring onthouden aan het op het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" gebaseerde wijzigingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied '98, 25e wijziging", zodat geen sprake is van te respecteren rechten als bedoeld in paragraaf 11.6.1, onder b, van het reconstructieplan. Voorts staat vast dat ten behoeve van het wijzigingsplan geen duurzaamheidstoets was uitgevoerd. Gelet hierop heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre in strijd is met het in paragraaf 11.6.1, onder b, van het reconstructieplan opgenomen beleid. Dat voor de intensieve veehouderij wel een duurzaamheidstoets is verricht, zoals [appellant sub 3] ter zitting heeft gesteld, is niet aannemelijk gemaakt.

De betogen van [appellant sub 3] en het gemeentebestuur dat uitbreiding van het betreffende perceel noodzakelijk is en dat de uitbreiding niet strekt tot een vergroting van de productie of een toename van gebouwen binnen het bouwvlak doen hieraan niet af.

Voorts is niet in geschil dat het in het plan opgenomen bouwvlak voor het perceel [locatie 4] groter is dan 2 ha en groter is dan het bouwvlak voor het betreffende perceel dat is opgenomen in het voorheen geldende bestemmingsplan. Derhalve voorziet het plan voor het perceel [locatie 4] in een uitbreiding die groter is dan 1,5 ha als bedoeld in artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de verordening.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regel, als bedoeld in artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de verordening.

2.12.6. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.12.7. In hetgeen [appellant sub 3] en het gemeentebestuur hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Het beroep van [appellant sub 3] is geheel en het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre ongegrond.

Nevenfuncties en vrijkomende bedrijfsbebouwing

2.13. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot artikel 10, lid 10.5.1, onder b, derde gedachtenstreepje en artikel 10, lid 10.6.7, van de planregels.

2.13.1. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de op de plankaart voor "Bedrijf - Agrarisch (B-A)" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 10, lid 10.5.1, aanhef en onder b, derde gedachtenstreepje, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 10.1, onder a, voor nevenfuncties, onder de voorwaarde dat voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten een agrarisch technisch hulpbedrijf met een maximum van 400 m² is toegestaan.

Ingevolge artikel 10, lid 10.6.7, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Bedrijf - Agrarisch (B-A)" te wijzigen in de bestemming "Bedrijf (B)" ten behoeve van het vestigen van agrarisch technische hulpbedrijven en/of agrarisch verwante bedrijven, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. de vestiging is niet toegestaan op locaties grenzend aan de bestemming "Bos (B)" en/of "Natuur (N)" en/of "Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 2 (AW-LN2)";

b. hergebruik van de gronden ten behoeve van agrarische doeleinden redelijkerwijs niet langer mogelijk is;

c. het bestemmingsvlak mag niet worden vergroot;

d. er zijn uitsluitend bedrijven in categorie 1 en 2 conform de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage bij deze regels) toegestaan;

e. de oppervlakte aan bedrijvigheid per vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie mag niet worden vergroot;

f. op een locatie waarmee met toepassing van de Ruimte voor Ruimte regeling reeds gebouwen zijn gesloopt, mag geen nieuwe bebouwing worden gebouwd;

g. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;

h. buitenopslag is niet toegestaan.

2.13.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat nevenfuncties en vervolgfuncties in de vorm van een agrarisch technisch hulpbedrijf of agrarisch verwante functies niet passend zijn binnen de GHS. Het college is van mening dat de GHS gevrijwaard moet blijven van intensievere vormen van bedrijfsactiviteiten. Gelet hierop acht het college de desbetreffende planregels in zoverre in strijd met het provinciale belang.

2.13.3. Het gemeentebestuur stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Het betoogt dat de nevenfunctie zoals neergelegd in artikel 10, lid 10.5.1, onder b, derde gedachtenstreepje, niet in strijd is met het provinciale belang, omdat bestaande agrarische bedrijven ook semi-agrarische activiteiten zoals loonwerk kunnen ontplooien. Ten aanzien van de vervolgfunctie in artikel 10, lid 10.6.7, stelt het gemeentebestuur dat dit alleen geldt voor de GHS-landbouw en niet voor de GHS-natuur.

2.13.4. In het provinciale beleid, dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was neergelegd in de paraplunota, staat dat agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven zich kunnen vestigen op een voormalige agrarische bedrijfslocatie in het buitengebied, maar niet op locaties waarvan de agrarische bestemming kan worden gehandhaafd voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven en niet op locaties waar sloop van bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de regeling ruimte-voor-ruimte. Voorwaarde voor vestiging is dat het agrarisch-technische hulpbedrijf of een agrarisch verwant bedrijf passend is in de omgeving. Dit betekent volgens de paraplunota dat de GHS in elk geval gevrijwaard dient te blijven van een dergelijke vestiging. Daarnaast mag het betreffende bedrijf in beginsel niet meer ruimte in beslag nemen dan het voormalige agrarische bouwblok. Voorts is buitenopslag niet toegestaan, tenzij dat noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf.

In artikel 11.6, eerste lid, van de verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, kan voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, mits:

a. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5000 m²;

b. is verzekerd dat overtollig bebouwing wordt gesloopt;

c. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger;

d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven;

e. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een al dan niet zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie;

f. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200 m²;

g. de inrichting van het bestemmingsvlak een gunstige verhouding tussen bruto en netto ruimtebeslag bevordert;

h. er sprake is van een bebouwingspercentage en bouwhoogte welke passend zijn bij de aard van de omgeving en de beoogde ontwikkeling.

2.13.5. In de verordening wordt de GHS groenblauwe mantel genoemd. Uit het bepaalde in de verordening kan worden afgeleid dat een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling onder bepaalde voorwaarden is toegestaan in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw.

Hoewel de verordening op dit punt minder streng is ten opzichte van het beleid in de paraplunota, omdat volgens de verordening ook in de groenblauwe mantel kan worden voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, terwijl het uitgangspunt van het beleid in de paraplunota is dat de GHS gevrijwaard dient te blijven van een dergelijke vestiging, zijn de betreffende planregels niettemin in strijd met artikel 11.6, eerste lid, van de verordening. Hierbij is van belang dat de betreffende bepalingen zijn gekoppeld aan de bestemming "Bedrijf - Agrarisch (B-A)" en daarin geen onderscheid wordt gemaakt in verschillende gebieden. Voorts is van belang dat de voorwaarden voor de ontheffingsbevoegdheid niet aansluiten op de voorwaarden uit artikel 11.6, eerste lid, van de verordening, waardoor de betreffende bepalingen onvoldoende waarborgen bieden.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regel, als bedoeld in artikel 11.6, eerste lid, van de verordening.

2.13.6. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.13.7. In hetgeen het gemeentebestuur heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Begrenzing GHS

2.14. Het college heeft een viertal reactieve aanwijzingen gegeven die betrekking hebben op de begrenzing van de GHS/AHS op de verbeelding. Uit pagina 6/9 van het aanwijzingsbesluit blijkt dat het buitengebied is gezoneerd, teneinde de hoofdfuncties landbouw, natuur en recreatie ieder voor zich en in onderling verband maximaal tot hun recht te laten komen. Het provinciale belang is gericht op het behoud en de ontwikkeling van biodiversiteit. Het college acht het in dit verband noodzakelijk om de provinciale natuurwaarden te beschermen. Zo is het college gebleken dat het bestemmingsplan met betrekking tot de begrenzing GHS/AHS op een aantal onderdelen niet voldoende is vormgegeven.

2.15. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1 (AW-L 1)" voor een gedeelte van het natuurgebied gelegen ten oosten van de Dunsedijk aan de noordoostkant van de gemeente.

2.15.1. In het plan is aan het betreffende perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1 (AW-L 1)" toegekend, op basis waarvan de gronden onder meer zijn bestemd voor agrarische doeleinden, behoud van bestaande (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, extensief recreatief medegebruik en behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden in het algemeen en in het bijzonder voor de op de plankaart aangeduide bijzondere landschappelijke waarden "cultuurhistorisch waardevol gebied", "landschappelijke openheid" en "landschappelijke beslotenheid".

Aan het betreffende perceel is tevens de dubbelbestemming "Natte natuurparel kern" toegekend. Ingevolge artikel 34, lid 34.1, van de planregels zijn de als zodanig aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische waarden in de kern van de natte natuurparel.

2.15.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat het desbetreffende perceel op basis van het provinciale beleid binnen de GHS-natuur (natuurparel) ligt. De dubbelbestemming "Natte natuurparel kern" regelt alleen de bescherming van hydrologische waarden, maar niet van natuurwaarden. Een bestemming gericht op behoud en ontwikkeling van natuurwaarden is hier volgens het college noodzakelijk.

2.15.3. Het gemeentebestuur stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Voor de begrenzing van de natuurparel is gebruik gemaakt van de provinciale gegevens. Daarbij is tevens gekeken naar de actuele natuur- en/of landschapswaarden. De natuurparel is volgens het gemeentebestuur opgenomen in een dubbelbestemming.

2.15.4. In het provinciale beleid, dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was neergelegd in de interimstructuurvisie en de paraplunota, staat dat de planologische begrenzing van de EHS op provinciaal niveau heeft plaatsgevonden door aanduiding van de GHS-natuur. De hoofdzonering is verder uitgewerkt in diverse subzones. De GHS-natuur omvat de subzones (natte) natuurparel en overig bos- en natuurgebied. Dit zijn bos- en natuurgebieden die bijzondere natuurwaarden hebben vanwege specifieke omstandigheden van de bodem of het (grond)water. Natuurparels bestaan ook uit overige bos- en natuurgebieden en voor een klein gedeelte uit landbouwgebieden, die deze bijzondere natuurwaarden (nog) niet hebben, maar waarvoor deze waarden - overeenkomstig de Natuurgebiedsplannen en het beheersgebiedsplan voor de EHS - wel worden nagestreefd. In de natuurparels moet volgens de paraplunota worden gezorgd voor maximale rust en ruimte voor de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden.

Ten aanzien van de externe bescherming in de GHS en de natuurparels geldt het 'nee-principe'. Uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag is hier uitgesloten, afgezien van de aanleg en de (fysieke) aanpassing van niet-recreatieve infrastructuur, waarvoor het 'nee, tenzij-principe' geldt. Buiten de GHS en de natuurparels geldt het 'nee, tenzij-principe'. Uitbreiding van stedelijk ruimtebeslag is alleen toelaatbaar als daar zwaarwegende maatschappelijke belangen aan ten grondslag liggen, en pas nadat een onderzoek heeft aangetoond dat er geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten de GHS, of andere oplossingen waardoor de aantasting van de natuur wordt voorkomen.

Hoofdstuk 4 van de verordening gaat over de ecologische hoofdstructuur. In artikel 4.1 is bepaald hoe EHS-gebieden worden aangewezen en begrensd. Artikel 4.2, eerste lid, bepaalt dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de ecologische hoofdstructuur:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;

b. regels stelt ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken.

2.15.5. Uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat in de EHS de ecologische waarden en kenmerken van dergelijke gebieden beschermd dienen te worden door middel van het stellen van regels. Dit houdt in dat moet worden voorzien in bescherming van de hydrologische en de natuurwaarden. Het betreffende perceel is in de paraplunota aangewezen als GHS en is in de verordening aangewezen als EHS.

Nu blijkt dat op het betreffende perceel enkel de hydrologische waarden worden beschermd, heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de natuurwaarden ten onrechte niet worden beschermd. Het bestemmingsplan is in zoverre in strijd met het destijds geldende provinciale beleid en tevens in strijd met de inmiddels vastgestelde algemene regel, als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de verordening.

2.15.6. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.15.7. In hetgeen het gemeentebestuur heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.16. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de bestemming "Agrarisch (A)" voor een gedeelte van een perceel aan de Scheperweijer (ter hoogte van nr. 3).

2.16.1. In het plan is aan het betreffende perceel de bestemming "Agrarisch (A)" toegekend, op basis waarvan de gronden onder meer zijn bestemd voor agrarische doeleinden, behoud van bestaande (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en extensief recreatief medegebruik.

Aan het betreffende perceel is tevens de dubbelbestemming "Natte natuurparel buffer" toegekend. Ingevolge artikel 33, lid 33.1, van de planregels zijn de als zodanig aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische waarden van de bufferzone rondom de natte natuurparel.

2.16.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat het desbetreffende perceel op basis van het provinciale beleid is aangewezen als GHS-natuur. De dubbelbestemming "natte natuurparel buffer", regelt alleen de hydrologische waarden, maar niet de natuurwaarden. Een bestemming gericht op behoud en ontwikkeling van natuurwaarden is hier volgens het college noodzakelijk.

2.16.3. Het gemeentebestuur stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Het gaat om een bosperceel dat is gerooid omdat op die wijze een verbinding kon worden gerealiseerd waarvan de waarde hoger wordt geacht dan de waarde van het bestaande bosje. Het bosje is elders gecompenseerd.

2.16.4. Tussen partijen is niet in geschil dat het betreffende perceel in de paraplunota is aangewezen als GHS en in de verordening is aangewezen als EHS. In de GHS/EHS dient niet alleen aan de hydrologische waarden bescherming toe te komen, maar ook aan de natuurwaarden. Ter zitting is naar voren gekomen dat het betreffende perceel is gerooid en dat er compensatie heeft plaatsgevonden op een andere plek in het plangebied, maar dat de compensatiegronden abusievelijk niet als zodanig zijn bestemd. Voor zover het gemeentebestuur zich op het standpunt stelt dat er compensatie heeft plaatsgevonden, is van belang dat hieraan voorwaarden zijn verbonden. Niet is gebleken dat daaraan bij dit bestemmingsplan is voldaan.

Nu blijkt dat het betreffende perceel is gerooid en daaraan de dubbelbestemming "Natte natuurparel buffer" is toegekend, maar het perceel nog steeds in de EHS ligt, komt aan het betreffende perceel, gelet op hetgeen is overwogen onder 2.15.5, onvoldoende bescherming toe. Voorts blijkt dat er weliswaar compensatie heeft plaatsgevonden, maar dat de compensatiegronden, die in het plangebied liggen, niet als zodanig zijn bestemd, zodat daaraan geen betekenis toekomt. Gelet hierop is het bestemmingsplan in zoverre in strijd met het destijds geldende provinciale beleid en tevens in strijd met de inmiddels vastgestelde algemene regel, als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de verordening.

2.16.5. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.16.6. In hetgeen het gemeentebestuur heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.17. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de bestemming "Agrarisch (A)" voor een gedeelte van een perceel gelegen in de zuidoosthoek van de verbeelding (gemeentebossen Reusel).

2.17.1. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat het desbetreffende perceel op basis van het provinciale beleid is aangewezen als GHS-natuur. Een bestemming gericht op behoud en ontwikkeling van natuurlijke waarden is hier volgens het college noodzakelijk.

2.17.2. Het gemeentebestuur stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Het betoogt daartoe dat de bestemming van het desbetreffende perceel is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.

2.17.3. Ter zitting is vast komen te staan dat het betreffende perceel in de paraplunota is aangewezen als GHS en in de verordening is aangewezen als EHS. Gelet hierop dienen de ecologische waarden en kenmerken beschermd te worden. Nu bij de bestemming "Agrarisch (A)" een dergelijke bescherming ontbreekt, heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de natuurwaarden ten onrechte niet worden beschermd. Het bestemmingsplan is in zoverre in strijd met het destijds geldende provinciale beleid en tevens in strijd met de inmiddels vastgestelde algemene regel, als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de verordening.

2.17.4. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.17.5. In de door het gemeentebestuur aangevoerde omstandigheid dat het betreffende perceel in gebruik is als landbouwgrond ziet de Afdeling geen aanleiding dat dit zou moeten leiden tot het oordeel dat het college in zoverre niet aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden en om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het betreffende perceel, omdat het niet onmogelijk is de landbouwgrond om te zetten in grond waarbij de natuurlijke waarden worden beschermd.

2.17.6. In hetgeen het gemeentebestuur heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.18. Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot de bestemming "Recreatie -dagrecreatie (R-DR)" voor een gedeelte van een perceel gelegen ten noorden van de Voorste Heikant.

2.18.1. In het plan is aan het betreffende perceel de bestemming "Recreatie -dagrecreatie (R-DR)" toegekend, op basis waarvan de als zodanig op de plankaart aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsmatige exploitatie van de dagrecreatieve voorzieningen met daarbij behorende voorzieningen zoals aangegeven in de "Tabel Dagrecreatie", paden en wegen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

2.18.2. Het college heeft aan de reactieve aanwijzing ten grondslag gelegd dat het desbetreffende gedeelte van het perceel in omvang groter is geworden ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Voorts ligt het betreffende gedeelte van het perceel binnen de GHS/EHS (overig natuurgebied). Het college acht het strijdig met de provinciale belangen dat in het plan niet wordt ingegaan op de aantasting van de EHS, alternatieven en compensatie.

2.18.3. Het gemeentebestuur stelt dat de reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Het betoogt daartoe dat de begrenzing van het hondensportterrein is afgestemd op de feitelijke situatie, omdat deze in het vigerende plan te klein is.

2.18.4. Tussen partijen is niet in geschil dat het betreffende perceel in de paraplunota is aangewezen als GHS en in de verordening is aangewezen als EHS. Gelet hierop dienen de ecologische waarden en kenmerken beschermd te worden. Voorts is ter zitting vast komen te staan dat het betreffende perceel in de afgelopen jaren groter is geworden. Volgens het provinciale beleid en de verordening hadden deze gronden gecompenseerd moeten worden.

Nu bij de bestemming "Recreatie -dagrecreatie (R-DR)" de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken ontbreekt en niet is gebleken dat de vergroting van het perceel ergens anders is gecompenseerd, heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de natuurwaarden ten onrechte niet worden beschermd en dat er ten onrechte geen compensatie heeft plaatsgevonden. Het bestemmingsplan is in zoverre in strijd met het destijds geldende provinciale beleid en tevens in strijd met de inmiddels vastgestelde algemene regels.

2.18.5. Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro.

2.18.6. In hetgeen het gemeentebestuur heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Proceskosten

2.19. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Van door het gemeentebestuur gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Wat betreft [appellant sub 3] en [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] geheel en het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 27 oktober 2009, no. 1590095/1596551, voor zover daarbij ten aanzien van het op 22 september 2009 door de gemeenteraad van Reusel-De Mierden vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2009" een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot:

- het toekennen van de bestemming "Wonen (W)" aan het perceel Beekakkersweg 3a te Lage Mierde,

- de regeling met betrekking tot het toestaan van hulpgebouwen zoals opgenomen in de artikelen 4, lid 4.3.1, aanhef en onder a, 5, lid 5.4.1, aanhef en onder a, 6, lid 6.4.1, aanhef en onder a, en 7, lid 7.4, aanhef en onder a, van de planregels,

- de artikelen 4, lid 4.6.2, 5, lid 5.7.2, 6, lid 6.7.2, 7, lid 7.5.1 en 10, lid 10.6.1, van de planregels;

- de zinsnede "met bijbehorende voorzieningen" in de artikelen 7, lid 7.1, onder a, en 8, lid 8.1, onder a, van de planregels;

III. verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden voor het overige, het beroep van [appellant sub 3] en het beroep van [appellant sub 4 A] en [appellant sub 4 B] geheel ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 906,91 (zegge: negenhonderdzes euro en eenennegentig cent), waarvan € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: hondervijftig euro) voor [appellant sub 1] en € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011

350-662.