Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7095

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
201102109/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2006 heeft het Faunafonds de bij [appellant sub 1] opgekomen schade aan percelen biologische zomergerst toegebracht door edel- en damherten vergoed tot een bedrag van € 1195,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201102109/1/H3.

Datum uitspraak: 7 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Apeldoorn,

2. het bestuur van het Faunafonds,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 januari 2011 in zaak nr. 09/232 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het Faunafonds.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2006 heeft het Faunafonds de bij [appellant sub 1] opgekomen schade aan percelen biologische zomergerst toegebracht door edel- en damherten vergoed tot een bedrag van € 1195,00.

Bij besluit van 11 november 2008 heeft het Faunafonds het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het Faunafonds aan [appellant sub 1] een tegemoetkoming dient te verstrekken van € 6863,51 en bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2011, en het Faunafonds bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2011, hoger beroep ingesteld. Het Faunafonds heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 17 maart 2011.

[appellant sub 1] en het Faunafonds hebben een verweerschrift ingediend.

Het Faunafonds heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. W.P.N. Remie, advocaat te Tilburg, en het Faunafonds, vertegenwoordigd door mr. J.C.Q. Bult en H.G. Engberink, beiden werkzaam bij het Faunafonds, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Flora- en faunawet, voor zover thans van belang, worden alle van nature in Nederland voorkomende soorten zoogdieren als beschermde inheemse diersoort aangemerkt.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, is er een Faunafonds, dat het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren, behorende tot beschermde inheemse diersoorten, tot taak heeft.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

Volgens artikel 5, eerste lid, van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (hierna: de Regeling) wordt de hoogte van de door een of meer beschermde diersoorten aangerichte schade, zodra daaromtrent een definitief oordeel kan worden gegeven, door een aangewezen taxateur getaxeerd.

Volgens het derde lid, voor zover thans van belang, stelt de taxateur met inachtneming van de door het bestuur vastgestelde taxatierichtlijnen, van zijn bevindingen een rapport samen en ondertekent hij dat.

Volgens artikel 6, eerste lid, kan het Faunafonds uitsluitend voor schade veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b, van de wet, welke door vraat, betreden, verontreiniging, graven, wroeten en vegen aan bedrijfsmatige landbouw, bosbouw of bedrijfsmatige visserij is veroorzaakt, een tegemoetkoming verlenen.

Volgens artikel 8, eerste lid, wordt de hoogte van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2 door het Faunafonds vastgesteld na kennisneming van het door de aanvrager ingezonden aanvraagformulier met bijlagen, het door de taxateur opgestelde taxatierapport eventueel voorzien van opmerkingen van de aanvrager en eventueel overige op de aanvraag betrekking hebbende stukken.

Volgens het tweede lid wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2 verminderd met 5% van de door de taxateur vastgestelde schade, met een minimum van € 250,00 per bedrijf per jaar.

2.2. Aan het besluit van 7 november 2006 heeft het Faunafonds een taxatierapport van 27 juli 2006 ten grondslag gelegd. In dit taxatierapport staat dat de schade voor 50% door edelherten en voor 50% door damherten is veroorzaakt. De beschadigde oppervlakte bedraagt volgens dat rapport 12,35 hectare, waarvan 15% van de zomergerst is beschadigd door herten. De taxateur heeft voorts in zijn aantekeningen opgemerkt dat vanwege de late zaaidatum, de aanhoudende droogte en de forse ontwikkeling van melde en hanepoot (hierna: akkeronkruiden) de gezaaide gerst zich zeer slecht heeft kunnen ontwikkelen. Uitgaande van deze drie factoren is de taxateur van oordeel dat de te verwachten opbrengst van de gerst slechts 30% zal kunnen bedragen van een normaal op deze zandgrond te verwachten opbrengst. Van deze 30% is ongeveer de helft aangevreten door herten. In het taxatierapport is het totale schadebedrag vastgesteld op € 1444,95. Het Faunafonds heeft met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Regeling de tegemoetkoming verminderd met € 250,00 en vastgesteld op € 1195,00.

In het besluit van 11 november 2008 heeft het Faunafonds zich op het standpunt gesteld dat het zich heeft mogen baseren op het taxatierapport van 27 juli 2006 nu geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van dit rapport. Ten aanzien van een door [appellant sub 1] overgelegd deskundigenrapport van 8 augustus 2006 heeft het overwogen dat hierin wordt bevestigd dat het beschadigde perceel droge zandgrond betreft, nu een naastgelegen gedeelte van het perceel waar vanwege de droogte het inzaaien voor graszaadteelt is uitgesteld, wel volledig was begroeid met jonge akkeronkruiden. Hieruit kan volgens het Faunafonds de conclusie worden getrokken dat de schade niet voor 100% door herten is veroorzaakt.

2.3. Omdat het taxatierapport en het rapport van 8 augustus 2006 volgens de rechtbank tegengestelde conclusies bevatten heeft zij een deskundige benoemd en deze vijf vragen voorgelegd die betrekking hebben op de schade toegebracht door herten aan percelen biologische zomergerst in bezit van [appellant sub 1]. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding om het oordeel vervat in het door de deskundige opgestelde rapport van 20 mei 2010 niet te volgen. Op basis van dat rapport heeft zij geoordeeld dat het Faunafonds de door [appellant sub 1] geleden schade aan door hem gezaaide zomergerst toegebracht door herten niet juist heeft ingeschat.

De rechtbank heeft vervolgens de schade berekend, waarbij zij heeft geoordeeld dat de faunaschade op 75% van de geschatte gemiddelde opbrengst moet worden gesteld, en de tegemoetkoming vastgesteld op € 6863,51.

Het hoger beroep van het Faunafonds

2.4. Het Faunafonds betoogt dat de rechtbank ten onrechte het rapport van 20 mei 2010 heeft gevolgd waarin is geoordeeld dat de primaire schade aan de percelen zomergerst is veroorzaakt door afgrazing van gekiemde zomergerstplanten door herten. Het stelt dat de opbrengst zomergerst negatief is beïnvloed door het late zaaitijdstip waardoor de zomergerst een kortere groeiperiode heeft gekend, door akkeronkruiden en door de droge zomermaanden van 2006. Ten aanzien van het late zaaitijdstip verwijst het Faunafonds naar een rapport van [partij] en een brief van het Louis Bolk Instituut (hierna: LBI) van 26 mei 2011. Nu de schade aldus niet het directe gevolg is van vraat door dieren stelt het Faunafonds dat [appellant sub 1] in zoverre niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming.

2.4.1. In het rapport van 20 mei 2010, dat de rechtbank aan haar uitspraak ten grondslag heeft gelegd, wordt geconcludeerd dat de primaire schade aan de percelen is ontstaan door afgrazing van gekiemde zomergerst door herten. Door het afgrazen van gerstplanten zal de plant reageren met een nog groter aantal stengels (uitstoeling), om schade te compenseren. Het gevolg van het aanvreten van uitgestoelde zomergerstplanten is volgens het rapport dat op een gegeven moment de aar vroegtijdig wil gaan schieten en deze of wordt afgevreten of te vroeg te voorschijn komt, met als gevolg dat er geen gerstopbrengst is door een gebrek aan groeikracht. Tevens blijft door deze situatie het gerstgewas te laag bij voortdurende begrazing en kan voldoende lichtinval ervoor zorgen dat nog kiemende onkruiden zich sterk kunnen ontwikkelen. Indien de afgrazing van de zomergerst niet had plaatsgevonden had het gerstgewas volgens het rapport een dichte bladmassa gevormd en was de onkruidonderdrukking door weinig licht en verstikking maximaal geweest waardoor het gerstgewas onkruidontwikkeling voor had kunnen blijven. In het rapport staat voorts dat oogstderving van zomergerst als gevolg van latere zaai minimaal kan zijn ten opzichte van zomertarwe. De door het Faunafonds genoemde 40% oogstderving door latere zaai is volgens het rapport nauwelijks van toepassing omdat het geen zomertarwe maar zomergerst betreft.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank haar oordeel ten aanzien van de oorzaak van de schade aan percelen biologische zomergerst mogen baseren op het rapport van 20 mei 2010. Met het plaatsen van kritische kanttekeningen bij dit rapport heeft het Faunafonds niet aannemelijk gemaakt dat het rapport, naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet concludent is, dat de rechtbank niet heeft mogen afgaan op de daarin getrokken conclusies. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in het rapport wordt ingegaan op de bevindingen neergelegd in het taxatierapport dat het Faunafonds aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd en de daarbij behorende aantekeningen van de taxateur. De door de rechtbank benoemde deskundige heeft deze bevindingen betrokken in zijn oordeel en deze vervolgens in zijn rapport gemotiveerd weerlegd. Voorts heeft de door de rechtbank benoemde deskundige bij brief van 15 augustus 2010 een nadere toelichting gegeven ten aanzien van het late tijdstip waarop [appellant sub 1] de percelen heeft ingezaaid. Hierin wordt gemotiveerd uiteengezet dat het bij teelt van biologische zomergerst gebruikelijk is om later in het seizoen te zaaien en dat dit een positief effect heeft op het groeiproces van het gewas. Het Faunafonds heeft door te verwijzen naar het rapport van Timmer niet aannemelijk gemaakt dat die toelichting niet van toepassing is op dit geval, nu dit rapport slechts algemene informatie bevat over het telen van zomergerst en hierin voorts wordt uitgegaan van het zaaien van reguliere zomergerst in plaats van biologische zomergerst. Voorts is niet gebleken dat het rapport van 20 mei 2010 aan het LBI is overgelegd door het Faunafonds, zodat het er voor moet worden gehouden dat dit niet is betrokken bij de brief van 26 mei 2011 van het LBI. Reeds hierom kan aan die brief niet de betekenis worden gehecht die het Faunafonds daaraan gehecht wenst te zien. Nu de rechtbank bij de berekening van de schade 25% oogstderving door de droge zomermaanden van 2006 aannemelijk heeft geacht, treft het betoog van het Faunafonds met betrekking tot droogte als schadeveroorzakende factor ten slotte geen doel.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het Faunafonds de schade die door herten aan percelen biologische zomergerst is veroorzaakt, niet juist heeft ingeschat.

2.4.2. Het hoger beroep van het Faunafonds is ongegrond.

Het hoger beroep van [appellant sub 1]

2.5. [appellant sub 1] komt in hoger beroep alleen op tegen de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde tegemoetkoming. Hij betoogt dat de rechtbank zich bij die vaststelling ten onrechte heeft gebaseerd op het door het Faunafonds in het taxatierapport gehanteerde opbrengstbedrag van € 0,13 per kilo zomergerst. Uit cijfers van de Kwantitatieve Informatie (hierna: KWIN) voor de akkerbouw volgt dat een hectare zomergerst een gemiddelde waarde heeft van € 1198,00, zodat de rechtbank de tegemoetkoming te laag heeft vastgesteld, aldus [appellant sub 1]. Daarnaast heeft de rechtbank volgens [appellant sub 1] miskend dat door de droge zomermaanden van 2006 schaarste aan zomergerst is ontstaan, waardoor de prijzen per kilogram aanzienlijk kunnen stijgen. Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte niet in aanmerking genomen dat biologisch geteelde zomergerst een hogere prijs per kilogram oplevert dan regulier geteelde zomergerst, zoals ook in het rapport van 8 augustus 2006 is vermeld.

2.5.1. [appellant sub 1] heeft zijn betoog dat de rechtbank de tegemoetkoming te laag heeft vastgesteld niet gestaafd met relevante gegevens. Hij heeft geen stukken overgelegd op grond waarvan dient te worden geoordeeld dat de rechtbank, door af te gaan op de in het taxatierapport genoemde kiloprijs zomergerst, is uitgegaan van een te lage kiloprijs. De enkele stelling dat het KWIN-normbedrag voor een hectare zomergerst € 1198,00 bedraagt, is hiervoor onvoldoende. Voorts is in de omstandigheid dat de droge zomermaanden van 2006 een hogere prijs van zomergerst tot gevolg kunnen hebben, geen grond gelegen voor een ander oordeel, nu [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze omstandigheid zich in dit concrete geval heeft voorgedaan. [appellant sub 1] heeft ten slotte evenmin door overlegging van relevante gegevens en bescheiden aannemelijk gemaakt dat biologisch geteelde zomergerst een hogere prijs per kilogram oplevert dan regulier geteelde zomergerst.

2.6. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

2.7. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Het Faunafonds dient te worden veroordeeld in de door [appellant sub 1] in hoger beroep gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I bevestigt de aangevallen uitspraak;

II veroordeelt het bestuur van het Faunafonds tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III verstaat dat de secretaris van de Raad van State van het bestuur van het Faunafonds griffierecht ten bedrage van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig) heft.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011

176-591.