Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7094

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
201104415/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2010 heeft de minister de vennootschap een boete opgelegd van € 19.000,00 wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 2
Wet arbeid vreemdelingen 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104415/1/V6.

Datum uitspraak: 7 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: de vennootschap), gevestigd te Aalsmeer,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2011 in zaak nr. 10/3625 in het geding tussen:

de vennootschap

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2010 heeft de minister de vennootschap een boete opgelegd van € 19.000,00 wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft de minister het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vennootschap ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vennootschap bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2011, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. S. Smit, werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265) op 1 juli 2009.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav, wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wet op de identificatieplicht (hierna: de Wid), van de vreemdeling ontvangt.

Ingevolge het tweede lid stelt de werkgever die het afschrift van het document, bedoeld in het eerste lid, ontvangt, de identiteit van de vreemdeling vast aan de hand van het genoemde document en neemt het afschrift op in de administratie.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, en 15 als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, aanhef en onder b, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2008 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 5 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en 15, tweede lid, van de Wav op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag), thans, na wijziging, artikel 45, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU), is het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap vrij.

Ingevolge artikel 43, eerste alinea, van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 49, eerste alinea, van het VWEU, zijn in het kader van de volgende bepalingen beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden.

Ingevolge de tweede alinea, voor zover thans van belang, omvat de vrijheid van vestiging de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en uitoefening daarvan.

Ingevolge Bijlage VI Lijst bedoeld in artikel 23 van de Toetredingsakte: Bulgarije (hierna: Bijlage VI), onderdeel 1, punt 1, is wat betreft het vrij verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten dat gepaard gaat met tijdelijk verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 96/71/EG tussen, voor zover thans van belang, Bulgarije en Nederland, artikel 39 van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 45 van het VWEU, slechts volledig van toepassing onder voorbehoud van de overgangsregelingen van de punten 2 tot en met 14.

Ingevolge punt 2, voor zover thans van belang, zullen de huidige lidstaten, in afwijking van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot het einde van het tweede jaar na de datum van toetreding van Bulgarije, nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen toepassen om de toegang van Bulgaarse onderdanen tot hun arbeidsmarkten te regelen.

De huidige lidstaten mogen dergelijke maatregelen blijven toepassen tot het einde van het vijfde jaar na de datum van toetreding van Bulgarije.

Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ingevolge voormelde Bijlage VI het recht op het vrij verkeer van werknemers, zoals neergelegd in artikel 39 van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 45 van het VWEU, tijdelijk te beperken en heeft door voortzetting van de overgangsperiode de vergunningplicht ingevolge de Wav tot 1 januari 2012 gehandhaafd (Kamerstukken II 2008/09, 29 407, nr. 98).

In het arrest van 15 december 2005, C-151/04 en C-152/04, Nadin en Durré, (www.curia.europa.eu) heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: het Hof van Justitie van de Europese Unie; hierna: het Hof) onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 20 november 2001, C-268/99, Jany e.a., (www.curia.europa.eu) in punt 31 overwogen:

"31. Aangezien het hoofdkenmerk van een arbeidsverhouding in de zin van artikel 39 EG-Verdrag is, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt, moet als een werkzaamheid anders dan in loondienst in de zin van artikel 43 EG-Verdrag worden aangemerkt, de activiteit die een persoon zonder gezagsverhouding uitoefent (zie arrest van 20 november 2001, Jany e.a., C-268/99, Jurispr. blz. I-8615, punt 34 en de aangehaalde rechtspraak)."

2.2. Het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie op ambtsbelofte onderscheidenlijk ambtseed opgemaakte boeterapport van 14 december 2009 (hierna: het boeterapport) houdt in dat [vreemdeling A] en [vreemdeling B], beiden van Bulgaarse nationaliteit (hierna gezamenlijk: de vreemdelingen), daartoe uitgeleend door [bedrijf A], gevestigd te Amsterdam Zuidoost, op 5 maart 2009 in de onderneming van de vennootschap schoonmaakwerkzaamheden hebben verricht, terwijl daarvoor geen tewerkstellingsvergunningen waren verleend. Het boeterapport houdt voorts in dat uit feiten en omstandigheden naar voren is gekomen dat geen sprake was van het verrichten van arbeid als zelfstandigen.

Het boeterapport houdt tevens in dat niet is gebleken dat door [bedrijf A] onverwijld afschriften van de geldige identiteitsdocumenten van de vreemdelingen zijn verzonden naar de vennootschap.

2.3. De vennootschap betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de vreemdelingen de werkzaamheden als zelfstandigen hebben verricht.

Hiertoe voert de vennootschap aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, [medewerker A] van [bedrijf A] de vreemdelingen niet heeft ingewerkt en gecontroleerd maar dat zij de vreemdelingen enkel incidenteel is tegengekomen toen zij de tevredenheid van de vennootschap controleerde. Bovendien is in de bij het boeterapport gevoegde verklaring van [medewerker] van 17 juni 2009 vermeld dat zij de vreemdelingen niet heeft verteld hoe er wordt schoongemaakt, aldus de vennootschap. Voorts voert zij aan dat uit de verklaring van [medewerker A] en de bij het boeterapport gevoegde verklaring van [medewerker B] van [bedrijf A] van 6 oktober 2009 blijkt dat de vreemdelingen op proef werkten en bij het verwerven van voldoende krediet zelf schoonmaakmiddelen zouden aanschaffen. Ten aanzien van de projectprijs voert de vennootschap aan dat de vreemdelingen hebben onderhandeld over de vergoeding van € 15,00 per uur, inclusief btw, en dat het een ondernemer vrij staat een al dan niet marktconforme vergoeding te bepalen. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vreemdelingen zijn gecontracteerd via een uitzendbureau aangezien [bedrijf A] met meer zelfstandigen zonder personeel werkt en ten aanzien van de vreemdelingen als bemiddelingsbureau dient te worden aangemerkt, aldus de vennootschap. Tot slot wijst zij erop dat de vreemdelingen beschikken over verblijfsdocumenten waarop is vermeld dat zij vrij arbeid als zelfstandigen mogen verrichten, dat de vreemdelingen vennoten zijn van de [bedrijf B], gevestigd te Amsterdam, en dat zij voor hun werkzaamheden door middel van [bedrijf B] factureerden.

2.3.1. Gelet op de in 2.1. vermelde jurisprudentie van het Hof, is voor de beantwoording van de vraag of de werkzaamheden door de vreemdelingen als zelfstandigen zijn verricht, bepalend of sprake is van activiteiten die zonder gezagsverhouding zijn uitgeoefend, waarbij de vraag of de werkzaamheden onder eigen verantwoordelijkheid worden uitgeoefend een rol speelt en voorts de feitelijke situatie van belang is.

2.3.2. Gelet op het boeterapport en de bijbehorende bijlagen heeft de rechtbank terecht, met inachtneming van het onder 2.3.1. weergegeven toetsingskader, overwogen dat de vreemdelingen de werkzaamheden niet als zelfstandigen hebben verricht.

In de bij het boeterapport gevoegde verklaring van de vreemdelingen van 18 maart 2009 is vermeld dat [vreemdeling B] de eerste dagen samen met [medewerker A] bij de vennootschap heeft schoongemaakt, dat [medewerker A] haar heeft verteld hoe zij alles schoon moest maken, dat [medewerker A] één of twee keer per week onaangekondigd het werk van de vreemdelingen controleerde en dat ook [medewerker B] de vreemdelingen controleerde. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat [medewerker A] uitsluitend de tevredenheid van de vennootschap heeft gecontroleerd en kan evenmin de waarde worden toegekend aan de verklaring van [medewerker A] dat zij niet heeft verteld hoe er moet schoongemaakt, die de vennootschap daaraan gehecht wil zien. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de vreemdelingen de werkzaamheden onder gezag van [bedrijf A] hebben verricht. Voorts bestond geen overeenkomst van opdracht tussen [bedrijf A] en de vreemdelingen voor de door hen verrichte schoonmaakwerkzaamheden, werkten de vreemdelingen op het moment van de controle niet met zelf aangeschafte schoonmaakmiddelen en hadden [bedrijf A] en de vreemdelingen volgens de verklaring van [medewerker A] geen afspraken gemaakt over vervanging bij ziekte en verlof.

Gelet op het voorgaande komt aan de omstandigheden dat de vreemdelingen beschikken over verblijfsdocumenten waarop is vermeld dat zij vrij arbeid als zelfstandigen mogen verrichten, zij vennoten zijn van [bedrijf B] en voor hun werkzaamheden middels [bedrijf B] hebben gefactureerd, in dit geval geen doorslaggevende betekenis toe.

Het betoog faalt.

2.4. De vennootschap betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat ook indien de vreemdelingen de werkzaamheden niet als zelfstandigen hebben verricht, dit niet met zich brengt dat de vennootschap hun werkgever is. Op grond van de in jurisprudentie van het Hof vermelde criteria kunnen de vreemdelingen wellicht als werknemers in de zin van artikel 39 van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 45 van het VWEU, van [bedrijf A] worden aangemerkt, maar aangezien naar Europees recht werknemers slechts één werkgever kunnen hebben, kan niet tevens de vennootschap als werkgever van de vreemdelingen worden aangemerkt, aldus de vennootschap.

2.4.1. Aangezien de vreemdelingen gedurende anderhalve maand, vijf dagen per week en vier uur per dag onder gezag van [bedrijf A] en tegen ontvangst van een vergoeding de werkzaamheden hebben verricht, zijn de vreemdelingen aan te merken als werknemers in de zin van artikel 39 van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 45 van het VWEU, van [bedrijf A]. Dat uit de uitleg van het Hof van de arbeidsverhouding in de zin van laatstgenoemd artikel volgt dat een werknemer voor dezelfde arbeid één werkgever in Europeesrechtelijke zin zou hebben, brengt niet met zich dat die werknemer slechts één (rechts)persoon als werkgever in de zin van de Wav kan hebben. Hieraan staat de jurisprudentie van het Hof niet in de weg. Aangezien de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2010 in zaak nr. 200901481/1/V6 (www.raadvanstate.nl) tot dezelfde conclusie is gekomen, treft het betoog van de vennootschap, dat de rechtbank op dit punt het motiveringsbeginsel heeft geschonden, geen doel. Nu de vreemdelingen de werkzaamheden hebben verricht in de onderneming van de vennootschap en laatstgenoemde [bedrijf A] daartoe de opdracht heeft gegeven, dient de vennootschap als feitelijk werkgever in de zin van de Wav van de vreemdelingen te worden aangemerkt.

Het betoog faalt.

2.5. De vennootschap betoogt tot slot dat de boete dient te worden gematigd.

Hiertoe voert zij ten eerste aan dat de overtreding van artikel 15, tweede lid, van de Wav haar niet is te verwijten nu het doel daarvan, dat de feitelijk werkgever voorafgaand aan het verrichten van de werkzaamheden kan controleren of de aanwezige vreemdeling ook daadwerkelijk de uitgeleende persoon is, niet is geschonden. Volgens de vennootschap hebben [medewerker A] en [medewerker B] verklaard dat de afschriften van de identiteitsdocumenten van de vreemdelingen aan de vennootschap zijn verstuurd, en heeft haar [bedrijfsleider] de identiteit van de vreemdelingen vastgesteld aan de hand van die afschriften maar nagelaten deze door te sturen naar het hoofdkantoor. Derhalve is het niet opmerkelijk dat [medewerker C], die werkzaam is op het hoofdkantoor en dus geen zicht heeft op de werkvloer, heeft verklaard dat niemand de identiteit van de vreemdelingen heeft gecontroleerd.

De vennootschap voert ten tweede ten aanzien van de overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav aan dat, blijkens de verklaring van [medewerker A], tussen [bedrijf A] en de vennootschap de mondelinge overeenkomst bestond geen illegalen tewerk te stellen. Daarnaast blijkt volgens de vennootschap uit de bij het boeterapport gevoegde overeenkomst tussen [bedrijf A] en de vennootschap inzake de schoonmaak van de onderneming en uit de verklaringen van [medewerker A], [medewerker B] en [medewerker C], dat zowel de vennootschap als [bedrijf A] vergaande maatregelen hebben genomen om overtreding van de Wav te voorkomen. Zo heeft [bedrijf A] contact gezocht met diverse instanties om de identiteitsdocumenten en de overige door de vreemdelingen overgelegde documenten te controleren, aldus de vennootschap. Volgens de vennootschap volgt uit jurisprudentie van de Afdeling dat indien de werkgever, net als zij, bij aanvang van de werkzaamheden notie heeft gegeven aan de Wav, het risico wordt uitgesloten dat overtredingen van de Wav zonder medeweten van de werkgever kunnen plaatsvinden.

Vervolgens voert zij aan dat uit de door haar getroffen maatregelen blijkt dat zij naleving van de Wav heeft beoogd en geen economisch voordeel heeft willen behalen door illegale tewerkstelling. Bovendien schiet de handhavingspraktijk van de minister het doel van de Wav, het tegengaan van oneerlijke concurrentie op de markt door illegale tewerkstelling te verbieden, voorbij, aldus de vennootschap.

2.5.1. Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en 15, tweede lid, van de Wav om de aanwending van een bevoegdheid van de minister. De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

Ingevolge de verplichting hem opgelegd in artikel 19d, derde lid, van de Wav heeft de minister beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Deze beleidsregels zijn door de Afdeling als zodanig niet onredelijk bevonden (zie onder meer de uitspraak van 23 juni 2010 in zaak nr. 200908558/1/V6; www.raadvanstate.nl). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.

De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

2.5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1; www.raadvanstate.nl) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

2.5.3. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 15 van de Wav (Kamerstukken II 1999/00, 27 022, nr. 3, blz. 10 en 11) hebben de met de Wid in diverse wetten doorgevoerde wijzigingen inzake de identificatieplicht mede tot doel voor het toezicht en de opsporing van illegale tewerkstelling een instrument te bieden. Daarom is in de Wav de verplichting voor de feitelijk werkgever opgenomen om onverwijld een afschrift van het identiteitsdocument bij de formele werkgever op te vragen, de identiteit van de werkende te verifiëren en de identiteitsmiddelen op te nemen in de administratie. Gelet op de in artikel 15 van de Wav neergelegde verplichting lag het op de weg van de vennootschap als feitelijk werkgever van de vreemdelingen om, vóórdat zij de vreemdelingen arbeid liet verrichten, de nationaliteit en identiteit van de vreemdelingen te verifiëren aan de hand van een van [bedrijf A] te ontvangen afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wid, om zich er aldus rekenschap van te geven dat voor de door de vreemdelingen te verrichten werkzaamheden tewerkstellingsvergunningen waren vereist en afgegeven.

Weliswaar hebben [medewerker A] en [medewerker B] verklaard dat afschriften van de identiteitsdocumenten van de vreemdelingen naar de vennootschap zijn verstuurd, maar hieruit blijkt niet dat dit voorafgaand aan de tewerkstelling van de vreemdelingen heeft plaatsgevonden. De stelling, dat [bedrijfsleider] de identiteit van de vreemdelingen heeft vastgesteld aan de hand van bedoelde afschriften maar heeft nagelaten deze door sturen naar het hoofdkantoor, vindt voorts geen grond in de bij het boeterapport gevoegde stukken en is evenmin door de vennootschap gestaafd. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat het doel van het bepaalde in artikel 15, tweede lid, van de Wav niet is geschonden, dan wel dat de overtreding van dat artikel de vennootschap niet, dan wel in verminderde mate, is te verwijten.

2.5.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2007 in zaak nr. 200701639/1; www.raadvanstate.nl) is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of aan de voorschriften van de Wav wordt voldaan. Dat [bedrijf A] contact zou hebben gezocht met diverse instanties maakt derhalve niet dat de overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav de vennootschap in verminderde mate is te verwijten. Daargelaten dat, nu dit niet op schrift is gesteld, niet controleerbaar is of tussen [bedrijf A] en de vennootschap de mondelinge overeenkomst bestond geen illegalen tewerk te stellen, blijkt uit de verklaringen van [medewerker A], [medewerker B] en [medewerker C] niet dat de vennootschap maatregelen heeft genomen om overtreding van de Wav te voorkomen. [medewerker A] en [medewerker B] hebben slechts verklaard omtrent de maatregelen die zijzelf zouden hebben genomen om illegale tewerkstelling van de vreemdelingen te voorkomen, terwijl [medewerker C] heeft verklaard dat hij niet weet wie aan het werk was voor [bedrijf A], dat niemand de identiteit van de personen die van [bedrijf A] aan het werk waren heeft gecontroleerd en dat afspraken met het schoonmaakbedrijf alleen gaan over eisen en bedragen en niet over het personeel. Voorts zijn in de overeenkomst tussen [bedrijf A] en de vennootschap geen bepalingen opgenomen waaruit blijkt dat [bedrijf A] dan wel de vennootschap maatregelen hebben genomen om overtreding van de Wav te voorkomen. Voor het oordeel dat de vennootschap bij de aanvang van de werkzaamheden voldoende aandacht heeft besteed aan de Wav, bestaat gelet op het voorgaande derhalve geen grond.

2.5.5. Dat de vennootschap naleving van de Wav beoogde en derhalve niet opzettelijk de Wav heeft overtreden, brengt op zichzelf niet met zich dat de boete dient te worden gematigd, nu voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav, opzet geen vereiste is. Voorts noopt de stelling van de vennootschap, dat zij geen economisch voordeel bij de illegale tewerkstelling van de vreemdelingen heeft beoogd, evenmin tot matiging van de opgelegde boete, reeds omdat deze omstandigheid geen afbreuk doet aan de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Voor het oordeel dat de boeteoplegging in dit geval het doel van de Wav voorbij schiet, bestaat evenmin grond. Zoals uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet bestuurlijke boete arbeid vreemdelingen (Kamerstukken II 2003/04, 29 523, nr. 3, blz. 1) blijkt, zijn de doelstellingen van de Wav onder meer het tegengaan van verdringing van legaal arbeidsaanbod, van concurrentievervalsing en van overtreding van normen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. De vennootschap heeft onderbouwd noch aannemelijk gemaakt dat en hoe de minister met de boeteoplegging in dit geval voormelde doelen van de Wav voorbij is geschoten.

Gelet op het voorgaande komt de boete niet in aanmerking voor matiging.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.H. Cassé, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Cassé

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011

588.