Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7087

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
201105048/1/H4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 augustus 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het veranderen van een winkel met benedenwoning op het perceel [locatie] te Den Haag (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105048/1/H4.

Datum uitspraak: 7 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2011 in zaak nr. 10/5181 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het veranderen van een winkel met benedenwoning op het perceel [locatie] te Den Haag (hierna: het perceel).

Bij mondelinge uitspraak van 15 maart 2011, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 21 maart 2011, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 mei 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2011, waar [appellant A], bijgestaan door mr. W.M. Herben, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan strekt tot het veranderen van een benedenwoning met winkel op het perceel. De woning wordt vergroot door het aanbrengen van een glazen overkapping op het binnenterrein en afgesplitst van de winkel door het aanbrengen van een scheidingsmuur. Het bouwplan voorziet tevens in de realisering van een dakterras.

2.2. Niet in geschil is dat het bouwplan, wat het bouwvlak en de goothoogte betreft, in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zeeheldenkwartier" (hierna: het bestemmingsplan). Het college heeft medewerking aan het bouwplan verleend door met toepassing van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in verbinding met artikel 4.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), daarvoor ontheffing te verlenen.

2.3. Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wro kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 4.1.1., eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro, zoals dit gold ten tijde van belang, komt voor toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro in aanmerking: een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het aantal woningen gelijk blijft. Volgens hen is ingevolge het bestemmingsplan op het perceel slechts één woning toegestaan, te weten de bovenwoning [locatie], die zij zelf bewonen. Nu het aantal woningen toeneemt, kon geen ontheffing voor het bouwplan worden verleend.

2.4.1. Het college overweegt dat het aantal woningen door het bouwplan feitelijk niet toeneemt, omdat een reeds bestaande woning wordt afgesplitst van de daarbij behorende winkel. Verder stelt het college dat het bestemmingsplan zowel in het benedengedeelte als in het bovengedeelte van het hoofdgebouw een woning toelaat, zodat ook in dat opzicht het aantal woningen gelijk blijft.

2.4.2. Zoals de Afdeling met betrekking tot artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 december 2003 in zaak nr. 200303114/1), moet voor het antwoord op de vraag of het aantal woningen gelijk blijft, aansluiting worden gezocht bij de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Naar het oordeel van de Afdeling geldt dit eveneens voor artikel 4.1.1., eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro.

Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "gedetailleerde gemengde bebouwing, waarboven woondoeleinden".

Ingevolge artikel 5 van het bestemmingsplan zijn de gronden met deze bestemming, voor zover het betreft het benedengedeelte van hoofdgebouwen bestemd voor gebouwen ten dienste van wonen (zelfstandige woningen of onderdelen van de erboven gelegen woningen) en voor zover het betreft het bovengedeelte van hoofdgebouwen bestemd voor eengezinshuizen (zelfstandige woningen of onderdelen van de in de onderste bouwlaag gelegen woningen).

2.4.3. Gelet op deze bepaling laat het bestemmingsplan zowel in het benedengedeelte als in het bovengedeelte van het hoofdgebouw op het perceel een zelfstandige woning toe. Nu het bouwplan ziet op één benedenwoning op het perceel heeft de rechtbank, net als het college, terecht geoordeeld dat het aantal woningen gelijk blijft.

Het betoog faalt.

2.5. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de aantasting van hun privacy als gevolg van het dakterras.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 april 2010 in zaak nr. 200906091/1), betreft het beslissen op een verzoek om ontheffing krachtens artikel 3.23, eerste lid, van de Wro een discretionaire bevoegdheid van het college, waarbij de rechter zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit op het verzoek heeft kunnen komen.

2.5.2. De vergunning is aangevraagd ter legalisering van een situatie die reeds bestond op het moment waarop [appellanten] hun woning kochten. De rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken dat [appellanten] bij de aankoop van hun woning dan wel in de jaren daarna enig bezwaar over het dakterras kenbaar hebben gemaakt dan wel om handhaving hebben verzocht. Gelet hierop alsmede op de afstand van het dakterras tot de woning van [appellanten] heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de door hen gestelde aantasting van privacy niet zodanig belastend is, dat het college op grond daarvan de gevraagde ontheffing en bouwvergunning in redelijkheid niet had kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011

190-687.