Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7071

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
201103400/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om de stalling van motorvoertuigen ten behoeve van de uitoefening van zijn autohandel op het perceel [locatie] te Alblasserdam (hierna: het perceel) te staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103400/1/H1.

Datum uitspraak: 7 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Alblasserdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 28 januari 2011 in zaak nr. 08/200 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2007 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om de stalling van motorvoertuigen ten behoeve van de uitoefening van zijn autohandel op het perceel [locatie] te Alblasserdam (hierna: het perceel) te staken.

Bij besluit van 14 januari 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 28 augustus 2007 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 28 januari 2011, verzonden op 14 februari 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 april 2011.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2011, waar [appellant], bijgestaan door J.J.H. Gortzak, werkzaam bij belastingadvieskantoor Gortzak, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.W.M. Berendsen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Lange Steeg" rust op het perceel de bestemming "woondoeleinden".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder v, van de planvoorschriften wordt in de voorschriften onder vrij beroep verstaan een beroep, uitgeoefend op administratief, juridisch, medisch therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a en b, zijn de gronden aangewezen voor woondoeleinden, voor zover hier van belang, bestemd voor woondoeleinden in de vorm van eengezinshuizen en voor de uitoefening van vrije beroepen, zoals bedoeld in artikel 1, sub v, voor zover deze door de beoefenaar daarvan in zijn woning worden uitgeoefend.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, is, voor zover hier van belang, het verboden de gronden binnen het plangebied te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de bestemming.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was om de last op te leggen. Daartoe voert hij - kort weergegeven - aan dat de stalling van motorvoertuigen op het perceel niet in strijd is met het bestemmingsplan.

2.2.1. Voor de beantwoording van die vraag, is de kwalificatie van zijn bedrijf ingevolge de Wet milieubeheer, anders dan [appellant] betoogt, niet van belang. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 april 2011 in zaak nr. 201008248/1/H1) dient de vraag of het gebruik van een perceel strijdig is met de geldende (woon-)bestemming, te worden beantwoord aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bepalend is of deze uitstraling van dien aard is dat deze niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het perceel. Binnen dit kader kan het van belang zijn - doch is niet doorslaggevend - of de activiteiten een beroepsmatig of een hobbymatig karakter hebben.

2.2.2. Vast staat dat [appellant] op het perceel een handelsonderneming drijft die in het register van de Kamer van Koophandel wordt omschreven als groothandel en handelsbemiddeling in personenauto's. Voorts staat vast dat er gemiddeld tussen de negen à vijftien motorvoertuigen, waarvan drie ten behoeve van privédoeleinden, op het perceel worden gestald. Van de in het kader van het bedrijf gestalde motorvoertuigen is geen eindgebruiker bekend. Op het perceel worden de kentekens van de auto's verwisseld en vindt voorts aan- en afvoer van de motorvoertuigen plaats, zo nodig met autotrailers. Gelet op het voorgaande staan de activiteiten van het bedrijf, de daarmee gepaard gaande hinder in aanmerking genomen, dusdanig ver van de op het perceel rustende bestemming dat het daarmee niet in overeenstemming is. Dat volgens het bestemmingsplan in de woningen vrije beroepen zijn toegestaan die ook een verkeersaantrekkende werking hebben, wat daar ook van zij, maakt dat niet anders nu een groothandel geen vrij beroep of een daarmee gelijk te stellen gebied, als bedoeld in het bestemmingsplan is. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het stallen van motorvoertuigen ten behoeve van het bedrijf van [appellant] in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college bevoegd was om handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

2.3. Nu [appellant] in strijd met artikel 12, eerste lid, in samenhang bezien met artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften heeft gehandeld, was het college bevoegd ter zake handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien, nu het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Hij voert daartoe aan dat het college in de met hem gevoerde gesprekken met betrekking tot de verkoop van het perceel, toezeggingen heeft gedaan waaruit hij het gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen ontlenen dat het college niet handhavend zou optreden.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 november 2008 in zaaknr. 200801122/1), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

Vast staat dat in de door [appellant] genoemde gesprekken de mogelijkheid van het tijdelijk stallen van vijf motorvoertuigen in het kader van het bedrijf van [appellant] aan de orde is geweest. [appellant] heeft, ook niet met de bij de rechtbank afgelegde getuigenverklaringen, echter niet aannemelijk gemaakt dat in deze gesprekken door het college een concrete, ondubbelzinnige toezegging is gedaan dat het stelselmatig stallen van gemiddeld negen tot vijftien motorvoertuigen op het perceel zou worden toegestaan dan wel dat niet handhavend zou worden opgetreden tegen het stallen van motorvoertuigen ten behoeve van het bedrijf. Dat het college niet heeft gereageerd op de brief van [appellant] van 2 maart 2007, waarin hij heeft aangegeven dat hij bij het uitblijven van een reactie ervan uit zou gaan dat het college niet handhavend zou optreden, maakt niet dat wel een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan. Bovendien was [appellant] voor de aankoop van het perceel in het bezit van de planvoorschriften, waaruit blijkt wat op het perceel is toegestaan, nu deze in de aan hem overhandigde verkoopbrochure zat.

Het betoog faalt.

2.5. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt. Daartoe voert hij aan dat in verschillende gevallen, waaronder aan de Polderstraat 41 en Vinkenpolderweg 32, door het college niet handhavend wordt opgetreden tegen de stalling van motorvoertuigen.

2.5.1. Het college heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat een handhavingsprocedure tegen het strijdig gebruik van het perceel Polderstraat 41 is gestart. Dit bedrijf is inmiddels naar een ander adres verhuisd. Ten aanzien van het perceel op de Vinkenpolderweg heeft het college ter zitting van de rechtbank verklaard dat dit geen vergelijkbaar geval betreft nu het gebruik onder het overgangsrecht valt. De door [appellant] in hoger beroep overige genoemde gevallen betreffen ondernemingen die niet op één lijn kunnen worden gesteld met zijn onderneming. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het college niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt.

Het betoog faalt.

2.6. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld, faalt. Het stallen van de motorvoertuigen op het perceel en de daarmee gepaard gaande hinder, kan niet als een overtreding van geringe aard of ernst worden aangemerkt. In zoverre bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college van handhavend optreden af zou moeten zien.

2.7. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college door de handhaving te baseren op de klachten van de omwonenden in strijd met het verbod van détournement de pouvoir handelt. Daartoe voert hij aan dat de controles van het college plaats hebben gevonden terwijl hij nog de enige bewoner was van de Lange Steeg.

2.7.1. Anders dan [appellant] betoogt, is geen sprake van strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Dat zou slechts anders zijn indien de door het college gebezigde motieven om te handhaven die beslissing niet kunnen dragen en dat ook niet de werkelijke motieven van het college kunnen zijn geweest. Hiervoor bestaat geen grond. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college zowel ambtshalve als naar aanleiding van een verzoek tot handhaving gebruik mag maken van zijn handhavingsbevoegdheid.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011

414-712.