Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7070

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
201103338/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] een aanlegvergunning te verlenen voor de aanleg van een boomgaard op het deel van het perceel dat zich ten noorden van het perceel Eemnesserweg 29a te Blaricum bevindt (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103338/1/H1.

Datum uitspraak: 7 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Blaricum,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2011 in zaak nr. 09/4331 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Blaricum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] een aanlegvergunning te verlenen voor de aanleg van een boomgaard op het deel van het perceel dat zich ten noorden van het perceel Eemnesserweg 29a te Blaricum bevindt (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college naar aanleiding van het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar het besluit onder wijziging van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 10 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2011, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. L.H. Hoogendoorn, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3.16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), voor zover hier van belang, mag alleen en moet de aanlegvergunning worden geweigerd indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met een bestemmingsplan.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijke gebieden" rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "gebied met landschappelijke waarden" (Al).

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften zijn, voor zover hier van belang, de gronden met de subbestemming Al bestemd voor agrarische bedrijven als bedoeld in artikel 1, vijftiende lid, onder a en b alsmede het behoud en herstel van actuele en potentiële landschappelijke waarden alsmede voor de waterhuishouding.

Ingevolge artikel 11, vierde lid, aanhef, onder a en sub 6, voor zover hier van belang, is het verboden op of in de gronden met de subbestemming Al zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) gronden met houtgewassen te beplanten.

Ingevolge artikel 1, vijftiende lid, aanhef, is een agrarisch bedrijf een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:

a. akker- en tuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen bosbouw, sier- en fruitteelt;

b. veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond.

2.2. Voor de aanleg van een boomgaard is ingevolge artikel 11, vierde lid, aanhef, onder a en sub 6 van de planvoorschriften een aanlegvergunning vereist. Het college heeft aan de weigering om de gevraagde aanlegvergunning te verlenen ten grondslag gelegd dat de aanleg van de boomgaard in strijd is met artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in verbinding met artikel 1, vijftiende lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aanleg van de boomgaard niet in strijd is met het bestemmingsplan. Ter zitting heeft hij in dat kader aangevoerd dat indien het behoud en herstel van actuele en potentiële landschappelijke waarden alsmede voor de waterhuishouding worden gewaarborgd, zoals hier het geval is, aan artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften is voldaan.

2.3.1. Anders dan [appellant], betoogt kan de in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften gebruikte bewoording "alsmede" niet anders worden gelezen als "en". Hieruit volgt dat artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in verbinding met artikel 1, vijftiende lid, aanhef en onder a en b, aldus dient te worden uitgelegd dat, naast het behoud en herstel van actuele en potentiële landschappelijke waarden alsmede voor de waterhuishouding, sprake moet zijn van een agrarisch bedrijf, te weten akker- en tuinbouw of veehouderij.

Dat [appellant], zoals hij in zijn hoger beroepschrift stelt, inmiddels een agrarisch bedrijf heeft en voornemens is op het perceel schapen en overig kleinvee te gaan houden, is geen omstandigheid waarmee de rechtbank rekening kon en diende te houden. Ten tijde van de aanvraag om een aanlegvergunning en ten tijde van het besluit op bezwaar van 14 juli 2009 had [appellant] immers geen agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 1, vijftiende lid, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de aanleg van de boomgaard in strijd is met het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Daartoe voert hij aan dat gronden met dezelfde bestemming ten behoeve van het grazen van paarden worden gebruikt, dan wel in het geheel niet worden gebruikt.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het gebruik van gronden voor het grazen van paarden, wat daar ook van zij, geen gelijke gevallen betreffen. Door [appellant] is voorts niet aannemelijk gemaakt dat het college in een met zijn geval vergelijkbare situatie een aanlegvergunning heeft verleend.

Het betoog faalt.

2.5. Ingevolge artikel 1 van het eerste Protocol bij het Europees verdrag voor de rechten van de mens (hierna: EVRM) heeft iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. Deze bepalingen tasten ingevolge dit artikel, voor zover hier verder van belang, op geen enkele wijze het recht aan, dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

2.5.1. Het betoog van [appellant] dat artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in verbinding met artikel 1, vijftiende lid, van de planvoorschriften in strijd is met artikel 1 van het eerste Protocol bij het EVRM nu hij door dit samenstel van bepalingen als eigenaar zijn grond niet kan gebruiken, faalt. Voor zover de in het bestemmingsplan neergelegde beperkingen van het gebruik van de gronden al zijn aan te merken als aantasting van het recht op ongestoord genot van het eigendom, laat de bedoelde bepaling de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang onverlet. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan is een zodanige regulering. Gelet hierop zijn de planvoorschriften van het bestemmingsplan niet in strijd met het artikel 1 van het eerste Protocol bij het EVRM.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011

414-712.