Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7059

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
201004360/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Heeze" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004360/1/R3.

Datum uitspraak: 7 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Heeze, gemeente Heeze-Leende (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2], wonend te Heeze, gemeente Heeze-Leende, en anderen (hierna: de Klankbordgroep),

3. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], wonend te Heeze, gemeente Heeze-Leende (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 3]),

4. [appellanten sub 4], wonend te Heeze, gemeente Heeze-Leende (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 4]),

5. [appellant sub 5], wonend te Heeze, gemeente Heeze-Leende, en anderen,

6. [appellant sub 6], wonend te Heeze, gemeente Heeze-Leende, en anderen,

7. [appellant sub 7], wonend te Heeze, gemeente Heeze-Leende,

8. [appellant sub 8], wonend te Heeze, gemeente Heeze-Leende,

9. [appellant sub 9], wonend te Heeze, gemeente Heeze-Leende,

10. de vereniging IVN, Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, afdeling Heeze-Leende (hierna: de IVN), gevestigd te Heeze, gemeente Heeze-Leende,

11. [appellant sub 11], wonend te Heeze, gemeente Heeze-Leende,

12. [appellant sub 11], wonend te Heeze, gemeente Heeze-Leende, en anderen, zich noemende Belanghebbenden Omgeving Toversnest (hierna: de BOT),

en

de raad van de gemeente Heeze-Leende,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Heeze" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], de Klankbordgroep, [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen, [appellant sub 6] en anderen, [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], de IVN, [appellant sub 11] en de BOT tijdig beroep ingesteld. Een aantal van hen heeft de gronden van het beroep schriftelijk aangevuld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 7], [appellant sub 11], de BOT en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2011, waar diverse partijen zich hebben doen vertegenwoordigen of in persoon, al dan niet bijgestaan door een raadsman, zijn verschenen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben [appellant sub 5] en anderen hun beroepsgronden betreffende de verlening van staatssteun voor de bouw van de Bergerhofschool en betreffende het aantal parkeerplaatsen voor de ontwikkelingslocatie Bergerhof ingetrokken.

2.2. Het plan is grotendeels conserverend van aard en voorziet daarnaast in enkele nieuwe ontwikkelingen.

Procedurele aspecten

2.3. Voor zover [appellant sub 5] en anderen betogen dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt overwogen dat dit artikel zich er niet tegen verzet dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.4. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 5] en anderen, de Klankbordgroep en [appellant sub 7] dat het bestemmingsplan ten onrechte geen grondslag vindt in een op grond van artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) vastgestelde structuurvisie, wordt overwogen dat deze wet een dergelijke structuurvisie niet verplicht stelt alvorens het plan kan worden vastgesteld.

2.5. Met betrekking tot het betoog van de Klankbordgroep dat de raad in strijd met artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro niet binnen twaalf weken na de termijn van ter inzage legging van het ontwerp het plan heeft vastgesteld, wordt vastgesteld dat de termijn voor de vaststelling van het besluit is overschreden. De periode van twaalf weken, als bedoeld in artikel 3.8 van de Wro, waarbinnen de raad moet beslissen over de vaststelling van het plan betreft een termijn van orde. Uit deze wettelijke bepaling noch enige andere bepaling kan worden afgeleid dat de raad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het plan vast te stellen.

2.6. Voorts betogen [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] en anderen dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef, en onder d, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Zij voeren hiertoe aan dat voor de locatie Bergerhof noch de uitkomsten van het bodemonderzoek, het flora- en faunaonderzoek, de watertoets en het geohydrologisch onderzoek, het akoestisch onderzoek en de parkeerstudie, noch een toelichting hierop, in de plantoelichting zijn opgenomen.

2.6.1. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef, en onder d, van het Bro gaat een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Awb verrichte onderzoek zijn neergelegd.

2.6.2. De plantoelichting bestaat uit een aantal mappen. De map "Band 1" bevat de algemene toelichting op het plan, onderverdeeld in diverse hoofdstukken, de regels en de verbeeldingen. Bij de inleiding op pagina 1.1 van deze algemene toelichting wordt expliciet verwezen naar de overige

vier mappen onder de vermelding dat de hierin opgenomen studies en onderzoeken separate bijlagen bij dit plan vormen. Hierin wordt, voor zover thans van belang, ingegaan op de voorziene ontwikkelingen in het plangebied. In map "Band 5" wordt als onderdeel hiervan een ruimtelijke onderbouwing gegeven ten behoeve van de nieuwbouw van de Bergerhofschool. Hierin zijn de door [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] en anderen aangehaalde onderzoeken inclusief uitkomsten en toelichting opgenomen. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef, en onder d, van het Bro.

2.7. [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] en anderen hebben tevens betoogd dat de door ARCADIS opgestelde "Verkeerstoets basisschool Bergerhof te Heeze" van 9 december 2009 niet ter inzage heeft gelegen.

2.7.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.7.2. Vooropgesteld wordt dat het door [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] en anderen genoemde stuk ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan nog niet voorhanden was, zodat artikel 3:11, eerste lid, van de Awb hierop niet van toepassing is. Voorts is komen vast te staan dat de verkeerstoets als bijlage bij het vastgestelde plan is gevoegd. Betrokkenen hebben derhalve kennis kunnen nemen van dit stuk en hebben dit blijkens de bijlagen van hun beroepschrift ook gedaan. De raad heeft ter zitting verklaard dat het onderzoek uiteindelijk niet aan het vastgestelde plan ten grondslag is gelegd, zodat benadeling van de belangen van mogelijke derden zich hier niet voordoet. De betogen falen.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.8. [appellant sub 1] richt zich tegen de gewijzigde vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf-1" en de aanduidingen "maximale bebouwingspercentage (%): 60" en "bouwvlak", voor zover deze zijn toegekend aan zijn perceel Nieuwendijk 36.

[appellant sub 1] betoogt dat in afwijking van artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels ten onrechte het bebouwingspercentage voor zijn perceel is verlaagd van 70% tot 60%. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat zijn bouwvlak ten opzichte van het ontwerpplan ten onrechte is verkleind, nu hiervoor in het vastgestelde plan slechts voor een gedeelte van zijn perceel de aanduiding "bouwvlak" is opgenomen.

2.8.1. Ingevolge artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels bedraagt het bebouwingspercentage maximaal 70% van het bouwperceel.

Ingevolge dit lid, onder a, van de planregels mogen bedrijfsgebouwen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak.

2.8.2. Aan het perceel zijn, voor zover hier van belang, de aanduidingen "maximale bebouwingspercentage (%): 60" en "bouwvlak" toegekend. In zijn verweerschrift heeft de raad zich, in tegenstelling tot de door hem in het bestreden besluit opgenomen ambtshalve wijzigingen voor het perceel, op het standpunt gesteld dat hij er geen bezwaar tegen heeft om aan het gehele perceel van [appellant sub 1] een bouwvlak toe te kennen met een maximaal bebouwingspercentage van 70% als bedoeld in artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels.

2.8.3. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt heeft gesteld dan in het bestreden besluit en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2.8.4. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor wat betreft de bestreden aanduidingen, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.8.5. De Afdeling ziet, mede naar aanleiding van het daartoe ter zitting door [appellant sub 1] en de raad gedane verzoek, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd, zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart. De Afdeling acht niet aannemelijk dat derde-belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad, nu is komen vast te staan dat tegen het ontwerpplan, waarin het door [appellant sub 1] beoogde bouwvlak en bebouwingspercentage waren opgenomen, geen zienswijzen van derden zijn ingediend.

Het dorpshuis

2.9. De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4], die respectievelijk wonen aan de [locatie 1] en [locatie 2], en de Klankbordgroep, richten zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" voor het perceel Schoolstraat 48-50. Op dit perceel wordt een nieuw dorpshuis beoogd. Volgens hen is het dorpshuis ten onrechte al in het plan opgenomen, terwijl de verleende vrijstelling en bouwvergunningen op basis van het vorige plan nog niet onherroepelijk zijn geworden.

Het beroep van de Klankbordgroep betreft voorts de motivering van de verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ten behoeve van de realisering van het dorpshuis. Ook is ter zake ten onrechte niet aangesloten bij het ruimtelijk beleid uit het vigerende plan. Volgens de Klankbordgroep is in het rapport "Onderzoek Externe Veiligheid Dorpshuis Heeze-Leende" van SRE Milieudienst ten onrechte geen rekening gehouden met de spoorwissels "41 A" en "41 B", waardoor de in het rapport toegepaste berekeningen onjuist zijn en is in het plan bovendien van verkeerde bebouwingsgegevens uitgegaan.

[appellant sub 3] en [appellant sub 4] voeren aan dat hun woongenot wordt aangetast, nu zij overlast zullen ondervinden van het dorpshuis, hun uitzicht vermindert en het openbaar groen en het open karakter ter plaatse verloren gaan. Voorts gaat van het dorpshuis een verkeersaantrekkende werking uit, hetgeen zal leiden tot parkeerproblemen. Verder wordt de stedenbouwkundige kwaliteit ter plaatse aangetast, nu de bouw van het dorpshuis het bestaande oude lint teniet zal doen. Bovendien had het dorpshuis volgens hen op een alternatieve locatie moeten worden gerealiseerd.

[appellant sub 3], [appellant sub 4] en de Klankbordgroep hebben ten slotte nog aangevoerd dat de bouw van het dorpshuis in strijd is met de afstanden als bedoeld in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" en dat zij vrezen voor waardedaling van hun woning ten gevolge van de realisering van het dorpshuis.

2.9.1. Bij besluit van 23 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende aan Stichting WoCom vrijstelling van het destijds geldende bestemmingsplan "De Kaarsvelden" en reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een dorpshuis op het perceel Schoolstraat 48-50. Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders een reguliere bouwvergunning tweede fase verleend voor het bouwen van een dorpshuis op het perceel Schoolstraat 48-50. Voornoemde vrijstelling en vergunningen zijn bij uitspraken van de Afdeling van 24 augustus 2011, in de zaken met de nrs. 201011592/1/H1 en 201011594/1/H1, onherroepelijk geworden.

2.9.2. Het betoog van [appellant sub 3], [appellant sub 4] en de Klankbordgroep dat het plan niet had mogen worden vastgesteld voordat de vrijstelling en bouwvergunningen op basis van het vorige plan onherroepelijk waren geworden slaagt niet, nu geen rechtsregel de raad ertoe verplicht om het onherroepelijk worden daarvan af te wachten alvorens een bestemmingsplan vast te stellen.

2.9.3. Met het plan is beoogd om hetgeen met de vrijstelling en vergunningen ter plaatse mogelijk is gemaakt, planologisch vast te leggen. Onder deze omstandigheden sluit de afweging die de raad bij de vaststelling van het plan heeft moeten maken, nauw aan bij de afweging van het college van burgemeester en wethouders in het kader van de verzochte vrijstelling en vergunningen. De verandering van gebruik die mogelijk is gemaakt door de verleende vrijstelling en vergunningen is onherroepelijk geworden en moet derhalve voor rechtmatig worden gehouden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval een andere afweging had moeten maken, nu het plan niet verschilt van hetgeen de vrijstelling en vergunningen mogelijk maken en [appellant sub 3], [appellant sub 4] en de Klankbordgroep niet hebben gesteld dat er ten tijde van de vaststelling van het plan een verandering van omstandigheden was ten opzichte van het besluit op bezwaar omtrent de vrijstelling en vergunningen die daartoe noopte.

2.9.4. Het betoog van de Klankbordgroep met betrekking tot de motivering van de ten behoeve van de verleende vrijstelling door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant afgegeven verklaring van geen bezwaar kan niet slagen. Die verklaring van geen bezwaar is in de voorliggende procedure, die het bestemmingsplan betreft, niet aan de orde. De Afdeling overweegt voorts dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Het betoog van de Klankbordgroep met betrekking tot de spoorwissels "41A" en "41B" is in de in 2.9.1. genoemde uitspraak in zaak nr. 201011592/1/H1 ongegrond bevonden. Ter zitting heeft de raad overigens onweersproken verklaard dat de spoorwissels in kwestie inactief zijn. Het betoog ten slotte dat bij de besluitvorming is uitgegaan van verkeerde bebouwingsgegevens is niet nader toegelicht. De enkele stelling op dit punt geeft geen grond voor het oordeel dat het plan op dat punt de toets in rechte niet kan doorstaan.

Voor zover [appellant sub 3] en [appellant sub 4] nog hebben betoogd dat hun uitzicht wordt verminderd en het openbaar groen en het openbaar karakter ter plaatse verloren zullen gaan, wordt overwogen dat geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht en niet is gebleken dat hun woon- en leefklimaat in zoverre onevenredig wordt aangetast.

2.9.5. In hetgeen [appellant sub 3], [appellant sub 4] en de Klankbordgroep voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] zijn geheel en het beroep van de Klankbordgroep is in zoverre ongegrond.

Het zorgappartementencomplex

2.10. Voorts is het beroep van de Klankbordgroep gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen", voor zover deze is toegekend aan het perceel dat ligt achter de Schoolstraat 48. Op dit perceel worden 37 nieuwe zorgappartementen beoogd.

De Klankbordgroep betoogt dat in het rapport "Onderzoek Externe Veiligheid Nicasiushuis Heeze-Leende van SRE Milieudienst ten onrechte geen rekening is gehouden met de spoorwissels "41 A" en "41 B". Bovendien is daarbij volgens haar van verkeerde bebouwingsgegevens uitgegaan.

2.10.1. Bij besluit van 8 december 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende aan Stichting WoCom vrijstelling van het destijds geldende bestemmingsplan "De Kaarsvelden" en reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van een gebouw met 37 zorgappartementen ten behoeve van het Nicasiushuis op het perceel, plaatselijk bekend als gelegen achter Schoolstraat 48. Gelet op de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 september 2010, in zaak nr. 10/210 en het vervolgens ingetrokken hoger beroep hiertegen bij de Afdeling, zijn voornoemde vrijstelling en vergunning onherroepelijk geworden.

2.10.2. Met het plan is beoogd om hetgeen met de vrijstelling en vergunning ter plaatse mogelijk is gemaakt, planologisch vast te leggen. Onder deze omstandigheden sluit de afweging die de raad bij de vaststelling van het plan heeft moeten maken, nauw aan bij de afweging van het college van burgemeester en wethouders in het kader van de verzochte vrijstelling en vergunning. De verandering van gebruik die mogelijk is gemaakt door de verleende vrijstelling en vergunning is onherroepelijk geworden en moet derhalve voor rechtmatig worden gehouden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval een andere afweging had moeten maken, nu het plan niet verschilt van hetgeen de vrijstelling en vergunning mogelijk maken en de Klankbordgroep niet heeft gesteld dat er ten tijde van de vaststelling van het plan een verandering van omstandigheden was ten opzichte van de beslissing op bezwaar omtrent de vrijstelling en vergunning die daartoe noopte.

2.10.3. Ten aanzien van het betoog van de Klankbordgroep met betrekking tot de spoorwissels "41A" en "41B" overweegt de Afdeling dat door de raad, zoals ook in 2.9.4 is overwogen, ter zitting onweersproken is verklaard dat de spoorwissels in kwestie inactief zijn.

Voorts heeft de Klankbordgroep haar stelling dat bij de besluitvorming over het zorgappartementencomplex is uitgegaan van verkeerde bebouwingsgegevens niet nader toegelicht. De enkele stelling ter zake geeft geen grond voor het oordeel dat het plan op dat punt de toets in rechte niet kan doorstaan.

2.10.4. In hetgeen de Klankbordgroep heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Klankbordgroep is derhalve ook op dit punt ongegrond.

De Bergerhofschool

2.11. [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] en anderen richten zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" voor het perceel aan de Pastoor Gastlaan. Op dit perceel, dat onderdeel uitmaakt van de ontwikkelingslocatie Bergerhof, is de nieuwbouw van de Bergerhofschool voorzien.

Zij betogen dat niet vast staat dat behoefte bestaat aan de voorziene nieuwbouw. Het aantal leerlingen daalt en bovendien streeft de gemeente naar de ontwikkeling van brede scholen op andere locaties terwijl de Bergerhofschool geen brede school is.

Daarnaast betogen zij dat de nieuwbouw van de Bergerhofschool niet financieel uitvoerbaar is, omdat deze moet worden gefinancierd uit woningbouw, terwijl niet bekend is waar deze woningen zullen worden gerealiseerd. De beoogde financiering door de tevens binnen de locatie Bergerhof voorziene patiowoningen op het naastgelegen perceel Pastoor Gastlaan 2 is volgens hen allerminst zeker, nu bij de vaststelling van het plan een VVD-amendement is aangenomen op grond waarvan de bestemming "Wonen - uit te werken" aan dit perceel is toegekend.

2.11.1. Het plan strekt tot herbouw van de 40 jaar oude Bergerhofschool, die niet meer voldoet aan de eisen van deze tijd voor het geven van basisonderwijs. Naar de raad ter zitting onweersproken heeft verklaard, is de gemeente wettelijk verplicht tot de herbouw. De noodzaak van realisering van de school is daarmee een gegeven. De behoefte aan de school staat reeds daarom niet ter beoordeling.

2.11.2. In het kader van een beroep tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen een periode van in beginsel tien jaar.

2.11.3. Blijkens de stukken was de financiering van de bouw van de school aanvankelijk deels voorzien uit de opbrengsten van de realisatie van woningbouw in de directe omgeving. Ter zitting is door de raad verklaard dat, omdat de gemeente wettelijk verplicht is tot herbouw van de school, de financiering van de school zal worden bekostigd uit de algemene middelen. De koppeling van de financiering van de school aan de realisering van woningbouw ter plaatse is daarmee losgelaten. Hetgeen [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] en anderen voor het overige hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt financieel uitvoerbaar is.

2.12. [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] en anderen betogen voorts dat is gehandeld in strijd met de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering", omdat de nieuwbouw van de school op ongeveer 4 meter van bestaande woningbouw is voorzien en daarmee niet voldoet aan de richtafstand van 30 meter uit de VNG-brochure. Hierdoor zullen het woongenot en de privacy worden aangetast, mede gelet op de toegestane bouwhoogte van 10 meter.

2.12.1. Volgens de plantoelichting heeft de raad bij de voorbereiding van het plan de VNG-brochure 2007 toegepast.

In die brochure, voor zover hier van belang, staat dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging, waarbij direct naast woningen ook andere functies voorkomen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gelet op het verhandelde ter zitting, waaruit naar voren is gekomen dat in de omgeving ook andere functies voorkomen dan wonen, zoals een sporthal, een dokterspraktijk, een notariskantoor en een doe-het-zelfwinkel, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat de school is gelegen binnen een gemengd gebied. In de VNG-brochure staat dat men binnen gemengde gebieden - hier aangeduid als gebieden met functiemenging - te maken heeft met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. In bijlage 4 van de VNG-brochure is een staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen, die specifiek is gericht op de toelaatbaarheid van milieubelastende activiteiten binnen gebieden met functiemenging. Deze staat van bedrijfsactiviteiten bevat geen richtafstanden, maar categorieën A, B of C, die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. De functie basisschool is in de VNG-brochure ingedeeld in categorie B. Volgens de VNG-brochure kunnen activiteiten in categorie B in een gebied met functiemenging worden uitgeoefend indien zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies plaatsvinden. Nu de school zal worden gevestigd in een gebouw dat bouwkundig afgescheiden is van woningen en andere gevoelige functies, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat aan het gestelde in de VNG-brochure is voldaan.

Voorts is vast komen te staan dat de nieuwe school nagenoeg op dezelfde plek zal komen als de bestaande. Weliswaar is het bouwvlak enigszins opgeschoven maar de speelplaats is, naar de raad heeft verklaard, op een grotere afstand van de woningen aan de Pastoor Gastlaan voorzien. Bovendien is komen vast te staan dat de maximaal toegestane bouwhoogte geringer is dan de hoogte die onder het voorheen geldende planologische regime mogelijk was en is niet aannemelijk gemaakt dat de hoogte van de school van 10 meter, gelet op de hoogten van bestaande gebouwen in de directe omgeving, zal detoneren.

Een en ander overziende is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat ten gevolge van het plan op dit punt geen ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] en anderen zal plaatsvinden.

2.13. Voor zover [appellant sub 6] en anderen betogen dat door de nieuwbouw van de Bergerhofschool te weinig ruimte overblijft ten behoeve van de bijbehorende speelplaats voor de kinderen van de school, omdat naar zij stellen in de nieuw te bouwen school geen ruimte is voor voorzieningen om kinderen op te vangen bij slecht weer of overblijven, wordt overwogen dat dit uitvoeringsaspecten betreffen die in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Ook dit betoog faalt.

2.14. In hetgeen [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] en anderen zijn in zoverre ongegrond.

De patiowoningen

2.15. Voorts richten [appellant sub 5] en anderen, [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 7] zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen - uit te werken" voor het perceel aan de Pastoor Gastlaan 2. Zij achten deze bestemming te globaal. Het aantal te realiseren woningen binnen deze bestemming is niet in de uitwerkingsregels opgenomen en ook is de maximale bouwhoogte van de woningen niet afgebakend. Weliswaar wordt hiervoor bij de planregels van de bestemming "Wonen - 1" aangesloten, maar hiervan kan worden afgeweken door een daarvoor opgenomen aanduiding op de verbeelding. Daarnaast wordt in de uitwerkingsregels verwezen naar de nota "Regie op Wonen". De herkomst daarvan en door wie deze is vastgesteld, is niet bekend. Zij betogen voorts dat de behoefte aan de woningbouw onduidelijk is, zeker nu er reeds leegstand is als gevolg van uitgevoerde bouwplannen in de directe omgeving. Voorts is volgens [appellant sub 7] sprake van bevolkingskrimp in de regio.

2.15.1. Ingevolge artikel 21 van de planregels, behorend bij de uit te werken bestemming "Wonen - uit te werken", zijn de voor deze bestemming aangewezen gronden bestemd voor woningen, een schooltuin, groenvoorzieningen, wegen, paden, parkeren en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Uit voormelde planregel volgt voorts dat voor de functies wonen, groenvoorzieningen en wegen de daarvoor in het voorliggende plan opgenomen planregels van toepassing zijn. In het aldus van toepassing zijnde artikel 19, lid 19.2.2, onder f, is de maximale bouwhoogte bepaald op 10 meter, tenzij anders is aangeduid. Voorts dient volgens artikel 21, lid 21.2, onder d, bij de uitwerking de nota "Regie op Wonen" van de raad als uitgangspunt te worden aangehouden voor het type woningen. Daarnaast volgt uit de uitwerkingsregels dat de bestaande infrastructuur behouden dient te blijven en dat het plantsoen aan de Pastoor Gastlaan gehandhaafd dan wel gecompenseerd dient te worden.

Blijkens de stukken zouden, gelet op de grootte van het perceel, 18 woningen kunnen worden gerealiseerd. Naar de raad ter zitting heeft verklaard kunnen ter plaatse echter, onder meer door de hiervoor genoemde uitwerkingsregel dat de bestaande infrastructuur gehandhaafd dient te blijven, minder dan 18 woningen worden gebouwd.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat in de uitwerkingsregels voldoende inzicht wordt geboden in de toekomstige ontwikkeling van de bestemming "Wonen - uit te werken", op grond waarvan de raad in redelijkheid deze uit te werken bestemming aan het perceel Pastoor Gastlaan 2 heeft kunnen toekennen.

Dat in de uitwerkingsregels niet op alle door [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] en anderen gewenste onderdelen is ingegaan leidt niet tot een ander oordeel, nu het belang van de rechtszekerheid niet zo ver strekt, dat voor elk afzonderlijk deel van het uit te werken plandeel op voorhand duidelijk moet zijn over welke bouw- en gebruiksmogelijkheden kan worden beschikt.

Het beroep van [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] en anderen op de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2011, zaak nr. 200906804/1/R3 kan evenmin slagen nu het in dat geval, anders dan hier, ging om een uitwerkingsbevoegdheid voor de realisering van duizenden woningen, waarbij de uitwerking afhankelijk was gesteld van een beslissing omtrent de noodzaak van de ontwikkeling door een ander overheidslichaam en bij de uitwerking bovendien tussen drie sterk verschillende alternatieven moest worden gekozen. De omvang van hetgeen in dat geval met de uitwerkingsbevoegdheid mogelijk werd gemaakt en de mate van onzekerheid over de uitvoering waren van een zodanig andere orde van grootte dan in het voorliggende geval, dat aan de uitspraak van de Afdeling daaromtrent geen consequenties kunnen worden verbonden voor het voorliggende plan.

2.15.2. De raad heeft ter zitting verklaard dat op dit moment nog slechts de bouw van 8 patiowoningen ter plaatse wordt voorzien. Blijkens onderzoek bestaat, gelet op de bevolkingssamenstelling binnen de gemeente, specifieke vraag naar patiowoningen. De leegstand van woningen in de directe omgeving, waarop betrokkenen hebben gewezen, betreft een ander type woonhuizen, zodat daaraan geen conclusies kunnen worden verbonden over de behoefte aan het hier voorziene type woningen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in een reëel bestaande behoefte aan deze woningen.

2.16. [appellant sub 7] heeft aangevoerd dat de situatie uit het vorige plan moet worden gehandhaafd. Daarin zou het perceel onbebouwd blijven. Verder zijn de op het perceel voorziene ontwikkelingen in strijd met het coalitieakkoord "Met gepaste ambitie" van 29 maart 2010, omdat hieruit volgt dat de bestaande infrastructuur en het openbaar groen behouden moeten blijven. Bovendien heeft de raad zijn bevoegdheid misbruikt bij de vaststelling van het plan, nu dit enkel een financieel belang zou dienen, aldus [appellant sub 7].

2.16.1. De Afdeling overweegt ter zake dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend en dat de raad bij de vaststelling van een plan een grote mate van beleidsvrijheid toekomt. Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van een plan door de Afdeling staat de interne politieke besluitvorming binnen de raad niet ter beoordeling. Overigens is, zoals ook hiervoor in 2.15.2 is vermeld, in de planregels vastgelegd dat de bestaande infrastructuur behouden moet blijven en het bestaande plantsoen aan de Pastoor Gastlaan gehandhaafd dient te blijven of gecompenseerd dient te worden. [appellant sub 7] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de raad bij het gebruik van zijn bevoegdheid om een plan vast te stellen hiervan misbruik heeft gemaakt als bedoeld in artikel 3:3 van de Awb. Het betoog faalt.

2.17. Voorts betoogt [appellant sub 7] dat is gehandeld in strijd met de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering", omdat de voorziene woningen op minder dan de richtafstand van 30 m van de naastgelegen school komen te liggen.

Zoals in 2.12.1 is overwogen, zijn de richtafstanden van de VNG-brochure, gezien de bestaande functiemenging in het gebied, hier niet van toepassing. Mitsdien is, anders dan is betoogd, niet van de richtafstand uit de VNG-brochure afgeweken. Het betoog slaagt derhalve niet.

2.18. Voor zover [appellant sub 7] een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, omdat in het voorliggende plan groenstroken worden verwijderd, terwijl in andere bestemmingsplannen bij de transformatie van bedrijventerreinen in woonwijken groenstroken worden opgenomen, wordt overwogen dat het voorliggende plan een bestaand woongebied betreft en geen transformatie van een bedrijventerrein in een woonwijk. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad van de gemeente Heeze-Leende zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door hem genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Reeds hierom faalt dit betoog.

2.19. [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 6] en anderen betwisten de noodzaak van de nieuwe ontsluitingsweg van de voorziene woningen tussen de Dirk Heziuslaan en de Pastoor Gastlaan. Uit het verweerschrift volgt dat deze weg zal worden gebruikt als "kiss-&-ride zone" ten behoeve van de daarnaast voorziene nieuw te bouwen Bergerhofschool en niet slechts dient als ontsluitingsweg. De Afdeling acht de noodzaak hiermee voldoende aangetoond. Het betoog faalt.

2.19.1. Voor het overige hebben [appellant sub 5] en anderen zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze.

In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Zij hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het beroep faalt derhalve ook in zoverre.

2.20. In hetgeen [appellant sub 5] en anderen, [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 7] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 5] en anderen, [appellant sub 6] en anderen en [appellant sub 7] zijn ook op dit punt ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

2.21. [appellant sub 8] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Centrum" voor de percelen die grenzen aan zijn woning aan het [locatie 3], te weten de percelen aan de Jan Deckersstraat nr. 7 en nr. 13-15, met de respectieve aanduidingen "horeca" en "detailhandel".

Hij betoogt dat de digitale verbeelding ten onrechte afwijkt van de papieren verbeelding, nu op de digitale verbeelding voor alle percelen met de bestemming "Centrum" de aanduiding "bijgebouwen" is opgenomen. Hierdoor is binnen vrijwel de gehele bestemming "Centrum" de realisering van bijgebouwen toegestaan, aldus [appellant sub 8].

2.21.1. Ingevolge artikel 1.2.3, tweede lid, van het Bro is indien na vaststelling van een bestemmingsplan de inhoud van het langs elektronische weg vastgelegde bestemmingsplan en die van de verbeelding daarvan op papier tot een verschillende uitleg aanleiding geeft, de eerstbedoelde inhoud beslissend.

Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, voor zover van belang, is artikel 1.2.3 niet van toepassing op bestemmingsplannen waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor 1 januari 2010.

Ingevolge het tweede lid, voor zover van belang, is indien de inhoud van plannen op papier, bedoeld in het eerste lid, en de inhoud van de verbeelding daarvan in elektronische vorm tot verschillende uitleg aanleiding geeft, in afwijking van artikel 1.2.3, tweede lid, de inhoud van de papieren vorm beslissend.

Nu de terinzagelegging van het ontwerp van het voorliggende plan voor 1 januari 2010 heeft plaatsgevonden, is de papieren verbeelding beslissend en komt aan de door [appellant sub 8] bestreden bebouwingsmogelijkheden op de verbeelding van het plan in elektronische vorm geen betekenis toe. Het betoog van [appellant sub 8] faalt derhalve.

2.22. Voorts betoogt [appellant sub 8] dat binnen de bestemming "Centrum" ten onrechte is voorzien in massieve bebouwing. Hij voert hiertoe aan dat het begrip "bouwperceel" als bedoeld in artikel 7, lid 7.2.1, onder b, van de planregels onvoldoende onderscheidend is ten opzichte van het begrip "perceel". Bovendien wordt in deze bepaling ten onrechte onderscheid gemaakt tussen de maximale bebouwingspercentages voor percelen met niet woongerelateerde functies (80%) en percelen met daarop uitsluitend een woonfunctie (60%). Voor beide zou een percentage van 60% moeten gelden. Voorts mag bij een functie anders dan wonen ten onrechte van het maximale bebouwingspercentage worden afgeweken bij ontheffing ingevolge artikel 7, lid 7.4.1, aanhef, en onder a, van de planregels op grond waarvan het bebouwingspercentage 100% mag bedragen.

Verder betoogt hij dat de ingevolge artikel 7, lid 7.2.4, onder c, maximaal toegestane bouwhoogte van 6 m voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen de massale bebouwing versterkt. Weliswaar kan het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 7, lid 7.3 nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, maar hieraan zijn volgens hem ten onrechte geen rechtsbeschermingsmogelijkheden verbonden.

2.22.1. Ingevolge artikel 1.25 van de planregels wordt onder "bouwperceel" verstaan: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

Het begrip "perceel" is in artikel 1 niet gedefinieerd.

Ingevolge artikel 1.27 wordt onder "bouwvlak" verstaan: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2.1, onder b, bedraagt het bebouwingspercentage per bouwperceel maximaal 80%, behoudens op de percelen met uitsluitend een woonfunctie, waar een bebouwingspercentage van maximaal 60% is toegestaan.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2.4, onder c, bedraagt de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen maximaal 3,5 m en de bouwhoogte maximaal 2/3 van de bouwhoogte van het hoofdgebouw met een maximum van 6 m, dan wel de hoogte van de 1e bouwlaag vermeerderd met 0,25 m, met dien verstande dat de hoogte in elk geval moet zijn gelegen binnen een denkbeeldig vlak onder 65º, gaande door de goothoogtelijn van 3,5 m op de zijdelingse perceelsgrens.

Ingevolge artikel 7, lid 7.3, aanhef, en onder a tot en met e, kan het college van burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van een samenhangend stedenbouwkundig beeld, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de milieusituatie.

Ingevolge artikel 7.4.1, aanhef en onder a, en onder 1 en 2, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het in artikel 7, lid 7.2.1, onder b, bepaalde bebouwingspercentage bij een functie anders dan wonen, tot 100% van het perceel, mits deze uitbreiding naar functie, aard en omvang van de bebouwing en de distributieplanologische consequenties inpasbaar is en deze uitbreiding is gelegen ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen".

Ingevolge artikel 7, lid 7.4.2, aanhef en onder a tot en met e, van de planregels kunnen de ontheffingen genoemd in lid 7.4.1, a, onder 1 en 2, van de planregels slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van een samenhangend stedenbouwkundig beeld, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de verkeersveiligheid, de distributieplanologische structuur en de sociale veiligheid.

2.22.2. Anders dan [appellant sub 8] betoogt is de Afdeling van oordeel dat voldoende duidelijk is wat met het begrip "bouwperceel" wordt bedoeld. De begripsomschrijving hiervan is weergegeven in artikel 1.25 van de planregels en komt overeen met de terminologie die in de door [appellant sub 8] bestreden planregel wordt gehanteerd. Uit de verbeelding volgt dat, voor zover hier van belang, aan de percelen met de bestemming "Centrum" bouwvlakken zijn toegekend die zijn weergegeven overeenkomstig de gelijknamige aanduiding. Met een bouwvlak zijn ingevolge artikel 1.27 van de planregels gronden aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. Daarnaast is aan deze percelen de aanduiding "grens bouwaanduiding" toegekend met daarbinnen, voor zover hier van belang, de aanduiding "bijgebouwen". De aanduiding "grens bouwaanduiding" omvat, in tegenstelling tot de aanduiding "bouwvlak", verscheidene aaneengesloten percelen. Met "bouwperceel" wordt, naar de raad ter zitting heeft bevestigd, het hele perceel bedoeld, dat wil zeggen binnen en buiten het bouwvlak. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat over het begrip "bouwperceel" redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan.

2.22.3. Zoals in 2.22.1 is vermeld, is in artikel 7, lid 7.4.1, aanhef en onder a, en onder 1 en 2, van de planregels een ontheffingsbevoegdheid opgenomen waarmee een groter maximaal bebouwingspercentage kan worden toegestaan bij een functie anders dan wonen. Het betreft hier een bevoegdheid, tegen de toepassing waarvan rechtsbescherming openstaat. Voorts kan ingevolge artikel 7, lid 7.4.1, aanhef, en onder 1 en 2, van de planregels de ontheffing alleen worden verleend mits deze uitbreiding naar functie, aard en omvang van de bebouwing en de distributieplanologische consequenties inpasbaar is en deze uitbreiding is gelegen ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen".

Bovendien volgt uit artikel 7, lid 7.4.2, aanhef en onder a tot en met e, van de planregels dat, voor zover hier van belang, de ontheffingen genoemd in lid 7.4.1, aanhef, en onder a, onder 1 en 2, van de planregels slechts kunnen worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van een samenhangend stedenbouwkundig beeld, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de verkeersveiligheid, de distributieplanologische structuur en de sociale veiligheid.

Gelet op de inhoud van voornoemde bepalingen wordt naar het oordeel van de Afdeling de mogelijkheid van zorgvuldige toepassing van de ontheffingsbevoegdheid en afweging van de belangen van [appellant sub 8] in voldoende mate gewaarborgd en heeft de raad in redelijkheid deze ontheffingsbevoegdheid in het plan kunnen opnemen.

2.22.4. Wat betreft het onderscheid in maximale bebouwingspercentages volgt uit het verweerschrift dat de raad voor de woonfuncties binnen de bestemming "Centrum" heeft willen aansluiten bij de planregels ter zake van de woonbestemmingen in het plan voor bouwpercelen tot 250 m². De Afdeling acht deze keuze niet onredelijk. Hiertoe wordt overwogen dat blijkens artikel 7, lid 7.2.1, onder b, van de planregels het maximale bebouwingspercentage 80% bedraagt, tenzij sprake is van een woonfunctie waarvoor een maximaal bebouwingspercentage van 60% is opgenomen. Dit bebouwingspercentage van 60% sluit aan bij de woonbestemmingen in het plan die zijn onderverdeeld in de bestemmingen "Wonen - 1" en "Wonen - 2". Uit artikel 19, lid 19.2.1, onder a, onderscheidenlijk artikel 20, lid 20.2.1, onder b, van de planregels volgt dat voor deze woonbestemmingen eveneens een bebouwingspercentage van 60% is gehanteerd. Door in zoverre aan te sluiten bij het maximale bebouwingspercentage van de woonbestemmingen wordt de uniformiteit van woonfuncties in het plangebied gewaarborgd. Dat voor de overige functies binnen de bestemming "Centrum" een maximaal bebouwingspercentage van 80% is opgenomen is niet ongebruikelijk, gelet op het feit dat binnen deze bestemming bedrijfsactiviteiten plaatsvinden zoals horeca en detailhandel.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid een onderscheid kunnen maken in maximale bebouwingspercentages binnen de bestemming "Centrum".

2.22.5. Wat betreft de maximaal toegestane bouwhoogte van 6 meter als bedoeld in artikel 7, lid 7.2.4, onder c, van de planregels volgt uit de verbeelding dat de tuinzijde van de woning van [appellant sub 8] grenst aan de percelen waaraan de bestemming "Centrum" is toegekend. Deze percelen liggen op hun beurt aan de Jan Deckersstraat in de kern van Heeze, die onderdeel uitmaakt van een lange winkelstraat met diverse vormen van detailhandel en horecagelegenheden. Op de verbeelding is dit weergegeven met de aanduiding "overig - kernwinkelgebied". Gelet op dit stedelijke karakter van het gebied en de reeds bestaande bouwhoogten in de omgeving heeft de raad een dergelijke bouwhoogte in redelijkheid niet onaanvaardbaar hoeven achten.

2.23. Voorts vindt [appellant sub 8] onduidelijk welke betekenis aan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" toekomt naast de toegekende bestemming "Centrum". Dienaangaande wordt overwogen dat uit artikel 24, lid 24.1, van de planregels volgt dat de voor "Waarde - Archeologie" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede zijn bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden. [appellant sub 8] heeft niet onderbouwd waarom deze dubbelbestemming onduidelijk zou zijn. Het betoog faalt.

2.24. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 9]

2.25. [appellant sub 9] woont aan de [locatie 4]. Zijn beroep steunt, voor zover gericht tegen de vaststelling van verbeelding 3.3, die volgens [appellant sub 9] niet correspondeert met de "Kaart bestaande situatie (zuid)" en de ontwikkelingsschets, en voor zover gericht tegen de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied (1)", niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, planregels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een over het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellant sub 9] is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.25.1. [appellant sub 9] heeft voorts een aantal gronden aangevoerd die tevens onderdeel vormden van zijn beroep tegen het besluit van de raad van 2 februari 2009 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende". Dit beroep is door de Afdeling bij uitspraak van 15 april 2011, zaak nr. 200902795/1/R3 (www.raadvanstate.nl) ongegrond verklaard. Nu [appellant sub 9] geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die tot een ander oordeel nopen, komen deze beroepsgronden hier niet meer aan de orde.

2.25.2. Voorts heeft [appellant sub 9] zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze.

In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 9] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.25.3. In hetgeen [appellant sub 9] overigens nog heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 9] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

De beroepen van de IVN, [appellant sub 11] en de BOT

2.26. De IVN, [appellant sub 11] en de BOT richten zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen - 2" voor het perceel tussen de Spoorlaan en de Jan Deckersstraat, ook bekend als "D'n Toversnest" (hierna: het perceel) waar 81 appartementen zijn voorzien.

De BOT betoogt dat de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte slechts is uitgegaan van een afstand van de aangrenzende parochietuin tot aan het perceel van 3,5 m. De BOT stelt voorts dat door de realisatie van het appartementencomplex een tekort aan parkeerplaatsen zal ontstaan.

2.27. De pastorietuin ligt binnen de bestemming "Groen - 1" en grenst aan het perceel. Uit de verbeelding volgt dat de afstand van het bouwvlak voor het voorziene appartementencomplex tot aan deze bestemming tussen de 1 m en 6 m bedraagt. Niet is aangetoond dat deze afstanden onredelijk zijn. Het betoog faalt.

2.27.1. In het vorige plan bestond de parkeerlocatie voor D'n Toversnest uit 40 parkeerplaatsen (P1). Daarnaast lag langs de Spoorlaan een tweede parkeerlocatie bestaande uit 32 openbare parkeerplaatsen (P2). De locatie P1 blijft in het voorliggende plan gehandhaafd en de locatie P2 wordt opgeheven.

Voor de voorziene ontwikkelingen op het perceel is de "Verkeerstoets D'n Toversnest Heeze" van ARCADIS van 13 mei 2009 (hierna: het rapport) uitgevoerd. Hieruit volgt dat de parkeergelegenheid voor de appartementen voldoet aan de gestelde parkeernormen. Er wordt een parkeerkelder gerealiseerd met 100 parkeerplaatsen en 3 parkeerplaatsen op maaiveldhoogte. Wat betreft de maatschappelijke functies in het plangebied geldt dat deze nu gebruik maken van het parkeerterrein voor D'n Toversnest (P1) en ze dat ook in de toekomstige situatie kunnen blijven doen. De omvang van de functies neemt af waardoor het niet waarschijnlijk is dat het tot een knelpunt leidt op het parkeerterrein. Voorts volgt uit het rapport dat het opheffen van de parkeerlocatie P2, die een maximale bezettingsgraad heeft van 24, indien nodig kan worden gecompenseerd door het optimaliseren van de parkeerlocatie P1, het deels openstellen van de parkeerkelder van het appartementencomplex, dan wel het verhuren van parkeerplaatsen in de parkeerkelder en het aanbrengen van extra parkeerplaatsen op maaiveldhoogte in het plangebied. De Afdeling ziet in hetgeen de BOT heeft aangevoerd geen aanleiding om in zoverre aan de bevindingen uit het rapport te twijfelen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de BOT geen tegenrapport heeft overgelegd.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat er voldoende parkeergelegenheid is ten behoeve van het perceel en de daarop voorziene ontwikkelingen.

2.28. Voorts betoogt de BOT onder verwijzing naar het rapport "Bomen Effect Analyse Pastorietuin, Heeze" van mei 2010 door Copijn Boomspecialisten (hierna: het bomenonderzoek) dat de verwachting is dat de beschermde bomen in de pastorietuin niet duurzaam zijn te handhaven als gevolg van het voorziene appartementencomplex. De IVN betoogt in dit kader dat de leefomstandigheden van de oude beeldbepalende bomen in de aangrenzende pastorietuin zullen verslechteren als gevolg van de bouw van de appartementen.

2.28.1. Uit het bomenonderzoek volgt dat wanneer voor boombehoud wordt gekozen, het ontwerp van het voorziene appartementencomplex op meerdere punten aangepast dient te worden. Anders zal dit ingrijpende gevolgen hebben voor het bomenbestand, waaronder twee landelijk geregistreerde monumentale bomen in de pastorietuin. Wordt het met het plan beoogde ontwerp echter uitgevoerd, dan dient nog een analysebemalingsrapport, een vochtmonitoringsplan en een boombeschermingsplan te worden opgesteld, aldus het bomenonderzoek.

2.28.2. De pastorietuin grenst aan het perceel. In het vorige plan hadden zowel de pastorietuin als een deel van het perceel de bestemming "Groen (G)". In het voorliggende plan is voor de pastorietuin met de daarin aanwezige bomen wederom een groenbestemming opgenomen met de bestemming "Groen - 1". Voor het perceel, waarop 81 appartementen zijn beoogd, is de bestemming "Wonen - 2" in het plan opgenomen. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn, voor zover hier van belang, ingevolge artikel 20, lid 20.1, aanhef en onder d, van de planregels eveneens bestemd voor bij deze bestemming behorende groenvoorzieningen.

Niet in geschil is dat ten behoeve van de realisering van de appartementen in het plangebied enkele bomen zullen moeten worden gekapt. Het betreft hier, naar de raad ter zitting heeft verklaard, echter geen monumentale bomen. Dat laatste geldt wel voor de bomen in de pastorietuin. Schade door de realisering van de appartementen aan de monumentale bomen in de pastorietuin zou volgens de raad eventueel kunnen ontstaan door onttrekking van grondwater aan de bodem. Ter voorkoming daarvan zal, naar de raad ter zitting heeft verklaard, een onderzoek worden uitgevoerd naar de grondwaterstand en zal een beheersplan worden opgesteld voor de bescherming van de bomen tijdens de bouwwerkzaamheden. Bovendien is, met het oog op de bomen, het bouwplan ten opzichte van het ontwerpplan vijf meter verschoven, waardoor de appartementen op een grotere afstand van de bomen komen te liggen. Mede gelet op het voorgaande acht de Afdeling aannemelijk dat de monumentale bomen in de pastorietuin afdoende zullen worden beschermd, dat de karakteristieke bomen binnen de bestemming "Wonen -2" zoveel mogelijk behouden zullen blijven en dat bij de realisatie van het plan ook het behoud van de overige in de pastorietuin aanwezige waarden voldoende is gewaarborgd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een onevenredige aantasting van het groen ter plaatse geen sprake zal zijn.

2.29. [appellant sub 11], die woont aan de [locatie 5], betoogt dat het voorziene appartementencomplex in strijd is met het vorige bestemmingsplan en met hetgeen in de plantoelichting is vermeld over het groene dorpshart binnen de kern van Heeze. Verder is het appartementencomplex naar zijn mening in strijd met het beeldkwaliteitsplan "Beeldkwaliteit Plangebied, Heeze" uit 1998 van Cornelis van de Ven BV Architecten BNA, omdat hieruit zou volgen dat in het plan geen appartementencomplex met vier lagen met kap is toestaan. Voorts betogen [appellant sub 11] en de BOT dat het plan in strijd is met afspraken die bij de verkoop van het perceel zijn gemaakt en aan de notariële akte van verkoop uit 2006 zijn gehecht. De BOT stelt hierover dat de in het plan opgenomen goot- en bouwhoogte van het appartementencomplex ten onrechte afwijken van de verkoopvoorwaarden van het appartementencomplex.

2.29.1. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Voorts komt aan de plantoelichting geen juridische betekenis toe omdat deze in tegenstelling tot de planregels en de verbeelding niet bindend is.

Verder dient de Afdeling voorbij te gaan aan hetgeen [appellant sub 11] en de BOT hebben gesteld over de voorgeschiedenis van het perceel wat betreft de verkoopafspraken, nu in deze procedure slechts de aanvaardbaarheid van het voorliggende plan ter beoordeling staat. Van een toezegging zijdens de raad dat de goot- en bouwhoogte van dat appartementencomplex blijvend zouden vaststaan, is niet gebleken. Ook uit het beeldkwaliteitsplan volgt, anders dan [appellant sub 11] betoogt, niet dat een appartementencomplex met vier lagen met kap op het perceel niet is toegestaan.

2.30. De IVN heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze.

In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. De IVN heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

2.31. In hetgeen de IVN, [appellant sub 11], en de BOT hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van de IVN, [appellant sub 11], en de BOT zijn ongegrond.

Proceskosten

2.32. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 9] wat betreft verbeelding 3.3 en de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied (1)" niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Heeze-Leende van 22 februari 2010 voor zover het betreft de aanduiding "maximale bebouwingspercentage (%): 60" en voor zover niet is voorzien in een bouwvlak op het perceel Heeze F 5050 met betrekking tot de Nieuwendijk 36;

IV. bepaalt dat het onder III genoemde bouwvlak wordt aangegeven zoals op de bij deze uitspraak behorende kaart;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], [appellanten sub 4], [appellant sub 5] en anderen, [appellant sub 6] en anderen, [appellant sub 7], [appellant sub 8], IVN-Heeze-Leende, [appellant sub 11] en Belanghebbenden Omgeving Toversnest geheel en het beroep van [appellant sub 9] voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Heeze-Leende tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Heeze-Leende aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011

240.

<HR>

Kaart