Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7046

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
201103967/1/H4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 november 2009 heeft het college het verzoek van [appellant], om de aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te Leeuwarden in te trekken, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103967/1/H4.

Datum uitspraak: 7 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Leeuwarden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 maart 2011 in zaak nr. 10/1334 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2009 heeft het college het verzoek van [appellant], om de aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning voor het oprichten van een woning op het perceel [locatie] te Leeuwarden in te trekken, afgewezen.

Bij besluit van 6 juli 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. O.V. Wilkens en het college, vertegenwoordigd door H. Veenstra, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien de werkzaamheden langer dan de in de bouwverordening bepaalde termijn hebben stilgelegen.

Ingevolge artikel 4.1 van de bouwverordening van de gemeente Leeuwarden bedraagt deze termijn 26 weken.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren krachtens voormelde artikelen de aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning in te trekken. Daartoe voert hij aan dat hij door de trage bouwwerkzaamheden ernstige overlast ondervindt.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 april 2010 in zaak nr. 200905372/1/H1) is de intrekking van een bouwvergunning geen verplichting maar een bevoegdheid. De beslissing om al dan niet een bouwvergunning in te trekken op grond van artikel 59 van de Woningwet behoort tot de bevoegdheden van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperkten tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

2.2.2. Het college heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat de woning al grotendeels is opgericht, dat [vergunninghouder] nog steeds voornemens is de woning af te bouwen en dat de woning door het intrekken van de vergunning illegaal wordt, hetgeen in het uiterste geval gedwongen sloop ten gevolg kan hebben met bijkomende kapitaalvernietiging. Voorts heeft het college rekening gehouden met de moeilijke financiële situatie van [vergunninghouder]. Ook heeft het in aanmerking genomen dat [vergunninghouder] op grond van de akte van levering van 3 oktober 2005 gehouden is de woning af te bouwen en dat hij, privaatrechtelijk gezien, maar tot 1 november 2010 de tijd heeft de woning te voltooien, zodat mag worden verwacht dat [vergunninghouder] op korte termijn de woning zal afbouwen. Verder heeft het college bij de beoordeling betrokken dat een hekwerk geplaatst is rond de bouwplaats om de overlast voor [appellant] te beperken en dat deze verder wordt verminderd door het op korte termijn voltooien van de bestrating van de Noarder Stienplaat.

2.2.3. Gelet op die motivering heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid meer gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van [vergunninghouder] bij behoud van de bouwvergunning dan aan het belang van [appellant] bij intrekking daarvan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat weliswaar aannemelijk is dat [appellant] door de trage werkzaamheden enige mate van overlast ondervindt, maar [appellant] niet aan de hand van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat die overlast zodanig is, dat hij door die weigering onevenredig in zijn belangen wordt geschaad.

Dat [vergunninghouder] de woning op 1 november 2010 nog steeds niet had voltooid, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtmatigheid van het besluit op bezwaar moet worden beoordeeld naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen ervan. Nu voormelde omstandigheid zich eerst na dat besluit heeft voorgedaan, doet zij er niet aan af dat het college in de belangenafweging mocht betrekken dat [vergunninghouder] privaatrechtelijk gezien gehouden was de woning voor 1 november 2010 af te bouwen.

De opmerking van de rechtbank dat zij erop vertrouwt dat, nu de woning ten tijde van de zitting nog steeds niet was afgebouwd, het college zich grondig zal beraden over het al dan niet gebruik maken van de bevoegdheid om de bouwvergunning in te trekken, betreft een overweging ten overvloede die niet dragend is voor de beslissing in de aangevallen uitspraak. Hetgeen [appellant] daartegen heeft aangevoerd, kan dan ook evenmin leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het betoog faalt.

2.3. Voor zover [appellant] betoogt dat het college ten onrechte van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 8 maart 2010 is afgeweken, faalt dit. Het college mocht van dat advies afwijken en heeft dat deugdelijk, derhalve in overeenstemming met artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht gemotiveerd.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011

457-720.