Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7031

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
201111043/1/H3 en 201111043/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2011 heeft de burgemeester de door [appellant] geëxploiteerde horeca-inrichting op het adres [locatie] (hierna: het café) gesloten van 18 april 2011, 12:00 uur, tot 18 oktober 2011, 12:00 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111043/1/H3 en 201111043/2/H3.

Datum uitspraak: 1 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) van 2 september 2011 in de zaken nrs. 11/5932 en 11/5933 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Den Haag (hierna: de burgemeester).

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2011 heeft de burgemeester de door [appellant] geëxploiteerde horeca-inrichting op het adres [locatie] (hierna: het café) gesloten van 18 april 2011, 12:00 uur, tot 18 oktober 2011, 12:00 uur.

Bij besluit van 15 juli 2011 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij ongedateerde brief, aan [appellant] bekendgemaakt op of omstreeks 16 september 2011, heeft de burgemeester bepaald dat het café van 19 september 2011, 12:00 uur, tot 19 maart 2012, 12:00 uur, is gesloten.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2011, heeft [appellant]tegen de uitspraak van 2 september 2011 hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 oktober 2011. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 18 oktober 2011 heeft de burgemeester een verzoek van [appellant] om opheffing van de sluiting afgewezen en bepaald dat het café vanaf 12 maart 2012, 12:00 uur, weer geopend mag zijn.

Bij brief van 25 oktober 2011 heeft [appellant] nadere stukken ingediend.

Bij brief van 7 november 2011 heeft de burgemeester een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.P. van Delden, advocaat te Den Haag, en de burgemeester, vertegenwoordigd door M. Schut en R. den Hengst, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 2:28, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: de APV) is het, behoudens het bepaalde in artikel 2:28B, verboden zonder vergunning van de burgemeester een horeca-inrichting te exploiteren.

Ingevolge artikel 2:28C, tweede lid, aanhef en onder a, kan de burgemeester zodanige vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting door de aanwezigheid van de horeca-inrichting nadelig wordt beïnvloed.

Ingevolge artikel 2:29, eerste lid, aanhef en onder c, kan de burgemeester een horeca-inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd sluiten, indien zich een van de in artikel 2:28C, tweede lid, vermelde situaties voordoet.

2.3. In de "Toekomstvisie Horeca 2010-2015" (hierna: de Toekomstvisie) zijn beleidsregels betreffende de ingevolge de APV aan de burgemeester ter zake van horeca-inrichtingen toekomende handhavingsbevoegdheden gepubliceerd. Volgens de Toekomstvisie besluit de burgemeester bij eerste constatering van een zeer ernstig incident in beginsel tot sluiting van de horeca-inrichting voor de duur van zes maanden. Met een "zeer ernstig incident" wordt volgens de Toekomstvisie gedoeld op, onder meer, een schietincident, een steekincident, het aantreffen van een wapen, verwijtbaar handelen van de exploitant of geweld door personeel of bezoekers. In geval er aanleiding is tot matiging, kan de duur van de sluiting tot een periode van drie maanden worden beperkt. De burgemeester kan besluiten tot een sluiting voor de duur van twaalf maanden, indien de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, aldus de Toekomstvisie.

2.4. De burgemeester heeft aan het besluit van 12 april 2011 ten grondslag gelegd dat hem uit informatie van de politie is gebleken dat op 7 december 2010 in de hal van het café een steekincident heeft plaatsgevonden. Volgens de burgemeester wettigde dit incident de vrees dat het geopend blijven van het café gevaar oplevert voor de openbare orde en een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het café.

2.5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de burgemeester het café niet kon sluiten, althans niet in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten. Hij voert daartoe aan dat de burgemeester ten onrechte heeft aangenomen dat een steekincident heeft plaatsgevonden. De aan het besluit van 12 april 2011 ten grondslag gelegde processen-verbaal berusten niet op eigen waarnemingen van de desbetreffende verbalisanten, doch slechts op tegenover hen afgelegde verklaringen. De burgemeester heeft voorts de door de beheerder van het café afgelegde verklaring ten onrechte niet bij zijn besluitvorming betrokken. Uit die verklaring volgt dat het vermeende slachtoffer van het steekincident niet als gevolg van een steekpartij gewond is geraakt, maar doordat hij op glasscherven op de grond is gevallen. Die verklaring wordt gesteund door de schriftelijke verklaringen van bezoekers van het café die in bezwaar zijn overgelegd. Verder heeft de voorzieningenrechter miskend dat niet is gebleken dat de beheerder en hij verwijtbaar hebben gehandeld, aldus [appellant].

2.5.1. Volgens de aan het besluit van 12 april 2011 ten grondslag gelegde politierapportage is het desbetreffende slachtoffer op 7 december 2010 na een bezoek aan het café in het ziekenhuis opgenomen met verschillende steekwonden. Bij deze rapportage zijn op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal gevoegd van verklaringen die het slachtoffer, zijn vriendin en een andere bezoeker van het café tegenover de politie hebben afgelegd. Volgens de verklaring van het slachtoffer heeft hij in het café ruzie gekregen met drie andere personen. Daarbij is een worsteling ontstaan, waarbij de beheerder heeft ingegrepen. Vervolgens is het slachtoffer de hal van het café ingelopen om zijn vriendin te zoeken, die hij niet meer in het café zag. Omdat hij zijn vriendin niet buiten zag staan, is hij direct het café weer ingelopen. Bij het weer naar binnen lopen voelde hij iets op zijn rug en toen hij vervolgens met zijn hand naar achteren greep, voelde hij een hand ter hoogte van zijn billen. Daarna bleek hij te zijn gestoken. Hij heeft een steekwond aan zijn linkerbil opgelopen en twee steekwonden aan zijn rug, waarbij een long is geraakt, aldus de verklaring. In de verklaringen van de vriendin en de andere bezoeker wordt bevestigd dat in het café een ruzie en een worsteling tussen het slachtoffer en drie andere personen hebben plaatsgevonden, alsmede dat het slachtoffer daarna onder het bloed zat.

De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat de burgemeester op grond van de politierapportage en de daarbij gevoegde processen-verbaal mocht aannemen dat in de hal van het café een steekincident heeft plaatsgevonden. De door de beheerder van het café afgelegde verklaring is, gelet op de andere gerelateerde verklaringen, onvoldoende voor een ander oordeel. Die verklaring luidt dat in de hal van het café een worsteling heeft plaatsgevonden tussen het slachtoffer en drie andere personen, de beheerder ingreep door het slachtoffer het café in te trekken en zij vervolgens zijn uitgegleden en op glasscherven op de grond zijn gevallen. De beheerder zag volgens die verklaring toen dat het slachtoffer uit zijn rug bloedde. Die verklaring sluit niet uit dat het slachtoffer voor de val is gestoken. De schriftelijke verklaringen van bezoekers van het café die [appellant] in bezwaar heeft overgelegd, doen evenmin af aan hetgeen de voorzieningenrechter heeft overwogen. Die houden niet meer in, dan dat op 7 december 2010 niet in, maar voor het café een worsteling of vechtpartij heeft plaatsgevonden.

Het steekincident heeft in de hal van het café plaatsgevonden en houdt verband met een ruzie tussen bezoekers van het café. Gelet hierop, heeft de voorzieningenrechter in hetgeen in beroep is aangevoerd met juistheid geen grond gevonden voor het oordeel dat de burgemeester zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het geopend blijven van het café gevaar oplevert voor de openbare orde en een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving. Gelet op artikel 2:29, eerste lid, aanhef en onder c, van de APV, gelezen in verbinding met artikel 2:28C, tweede lid, aanhef en onder a, van de APV, kon en mocht de burgemeester het café sluiten. Dat [appellant] en de beheerder van het café, als gesteld, niet verwijtbaar hebben gehandeld, maakt dat niet anders, aangezien voor het sluiten slechts van belang is of de openbare orde en het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting naar het oordeel van de burgemeester worden bedreigd.

De duur van de sluiting van het café bedraagt zes maanden, hetgeen in overeenstemming is met het volgens de Toekomstvisie ten aanzien van steekincidenten gevoerde beleid. De voorzieningenrechter heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen zodanig bijzondere omstandigheden gezien dat geoordeeld moet worden dat de burgemeester in dit geval niet onverkort aan het gevoerde beleid heeft mogen vasthouden. Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. De ongedateerde brief, waarbij de burgemeester [appellant] in vervolg op het besluit van 12 april 2011 heeft medegedeeld dat het café met ingang van 19 september 2011, 12:00 uur, voor de duur van zes maanden gesloten dient te zijn, omdat [appellant] het café met instemming van de burgemeester nog niet had gesloten, houdt een op enig rechtsgevolg gericht besluit in, aangezien daarbij de in het besluit van 12 april 2011 neergelegde begin- en einddata van de sluiting van het café zijn gewijzigd. Om dezelfde redenen houdt ook de brief van 18 oktober 2011, waarbij de einddatum van de sluiting opnieuw is gewijzigd, een besluit in.

Ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, wordt het hoger beroep geacht mede een beroep in te houden tegen het ongedateerde besluit en dat van 18 oktober 2011, voor zover het besluit van 12 april 2011 daarbij is gewijzigd.

2.8. Aangezien de bij het ongedateerde besluit vastgestelde einddatum van de sluiting bij het besluit van 18 oktober 2011 is vervroegd, heeft [appellant] geen belang bij het beroep tegen het ongedateerde besluit. Dat beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

2.9. Ten aanzien van het besluit van 18 oktober 2011 betoogt [appellant] dat de burgemeester daarbij de einddatum van de sluiting van het café, zoals vastgesteld bij het besluit van 12 april 2011, ten onrechte heeft gewijzigd. Hij voert daartoe aan dat de burgemeester ermee heeft ingestemd dat het café, hangende de procedures betreffende het door hem gemaakte bezwaar en het door hem ingediende verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening, geopend bleef en daarbij niet heeft bepaald dat de termijn van de sluiting zou worden opgeschort. Daarnaast voert hij aan dat de burgemeester er bij het besluit van 18 oktober 2011 ten onrechte van is uitgegaan dat hij het café eerst op 12 september 2011 heeft gesloten, aangezien hij dit reeds daags na de aangevallen uitspraak had gedaan.

2.9.1. Niet in geschil is dat het café, hangende de procedures betreffende het door [appellant] gemaakte bezwaar en het door hem ingediende verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening, geopend is gebleven en de burgemeester daarmee heeft ingestemd. Teneinde te bewerkstelligen dat, overeenkomstig de Toekomstvisie en het besluit van 12 april 2011, het café gedurende zes maanden zal worden gesloten, dienden de begin- en einddata van de sluiting op latere tijdstippen te worden gesteld. Het aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat de burgemeester na de aangevallen uitspraak niet in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] niet heeft gesteld dat de burgemeester heeft toegezegd dat de termijn van de sluiting niet zou worden opgeschort.

In het besluit van 18 oktober 2011 is, ter motivering van het stellen van de einddatum van de sluiting op 12 maart 2012, 12:00 uur, vermeld dat [appellant] het café direct na de aangevallen uitspraak heeft gesloten. Gelet op de dag van die uitspraak, brengt dat echter met zich dat het café gedurende meer dan zes maanden gesloten zal zijn, hetgeen niet strookt met het besluit van de burgemeester om het café voor de duur van zes maanden te sluiten. De burgemeester heeft de einddatum van de sluiting dan ook niet op 12 maart 2012, 12:00 uur, mogen stellen. Het betoog slaagt in zoverre.

2.10. Het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2011 is gegrond. De voorzitter zal dat besluit vernietigen, voor zover de einddatum van de sluiting daarbij is gesteld op 12 maart 2012, 12:00 uur. De voorzitter zal zelf in de zaak voorzien door de einddatum op 3 maart 2012, 12:00 uur, te stellen.

2.11. Gezien het voorgaande, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12. De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het ongedateerde besluit van de burgemeester van Den Haag, kenmerk BWT-00262APW10, onderwerp "effectuering besluit d.d. 12 april 2011", niet-ontvankelijk;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van de burgemeester van Den Haag van 18 oktober 2011, kenmerk BWT-00262APW10, gegrond;

IV. vernietigt dat besluit, voor zover daarbij de einddatum van de sluiting van de horeca-inrichting op het adres [locatie] is gesteld op 12 maart 2012, 12:00 uur;

V. stelt deze op 3 maart 2012, 12:00 uur;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. wijst het verzoek af;

VIII. veroordeelt de burgemeester van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de burgemeester van Den Haag aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep en het verzoek vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. De Vries

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011

582.