Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7029

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
201012673/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Dishoek" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012673/1/R2.

Datum uitspraak: 7 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Koudekerke, gemeente Veere, en anderen,

2. [appellante sub 2], wonend te Middelburg,

3. [appellant sub 3 A] en [appellante sub 3 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend te Koudekerke, gemeente Veere,

en

de raad van de gemeente Veere,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Dishoek" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2010, [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2010, en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen, Bouwcombinatie Nieuwwest B.V., Bouwfonds Ontwikkeling B.V. en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2011, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, en vergezeld door drs. J.M. Coppoolse, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door L. van den Brand, [appellant sub 3], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J. Spierdijk, A.J. Schietekatte en S. Wagenaar, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn daar gehoord Bouwfonds Ontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door mr. M.C. de Smidt, advocaat te Rotterdam, Bouwcombinatie Nieuwwest B.V., vertegenwoordigd door C.P.C. Flipse en Lovago Middelburg B.V., vertegenwoordigd door ir. A.H. Loontjes.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. De raad betoogt dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover dit is ingesteld door [appellant sub 1] en [13 andere appellanten], niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij geen belanghebbende zijn. De raad voert hiertoe aan dat zij allen buiten een straal van 100 meter van het in het plan voorziene hotel wonen. Verder voert de raad aan dat zij geen zicht zullen hebben op de voorziene ontwikkelingen en dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat het verkeer ten gevolge van die ontwikkelingen zal toenemen.

2.1.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is.

2.1.2. Degenen van wie de raad de belanghebbendheid betwist zijn allen eigenaar of bewoner van een permanente woning dan wel een recreatiewoning in de kern Dishoek. Zij richten zich tegen de plandelen met de bestemmingen "Recreatie - Verblijfsrecreatie - 1" en "Gemengd" die voorzien in de bouw van een hotel en een aantal andere ontwikkelingen op het terrein van het voormalige hotel Zeeduin. Daarnaast richten zij zich tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie - 2" dat de bouw van zestien appartementen mogelijk maakt op het perceel Kaapduinseweg 13. De afstand tussen de woningen en de locatie waar de ontwikkelingen zijn voorzien verschilt per woning, doch bedraagt niet meer dan ongeveer 360 meter. Hetzij vanwege de afstand van de betrokken woningen tot de locatie waar de ontwikkelingen zijn voorzien, hetzij vanwege de mogelijke verkeerseffecten ten gevolge daarvan bij de woningen, moet worden geconcludeerd dat de belangen van allen rechtstreeks bij het bestreden besluit zijn betrokken. Daarbij wordt eveneens de omvang van de voorziene ontwikkelingen in relatie tot de omvang van de kern Dishoek in aanmerking genomen. Gelet hierop kunnen alle ondertekenaars van dit beroep worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

2.2. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie - 2" voor het perceel Nolleplaatweg 21, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is, voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie - 2" dat ziet op het perceel Nolleplaatweg 21, derhalve niet-ontvankelijk.

2.3. De raad betoogt dat het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe voert de raad aan dat [appellant sub 3] een verzoek om herziening van het vorige bestemmingsplan had moeten indienen teneinde de door hem gewenste bouwmogelijkheid te verkrijgen.

2.3.1. Er is geen wettelijk voorschrift aan te wijzen waaruit volgt dat het beroep om de door de raad gestelde reden niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden. Het beroep van [appellant sub 3] is dan ook ontvankelijk.

Planbeschrijving

2.4. Het plan legt deels de bestaande situatie vast en maakt daarnaast een aantal ontwikkelingen mogelijk op en naast het terrein van het voormalige hotel Zeeduin. Het plan voorziet op dit perceel – locatie Zeeduin - onder meer in de bouw van een hotel met congrescentrum en theater, 38 recreatieappartementen en 56 recreatiewoningen. Op een tweetal percelen aan de Kaapduinseweg wordt de bouw van een horecagelegenheid, speelhal, vier woningen en acht appartementen - locatie Lovago - en zestien appartementen - locatie Panaché - mogelijk gemaakt.

De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellante sub 2]

Formele bezwaren

2.5. [appellant sub 1] en anderen en [appellante sub 2] betogen dat de inspraakprocedure niet op deugdelijke wijze is verlopen. Zij stellen zich op het standpunt dat de informatievoorziening voor omwonenden en bezitters van recreatiewoningen gebrekkig en gekleurd was en dat zij hun standpunten onvoldoende naar voren hebben kunnen brengen.

2.5.1. De Afdeling overweegt dat het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen onderdeel uitmaakt van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een inspraakverplichting, wat daarvan ook zij, heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

2.6. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de ten behoeve van de in het plan voorziene ontwikkelingen afgesloten samenwerkingsovereenkomst ten onrechte niet tezamen met het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen. Zij betogen dat zij hierdoor zijn benadeeld.

2.6.1. In de plantoelichting is vermeld dat een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over de voorziene ontwikkelingen. De inhoud van de overeenkomst is in de plantoelichting samengevat weergegeven. Bovendien is de overeenkomst in de loop van de procedure aan [appellant sub 1] en anderen ter beschikking gesteld. Zij hebben derhalve de mogelijkheid gehad hierop te reageren, zodat zij niet in hun belangen zijn geschaad. Het betoog faalt.

Natuurwaarden

2.7. [appellant sub 1] en anderen en [appellante sub 2] betogen dat het plan in strijd is met het provinciale ruimtelijke beleid zoals neergelegd in het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012 (hierna: het Omgevingsplan). Hiertoe voeren zij aan dat het plan voorziet in grootschalige- en hoge verblijfsrecreatieve bebouwing, waardoor het Nationaal Landschap Walcheren en de provinciale Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) zullen worden aangetast.

Voorts stellen [appellant sub 1] en anderen dat het plan in strijd is met artikel 2.9 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Zeeland (hierna: de Verordening).

2.7.1. De raad stelt dat het Omgevingsplan en de Verordening niet in de weg staat aan de in het plan voorziene ontwikkelingen. Voorts acht de raad de bebouwing passend in het landschap.

2.7.2. Wat betreft de aangevoerde strijd met het Omgevingsplan, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

In de Ruimtelijke onderbouwing Ontwikkelprojecten te Dishoek, een bijlage bij de plantoelichting waarop de raad zich heeft gebaseerd, is uitgebreid ingegaan op de verhouding van de in het plan voorziene ontwikkelingen tot het geldende Omgevingsplan. Aan de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Walcheren en de inpassing van het plan is eveneens uitvoerig aandacht besteed. Uiteengezet is dat de beoogde ontwikkelingen geen aantasting betekenen van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap. Nu de maximaal toegestane bouwhoogte voor de voorziene ontwikkelingen is verlaagd naar dertien meter, acht de raad het plan in zoverre in overeenstemming met het Omgevingsplan. Bovendien blijkt uit het feit dat door het college van gedeputeerde staten van Zeeland geen zienswijze naar voren is gebracht dat het college geen bezwaar heeft tegen het plan, aldus de raad.

Verder is in de Ruimtelijke onderbouwing Ontwikkelprojecten te Dishoek vermeld dat de in het plan voorziene ontwikkelingen grenzen aan natuurgebieden die behoren tot de EHS. In het bijzonder is vermeld dat de oostelijke begrenzing wordt gevormd door een bosstrook die deel uitmaakt van de EHS. Voor verblijfsrecreatie geldt dat ten opzichte van deze natuurgebieden een afstand van 100 meter dient te worden aangehouden, tenzij er geen schadelijke gevolgen voor de natuur optreden. Vermeld is dat in dit kader ter bescherming van de EHS onder meer afspraken zijn gemaakt met Staatsbosbeheer, welke in het 'Groenplan Dishoek' zijn uitgewerkt. Aan de groenstrook aan de oostzijde van de locatie Zeeduin is de bestemming "Natuur" toegekend en voorts zal het opgaande groen aan de oostzijde dat binnen de locatie Zeeduin ligt in de tuinen van de recreatiewoningen worden doorgezet. Gelet hierop acht de raad afwijking van de afwegingszone van 100 meter zoals opgenomen in het Omgevingsplan aanvaardbaar.

Ten slotte is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat, anders dan [appellant sub 1] en anderen stellen, de in het plan voorziene ontwikkelingen niet in een gebied liggen dat deel uitmaakt van de EHS. Uitsluitend één voetpad van twaalf meter lang en twee meter breed is voorzien in de groenstrook aan de oostzijde van de locatie Zeeduin. De raad acht dit aanvaardbaar.

De Afdeling overweegt dat gelet op het vorenstaande aannemelijk is dat rekening is gehouden met het bedoelde beleid. Het betoog faalt.

2.7.3. Ingevolge artikel 2.9, eerste lid, van de Verordening wordt in een bestemmingsplan voor de op kaart 7, behorende bij deze Verordening, aangegeven gebieden met de aanduiding 'bestaande natuur' primair de bestemming "Natuur" aangewezen. Nieuwe bebouwing of nieuwe vormen van grondgebruik in deze gebieden worden niet toegelaten indien deze bebouwing of vormen van grondgebruik de wezenlijke kenmerken of waarden van de gebieden significant aantasten. In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin nieuwe bebouwing of nieuwe vormen van grondgebruik worden toegelaten, wordt aannemelijk gemaakt dat de in de tweede volzin bedoelde aantasting zich niet voordoet.

Ingevolge artikel 2.9, tweede lid, van de Verordening worden nieuwe bebouwing of nieuwe vormen van grondgebruik die de wezenlijke kenmerken of waarden van de in het eerste lid bedoelde gebieden niet significant aantasten maar die wel schade toebrengen aan of anderszins negatieve effecten hebben op de natuurwaarden slechts toegelaten indien in de toelichting bij het bestemmingsplan de noodzaak daartoe aannemelijk wordt gemaakt en door het treffen van mitigerende en, indien deze onvoldoende zijn, compenserende maatregelen geen netto verlies aan aanwezige waarden resteert, de in bijlage 3 bij deze verordening genoemde stappen zijn doorlopen en de daarin bedoelde inpassings-, mitigerende of compenserende maatregelen zijn gewaarborgd en de financieel-economische uitvoerbaarheid daarvan is aangetoond.

2.7.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat het plan in strijd is met de Verordening, overweegt de Afdeling het volgende.

Uit kaart 7 behorende bij de Verordening blijkt dat de gronden waar verblijfsrecreatieve ontwikkelingen zijn voorzien - de locaties Zeeduin, Lovago en Panaché - niet in het gebied liggen dat in de Verordening is aangeduid als 'bestaande natuur'. Derhalve maakt het plan, anders dan [appellant sub 1] en anderen stellen, geen bebouwing in een dergelijk gebied mogelijk.

Voorts is niet in geschil dat op de locatie Zeeduin voorheen reeds een hotel was gevestigd en dat deze gronden als zodanig waren bestemd. Gelet hierop voorziet het plan in hoofdzaak niet in nieuwe bebouwing of nieuwe vormen van grondgebruik als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, van de Verordening.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met artikel 2.9 van de Verordening. Het betoog faalt.

2.8. [appellant sub 1] en anderen betogen voorts dat de in het plan voorziene ontwikkelingen leiden tot een onevenredige aantasting van natuurwaarden in het nabijgelegen Natura 2000-gebied "Westerschelde & Saeftinghe" (hierna: het Natura 2000-gebied). Hiertoe voeren zij aan dat door het plan de recreatiedruk zal toenemen.

2.8.1. Volgens de raad behoeft voor aantasting van natuurwaarden binnen het Natura 2000-gebied niet te worden gevreesd.

2.8.2. Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar natuurwaarden in en rondom het plangebied. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Natuurtoets. Onderzoek naar beschermde natuurwaarden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen voor planlocatie Zeeduin, Dishoek" van 20 juni 2006 van IJzerman & Van Spréw (hierna: de natuurtoets). Hierin is vermeld dat de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied 444 meter bedraagt. Bezien is of de voorziene ontwikkelingen een negatieve invloed zouden kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Geconcludeerd wordt dat dit niet het geval is, nu er geen sprake is van externe werking of cumulatie. In dit kader is vermeld dat de recreatiedruk op de Westerschelde door de beoogde ontwikkelingen niet significant zal afwijken van de huidige situatie. De instandhoudingsdoelstellingen worden door de toename van recreatie niet aangetast.

2.8.3. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de natuurtoets gebreken dan wel leemten in kennis vertoont en dat de raad zich derhalve niet in redelijkheid op de natuurtoets heeft mogen baseren. Nu uit de natuurtoets niet aannemelijk is geworden dat door toename van de recreatiedruk ten gevolge van de in het plan voorziene ontwikkelingen significant negatieve effecten zullen optreden op de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene ontwikkelingen niet leiden tot een aantasting van natuurwaarden in het Natura 2000-gebied. Dit betoog faalt eveneens.

Behoefte

2.9. [appellant sub 1] en anderen en [appellante sub 2] betogen dat de behoefte aan het voorziene hotel en het bijbehorende congrescentrum niet is aangetoond. Zij stellen zich op het standpunt dat er in dit verband geen deugdelijk onderzoek is verricht en dat er op Walcheren reeds voldoende congreslocaties zijn.

2.9.1. Volgens de raad is er behoefte aan een hotel met een congresfunctie. De raad heeft hierbij gewezen op het Omgevingsplan, waaruit volgens hem blijkt dat er in Zeeland een markt bestaat voor hotels met congresvoorzieningen. Ter bevestiging van zijn standpunt wijst de raad op het in opdracht van de provincie Zeeland uitgebrachte onderzoeks- en adviesrapport "De Zeeuwse Hotelsector" van Horwath HTL van 15 december 2010 (hierna: het onderzoeksrapport).

2.9.2. In de Antwoordnota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Dishoek die tot het raadsbesluit behoort, is gesteld dat uit het Omgevingsplan volgt dat de hotelsector in Zeeland in vergelijking met andere verblijfsrecreatieve voorzieningen ondervertegenwoordigd is en dat uitbreiding van deze sector wordt gestimuleerd. Voorts is vermeld dat er een markt bestaat voor hotels met congresvoorzieningen en dat is gebleken uit reacties vanuit het bedrijfsleven dat hier inderdaad sprake van is. Uit het onderzoeksrapport volgt dat de vraag naar hotelovernachtingen in Zeeland toeneemt en dat er in de periode tot 2020 ruimte ontstaat voor ongeveer 1.200 nieuwe hotelkamers in Zeeland. Tevens is vermeld dat Zeeland meer bekendheid krijgt op de zakelijke groepsmarkt, dat het conferentiesegment tot dusverre klein is en dat een groei van dit segment mogelijk kan worden gemaakt door uitbreiding van het hotelaanbod dat hierop is gericht. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de behoefte aan het hotel en de bijbehorende congresvoorzieningen onvoldoende is aangetoond. Het betoog faalt.

Verkeer

2.10. [appellant sub 1] en anderen en [appellante sub 2] betogen dat ten gevolge van de in het plan voorziene ontwikkelingen de verkeersdruk zal toenemen, hetgeen zal leiden tot een onaanvaardbare verkeerssituatie en tot parkeeroverlast. [appellant sub 1] en anderen voeren hiertoe aan dat het verkeerskundig onderzoek is gebaseerd op verouderde verkeersgegevens en dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar langzaam verkeer. Zij wijzen er voorts op dat onvoldoende rekening is gehouden met de drukke verkeerssituatie in de zomermaanden. Evenmin is voldoende rekening gehouden met de verkeersaantrekkende werking van het voorziene congrescentrum en theater. Ten slotte stellen [appellant sub 1] en anderen dat door de in het plan voorziene ontwikkelingen het strand bij calamiteiten onvoldoende bereikbaar zal zijn. Zij vrezen dat een verkeersonveilige situatie zal ontstaan.

2.10.1. Volgens de raad behoeft voor verkeersoverlast en verkeersonveiligheid niet te worden gevreesd. In dit kader wijst de raad op de verkeerskundige onderzoeken, waaruit blijkt dat de verkeerstoename ten gevolge van het plan past binnen de bestaande wegcapaciteit. Tevens wijst de raad erop dat de congres- en theaterfunctie ondergeschikt zal zijn aan het hotel. Er zullen geen congressen en evenementen worden georganiseerd in het hoogseizoen. Daarnaast voorziet het plan in voldoende parkeergelegenheid, aldus de raad.

2.10.2. Teneinde de verkeerseffecten van de in het plan voorziene ontwikkelingen in kaart te brengen is verkeerskundig onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Verkeersstudie Dishoek" van RBOI van 23 februari 2010 (hierna: het verkeersrapport). Naar aanleiding van naar voren gebrachte zienswijzen heeft nader onderzoek plaatsgevonden. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Aanvullende verkeersstudie Dishoek" van RBOI van 25 augustus 2010 (hierna: het aanvullend verkeersrapport).

Uit het verkeersrapport volgt dat de autonome verkeersintensiteiten - intensiteiten in 2020 zonder de beoogde ontwikkelingen - zijn bepaald door de huidige verkeersintensiteiten, die zijn gebaseerd op een in 2009 uitgevoerde verkeerstelling, te vermeerderen met de autonome groei. Daarnaast zijn de toekomstige verkeersintensiteiten berekend voor 2020 inclusief de beoogde ontwikkelingen. Daarbij is ervan uitgegaan dat een hotel met 51 kamers, een congrescentrum, een restaurant, een café, een wellnesscenter, 38 recreatieappartementen en 56 recreatiewoningen zullen worden gerealiseerd op het terrein van het voormalige hotel Zeeduin. De toekomstige verkeersintensiteiten zijn berekend met behulp van de kencijfers van het CROW, voor de drukste maand. Voor het bepalen van de verkeersstromen is ervan uitgegaan dat gasten eenmalig (bij het inchecken) het terrein binnenrijden via het Duinplein, en dat het terrein voor het overige wordt ontsloten via het kruispunt aan de Kaapduinseweg. Vermeld is dat voor een erftoegangsweg mag worden uitgegaan van een capaciteit van 1.500 tot 3000 mvt/etmaal en dat op dergelijke wegen langzaam verkeer is te verwachten. De hoogst berekende verkeersintensiteit bedraagt 1.172 mvt/etmaal op de Kaapduinseweg en 650 mvt/etmaal op Dishoek. Geconcludeerd wordt dat de toekomstige verkeersintensiteiten passen binnen de bestaande wegcapaciteit. Deze verwachting bestaat eveneens voor de wegen, onder meer de Verlengde Dishoekseweg, die het plangebied verbinden met de overige infrastructuur op Walcheren.

Voorts zijn in het aanvullend verkeersrapport zeven ontsluitingsvarianten beoordeeld. De varianten 4, 5 en 6 blijken niet uitvoerbaar in verband met aantasting van de EHS. Ten aanzien van de overige varianten wordt geconcludeerd dat de toekomstige verkeersintensiteiten passen binnen de bestaande wegcapaciteiten.

In het verkeersrapport is een parkeerbalans opgenomen. Bij het bepalen van de parkeervraag is uitgegaan van een bezettingsgraad van het hotel en de recreatieappartementen van 91 procent. Tevens is ervan uitgegaan dat in Dishoek verblijvende recreanten de beoogde functies zullen aandoen, en dus geen extra parkeerplaatsen hiervoor nodig zijn, en dat externe bezoekers zullen parkeren op de parkeerterreinen aan de Verlengde Dishoekseweg. Berekend is dat er minimaal 207 en maximaal 259 parkeerplaatsen nodig zijn. Nu er 269 parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd, kan worden voldaan aan de parkeervraag.

2.10.3. Uit het verkeersrapport en het aanvullend verkeersrapport blijkt dat de verkeersintensiteiten op de wegen die dienen ter ontsluiting van de locatie waar de ontwikkelingen zijn voorzien, zullen toenemen. Uit de rapporten blijkt ook dat de verkeersintensiteiten op deze wegen in pieksituaties ruim passen binnen de wegcapaciteiten.

[appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het verkeerskundig onderzoek is gebaseerd op verouderde verkeersgegevens. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar het langzame verkeer op de wegen in het plangebied. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het verkeersrapport de verkeerskundige situatie in het plangebied uitvoerig is bezien, ervan uit is gegaan dat de wegen in de bebouwde kom liggen en is vermeld dat op deze wegen langzaam verkeer aanwezig is. Tevens is in overweging genomen dat op de wegen een maximale snelheid van 30 km/u geldt. Nu de verkeersintensiteiten in het verkeersrapport zijn gebaseerd op tellingen die hebben plaatsgevonden gedurende een week in juli, en de toekomstige intensiteiten zijn berekend voor de drukste maand augustus, bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de drukke verkeerssituatie in de zomermaanden. Voorts blijkt uit het verkeersrapport dat rekening is gehouden met de bouw van het hotel, met onder meer een congresfunctie. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, onder b, van de planregels, voor zover hier van belang, is sprake van een ondergeschikte congres- en theaterfunctie. Ter zitting is namens Bouwfonds Ontwikkeling B.V. toegelicht dat uitsluitend buiten het hoogseizoen congressen en evenementen zullen worden georganiseerd en dat bij de theaterfunctie aan een kleinschalige zaal voor hotelgasten wordt gedacht. Gelet hierop bestaat niet de verwachting dat door de verkeersaantrekkende werking van deze functies de berekende verkeersintensiteiten op de wegen in pieksituaties zullen worden overschreden. Het is dan ook aannemelijk dat de toekomstige verkeersintensiteit de bestaande wegcapaciteit niet zal overschrijden. Gelet op het vorenstaande bestaat evenmin de verwachting dat is voorzien in onvoldoende parkeerplaatsen en dat ten gevolge van de in het plan voorziene ontwikkelingen een onaanvaardbare parkeerdruk in de kern Dishoek zal ontstaan.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene ontwikkelingen niet zullen leiden tot een onaanvaardbare verkeerssituatie en tot parkeeroverlast. Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor het overige

2.11. [appellant sub 1] en anderen kunnen zich niet verenigen met de inhoud en strekking van de samenwerkingsovereenkomst die is afgesloten ten behoeve van de op de locaties Zeeduin, Lovago en Panaché voorziene ontwikkelingen. Zij verzoeken de overeenkomst nietig te verklaren dan wel vast te stellen dat er sprake is van objectieve gerechtvaardigde bezwaren, zodat de gemeente Veere de overeenkomst moet ontbinden.

2.11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de samenwerkingsovereenkomst niet ter beoordeling staat. Verder wijst hij erop dat door de samenwerkingsovereenkomst de economische haalbaarheid van de in het plan voorziene ontwikkelingen is gewaarborgd.

2.11.2. Uit de plantoelichting volgt dat de gemeente Veere ter realisatie van de in het plan voorziene ontwikkelingen op de locaties Zeeduin, Lovago en Panaché een samenwerkingsovereenkomst heeft afgesloten met de ontwikkelaars daarvan. De Afdeling overweegt dat in het kader van de onderhavige procedure moet worden beoordeeld of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht. Voor zover [appellant sub 1] en anderen bezwaren hebben aangevoerd ten aanzien van de inhoud en de strekking van bedoelde samenwerkingsovereenkomst, overweegt de Afdeling dat in deze procedure niet kan worden getreden in de uitleg van een privaatrechtelijke overeenkomst, ter zake waarvan de burgerlijke rechter bevoegd is. Het betoog faalt.

2.12. Voorts wijzen [appellant sub 1] en anderen op alternatieven voor de inrichting van het terrein van het voormalige hotel Zeeduin. Zij stellen voor uitsluitend dagrecreatieve voorzieningen dan wel een kleiner hotel met minder bedden mogelijk te maken

2.12.1. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad alternatieven voor het plan onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken.

Het beroep van [appellante sub 2] voor het overige

2.13. [appellante sub 2] betoogt dat de op het terrein van het voormalige hotel Zeeduin voorziene ontsluitingsweg, recreatiewoningen, -appartementen en hotel en de voorziene ontwikkelingen op de locatie Lovago leiden tot een ernstige aantasting van haar woongenot, privacy en rust en van het uitzicht vanuit haar recreatiewoning op de duinen. In dit verband wijst zij in het bijzonder op de uitgang van de parkeergarage die het plan nabij haar recreatiewoning mogelijk maakt. Voorts wijst zij op de afstand van haar recreatiewoning tot deze ontwikkelingen, de maximaal toegestane bouwhoogte daarvan en de bebouwingsdichtheid op de locatie Zeeduin. [appellante sub 2] vreest dat het plan zal leiden tot een waardedaling van haar woning.

Ook betoogt [appellante sub 2] dat de raad haar ten onrechte geen alternatief voor haar recreatiewoning heeft aangeboden. In dit verband wijst zij erop dat haar recreatiewoning ten gevolge van de in het plan voorziene ontwikkelingen zal moeten verdwijnen, nu de raad voornemens is de bestemming van haar perceel met gebruikmaking van de daarop rustende wijzigingsbevoegdheid te wijzigen in een recreatieve bestemming.

2.13.1. Volgens de raad is verwerving van de recreatiewoning van [appellante sub 2] door de projectontwikkelaar weliswaar geen noodzakelijke voorwaarde voor uitvoering van het plan, maar is de ontwikkelaar de mening toegedaan dat opheffing van de woning zowel gewenst als onontkoombaar is. Eerst nadat en indien de gronden zijn aangekocht door de projectontwikkelaar, zal de raad gebruikmaken van de wijzigingsbevoegdheid. De raad wijst er verder op dat ook op grond van het vorige bestemmingsplan verblijfsrecreatieve voorzieningen op de gronden naast het perceel van [appellante sub 2] konden worden gebouwd en dat dit in het verleden ook het geval was. Er ontstaat ten gevolge van de in het plan voorziene ontwikkelingen geen onleefbare situatie op het perceel van [appellante sub 2], aldus de raad.

2.13.2. Aan het perceel van [appellante sub 2] en enkele daaraan grenzende gronden zijn de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie - 2" en de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied' toegekend.

Ingevolge artikel 11, lid 11.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie - 2" aangewezen gronden bestemd voor verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen en/of -appartementen.

Ingevolge artikel 21, lid 21.1, aanhef, voor zover thans van belang, kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied' wijzigen in de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie - 1", mits aan de in dit artikel genoemde voorwaarden is voldaan.

2.13.3. Aan de gronden ten westen, ten noorden en ten oosten van de recreatiewoning van [appellante sub 2] - de locatie Zeeduin - is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie - 1" toegekend. Uit de verbeelding en de planregels volgt dat ter plaatse van deze gronden een hotel met maximaal 51 kamers en bijbehorende functies, zoals congres-, theater- en wellnessvoorzieningen en een parkeergarage, is voorzien. De kortste afstand van de recreatiewoning van [appellante sub 2] tot de gronden waarop het hotel is voorzien bedraagt ongeveer negentien meter. Voorts blijkt uit de verbeelding dat het plan op de locatie Zeeduin de bouw van 38 recreatieappartementen mogelijk maakt, waarvan de dichtstbijzijnde op ongeveer 22 meter van de recreatiewoning van [appellante sub 2] kan worden gebouwd. Ten slotte voorziet het plan op de oostelijke helft van de locatie Zeeduin in de bouw van maximaal 56 recreatiewoningen. De gronden waarop deze zijn voorzien grenzen aan het perceel van [appellante sub 2], waardoor de kortste afstand van haar recreatiewoning tot deze ontwikkelingen ongeveer vier meter bedraagt.

Voorts is aan de gronden ten zuiden van de recreatiewoning van [appellante sub 2] - de locatie Lovago - de bestemming "Gemengd" toegekend. Het plan voorziet ter plaatse onder meer in de bouw van maximaal tien recreatieappartementen. Deze gronden grenzen aan het perceel van [appellante sub 2] en de kortste afstand van de aldaar voorziene bebouwing tot de recreatiewoning van [appellante sub 2] bedraagt ongeveer vier meter.

In de verbeelding is weergegeven dat voor de voornoemde gronden de maximale bouwhoogte in de meeste gevallen dertien meter bedraagt.

2.13.4. De Afdeling overweegt dat er geen recht bestaat op blijvend vrij uitzicht. Gezien de situering van de in het plan voorziene ontwikkelingen kan worden aangenomen dat het uitzicht van [appellante sub 2] vanuit haar recreatiewoning zal worden beperkt. Ook kan worden aangenomen dat het woongenot, de privacy en de rust van [appellante sub 2] zullen worden aangetast. Gelet echter op de afstand tussen de recreatiewoning van [appellante sub 2] en de in het plan voorziene ontwikkelingen en de maximaal toegestane bouwhoogten daarvan, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat bedoelde ontwikkelingen leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het uitzicht alsmede van het woongenot, de privacy en de rust van [appellante sub 2]. De Afdeling acht daarbij tevens van belang dat aan deze gronden in het vorige bestemmingsplan reeds een verblijfsrecreatieve bestemming was toegekend en dat, hoewel beperkter van omvang en hoogte, dergelijke bebouwing op grond van het vorige bestemmingsplan reeds mogelijk was. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellante sub 2] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardedaling zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de betrokken belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

De recreatiewoning van [appellante sub 2] is als zodanig bestemd en eerst na gebruikmaking van een wijzigingsbevoegdheid kan de bestemming van de gronden waarop de recreatiewoning staat worden gewijzigd. Ter zitting is de opvatting van de raad bevestigd dat verwerving van de recreatiewoning van [appellante sub 2] door de projectontwikkelaar weliswaar geen noodzakelijke voorwaarde is voor uitvoering van het plan, maar dat de ontwikkelaar de mening toegedaan is dat opheffing van de woning zowel gewenst als onontkoombaar is. Gelet hierop, en nu het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht, bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan reeds een vervangende locatie beschikbaar zou moeten hebben gesteld en, nu hij dit niet heeft gedaan, onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [appellante sub 2]. Het betoog faalt.

Conclusie

2.14. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellante sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.15. [appellant sub 3] heeft bezwaar tegen de ligging van het bouwvlak binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op zijn perceel [locatie]. Hij wenst dat het bouwvlak in westelijke richting wordt verplaatst zodat hij aldaar een levensloopbestendige woning kan bouwen. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met de door de raad aangedragen argumenten om het bouwvlak op zijn perceel niet te verplaatsen. Voorts voert [appellant sub 3] aan dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld, nu het plan de bouwplannen op de locaties Zeeduin en Panaché wel mogelijk maakt. Hij wijst er tevens op dat recent is ingestemd met de bouw van een woning op het perceel Kaapduinseweg 16.

2.15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gewenste bouwmogelijkheid leidt tot een onaanvaardbare doorbreking van de bestaande bebouwingsstructuur aan de Kaapduinseweg en tot een onwenselijke aantasting van de openheid van het achter de huidige woning van [appellant sub 3] aanwezige gebied. Voorts leidt het toestaan van bebouwing op de door [appellant sub 3] gewenste locatie tot ongewenste precedentwerking en kan hierdoor de privacy van bewoners van naastgelegen woningen worden aangetast. Verder is van strijd met het gelijkheidsbeginsel geen sprake, aldus de raad.

2.15.2. Aan het perceel van [appellant sub 3] is de bestemming "Wonen" toegekend. Aan de voorzijde van het perceel, daar waar de woning van [appellant sub 3] thans staat, is een bouwvlak opgenomen en de aanduiding 'vrijstaand' toegekend. Aan de gronden achter de woning van [appellant sub 3] is de aanduiding 'erf' toegekend.

Ingevolge artikel 14, lid 14.2.2, onder a, van de planregels, voor zover thans van belang, worden hoofdgebouwen gebouwd in het bouwvlak.

2.15.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de woning van [appellant sub 3] thans aan de Kaapduinseweg in lijn met de naast zijn woning gelegen bebouwing staat. Ter zitting heeft [appellant sub 3] toegelicht dat hij de gewenste levensloopbestendige woning verder naar achteren op zijn perceel wil bouwen. De Afdeling stelt vast dat hierdoor - zoals de raad stelt - de bestaande bebouwingsstructuur aan de Kaapduinseweg wordt doorbroken en de openheid van het achter de huidige woning van [appellant sub 3] aanwezige gebied wordt aangetast. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verplaatsing van het bouwvlak op het perceel van [appellant sub 3] onwenselijk is. Het betoog faalt.

2.15.4. Wat betreft het beroep van [appellant sub 3] op het gelijkheidsbeginsel, is het volgende van belang. Gebleken is dat de woning op het perceel Kaapduinseweg 16 in lijn met de ernaast gelegen bebouwing is gebouwd, terwijl [appellant sub 3] een woning achter de bestaande bebouwingsstructuur wil realiseren. De bouwplannen op de locaties Zeeduin en Panaché die het plan mogelijk maakt voorzien in een uitbreiding van verblijfsrecreatieve bebouwing, maar op plaatsen waar al bebouwing was toegestaan. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 3] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Dit betoog faalt eveneens.

2.15.5. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.16. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk, voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie - 2" dat ziet op het perceel Nolleplaatweg 21;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor het overige en de beroepen van [appellante sub 2] en [appellant sub 3 A] en [appellante sub 3 B] geheel ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Troost

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011

234-694.