Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7027

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
201106870/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Lunteren-Oost" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106870/1/R2.

Datum uitspraak: 7 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Lunteren, gemeente Ede,

en

de raad van de gemeente Ede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Lunteren-Oost" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 12 juli 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.W. van der Linde, advocaat te Wageningen, en de raad, vertegenwoordigd door J.A. Buliga en R. Maseda, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] kan zich niet verenigen met het plan voor zover het betrekking heeft op het perceel [locatie]. Hij stelt dat ten onrechte geen additioneel bouwvlak is opgenomen voor de bouw van een woning. Ter zitting is het beroep van [appellant] toegespitst op zijn betoog dat de mogelijkheid om een woning te bouwen voldoet aan het beleid ten aanzien van woningbouw op binnenterreinen of open plekken.

2.2. De raad stelt dat het opnemen van een additioneel bouwvlak voor het perceel van [appellant] niet voldoet aan het door de raad gevoerde beleid. Zo is er geen verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en wordt onvoldoende het maatschappelijke belang gediend met de bouw van een levensloopbestendige zorgwoning. Voor zover bij [appellant] behoefte bestaat aan een dergelijke woning voor zijn vrouw, wijst de raad op artikel 22, aanhef en onder h, van de planregels, waarin een afwijkingsbevoegdheid staat ten behoeve van mantelzorg.

2.2.1. Voor het plangebied geldt een restrictief planologisch beleid ten aanzien van de bebouwing van binnengebieden. De bestaande structuur wordt geconsolideerd, zo blijkt uit de plantoelichting en de structuurvisie "Lunteren" van maart 1999. Het uitgangspunt is dat aan verzoeken om nieuwe bouwmogelijkheden in deze gebieden niet wordt meegewerkt. Hiervan wordt alleen afgeweken in gevallen waarin een woning een bijdrage levert aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit of een zwaarwegend maatschappelijk belang dient.

2.2.2. [appellant] heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de woning een zodanige verbetering van de ruimtelijke kwaliteit oplevert dat wordt voldaan aan de voorwaarde die de raad stelt om af te wijken van het beleid aangaande de bebouwing van nog bestaande onbebouwde plekken.

2.2.3. Voorts acht de Afdeling het standpunt van de raad dat met de bouw van één levensloopbestendige woning niet een zwaarwegend maatschappelijk belang wordt gediend, omdat deze bouw ziet op een individueel belang van [appellant] en zijn vrouw, niet onredelijk. Hierbij komt dat het plan voorziet in een afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van mantelzorg. [appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de door hem gestelde verbetering van de sociale controle aan de Zandkamp door de bouw van een extra woning een zwaarwegend maatschappelijk belang dient.

2.3. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Troost

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011

234-723.