Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7025

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
201012501/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Brede School Oude Dorp" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201012501/1/R4.

Datum uitspraak: 7 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Leiderdorp,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2010 heeft het college het wijzigingsplan "Brede School Oude Dorp" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2011, waar [appellanten] vertegenwoordigd door [gemachtigden] en het college vertegenwoordigd door mr. drs. J.W. Edinga, ing. M.A. Hendriks en J. Boot zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben [appellanten] toegelicht dat het beroep is ingesteld door de vier ondertekenaars. De lijst met handtekeningen van andere wijkbewoners kan, aldus [appellanten], worden opgevat als steunbetuiging.

2.2. Het wijzigingsplan maakt ten behoeve van de realisatie van de Brede School Oude Dorp op het perceel Kastanjelaan 6 (hierna: het perceel) een vergroting van het bebouwd oppervlak met 10% en een gedeeltelijke verhoging van de bouwhoogte met 1 m mogelijk.

2.3. [appellanten] stellen dat de behoefte aan de Brede School niet is aangetoond en dat de wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan "Centrum" (hierna: het bestemmingsplan) niet is bedoeld om een grote groei van de leerlingencapaciteit mogelijk te maken. Voorts menen zij dat het wijzigingsplan niet vastgesteld had mogen worden, omdat nog veel onduidelijkheid bestaat over de wijze waarop de extra buitenruimte voor de Brede School buiten het plangebied zal worden gerealiseerd. Zij vrezen dat de belangen van de omwonenden onvoldoende in de afweging zullen worden betrokken. Tevens betogen [appellanten] dat in het verkeersonderzoek onvoldoende aandacht is besteed aan de reeds bestaande verkeersstromen vanwege andere functies in de wijk.

2.4. Ingevolge het bestemmingsplan is aan het perceel de bestemming "Bijzondere doeleinden, klasse A met bijbehorende erven (BDA)" en de aanduiding "bebouwingspercentage ten opzichte van het gehele bouwperceel" van 50% toegekend.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, geldt voor gronden met de bestemming "Bijzondere doeleinden, al dan niet met bijbehorende erven (BDA, BDB, BDC)" dat de op de kaart als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor gebouwen van bijzondere aard, zoals scholen, kerken, ziekenhuizen, verenigingsgebouwen en gebouwen voor sociale en culturele doeleinden, met de daarbij behorende bijgebouwen, dienstwoningen, tuinen, parkeerterreinen, speelterreinen en andere bouwwerken.

Ingevolge het bepaalde onder a, geldt voor deze gronden dat de bebouwde oppervlakte van een bouwperceel niet meer mag bedragen dan het op de kaart aangegeven bebouwingspercentage.

Ingevolge het bepaalde onder b, geldt dat gebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken.

Ingevolge het bepaalde onder c en onder 1, mag de goothoogte van de hoofdgebouwen voor de klasse A ten hoogste 5 m bedragen.

Ingevolge het bepaalde onder d, geldt dat de hoogte van hoofdgebouwen ten hoogste 5 m meer mag bedragen dan de maximaal toelaatbare goothoogte.

Ingevolge artikel 42, aanhef en onder c, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op het wijzigen van de voorgeschreven maatvoeringen voor gebouwen met ten hoogste 10% als in verband met ingekomen bouwplannen deze wijzigingen nodig zijn.

2.5. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van bij het plan te geven regels binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen. Op de voorbereiding van de wijziging van een bestemmingsplan is de procedure omschreven in artikel 3.9a van de Wro van toepassing.

2.5.1. In het wijzigingsplan is aan het perceel de aanduiding "bebouwingspercentage ten opzichte van het gehele bouwperceel" van 55% toegekend. Voorts is aan een gedeelte van het bebouwingsvlak de aanduiding "maximale bouwhoogte (m)" toegekend van 11 m.

2.5.2. Voor zover [appellanten] betogen dat zij niet voldoende zijn betrokken bij de voorbereiding van het wijzigingsplan, danwel dat in de voorbereiding een onjuiste procedure is gevolgd, overweegt de Afdeling dat zij in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding ziet voor het oordeel dat niet aan de wettelijke vereisten die aan de voorbereiding van het wijzigingsplan zijn gesteld, is voldaan.

Het bieden van inspraak maakt geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde procedure voor de voorbereiding van een wijzigingsplan. Het schenden van een inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de procedure en het wijzigingsplan.

2.5.3. De bevoegdheid tot vaststelling van het wijzigingsplan volgt uit artikel 42 van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid mag de aanvaardbaarheid van de ruimere maatvoering in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de in artikel 42 van het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van het wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke maatvoering is gerechtvaardigd.

2.5.4. De wijzigingsbevoegdheid betreft een beperkte wijziging van de bebouwingsvoorschriften. De bestemming verandert niet. Het voorgestane gebruik als basisschool met buitenschoolse opvang en een kinderopvangvoorziening was ter plaatse reeds mogelijk op grond van het bestemmingsplan, waarin aan het perceel de bestemming "Bijzondere doeleinden, klasse A met bijbehorende erven (BDA)" is toegekend.

Ter zitting is toegelicht dat de bebouwingsvoorschriften in het bestemmingsplan een gebouw mogelijk maken dat geschikt is voor hetzelfde aantal leerlingen en gebruikers als het met het wijzigingsplan mogelijk gemaakte gebouw. De intensivering van het gebruik wordt derhalve niet eerst mogelijk gemaakt met het wijzigingsplan. De planologische afweging ten aanzien van dit gebruik van het gebouw en de ruimtelijke uitstraling naar de omgeving wordt geacht reeds te hebben plaatsgevonden bij de beoordeling van het bestemmingsplan. In het verlengde hiervan hoefde het college aan de bezwaren ten aanzien van de gevreesde toename van verkeer- en parkeeroverlast als gevolg van de mogelijke intensivering van het gebruik dan ook geen zwaarwegend gewicht toe te kennen.

[appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat in de omgeving van de Brede School als gevolg van het wijzigingsplan zodanige parkeer- en verkeersoverlast zal ontstaan dat het college om die reden in redelijkheid geen gebruik van de wijzigingsbevoegdheid had mogen maken.

2.5.5. Het betoog van [appellanten] over de extra buitenruimte buiten het plangebied betreft de begrenzing van het plan. Hierover overweegt de Afdeling dat het college in beginsel vrij is binnen de in het bestemmingsplan opgenomen objectieve begrenzing de grenzen van het wijzigingsplan te bepalen. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat het college een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

[appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde begrenzing van het wijzigingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dat in het besluit van 20 april 2009 waarin de uitgangspunten voor de planvorming zijn neergelegd een ruimer gebied staat omschreven doet hier niet aan af. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat ten tijde van de vaststelling van het plan de invulling en locatie van de extra buitenruimte nog niet zeker was en zoals door het college toegelicht de vereiste buitenruimte binnen het plangebied gerealiseerd kan worden. Ter zitting is door het college overigens aangegeven dat inmiddels de percelen [locaties] zijn aangekocht en op deze percelen extra buitenruimte wordt gecreëerd.

2.5.6. Voor zover [appellanten] betogen dat bij het nemen van het raadsbesluit van 20 april 2009, de verlening van de sloopvergunning voor de basisschool en de verlening van een kapvergunning onzorgvuldig en in strijd met de belangen van omwonenden is gehandeld, overweegt de Afdeling dat deze bezwaren zien op besluiten die in deze procedure niet ter beoordeling staan. Hetgeen hierover naar voren is gebracht, blijft daarom buiten beschouwing.

2.6. Gezien het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011

375-725.