Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7017

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
201110139/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "'t Vaneker fase 1" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201110139/2/R1.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de stichting Stichting 't Vaneker, natuurlijk, gevestigd te Enschede,

verzoekster,

en

de raad van de gemeente Enschede,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "'t Vaneker fase 1" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2011, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft de stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 november 2011, waar de stichting, vertegenwoordigd door [voorzitter], [secretaris] en [penningmeester], en de raad, vertegenwoordigd door T.H.A. Polman en drs. J.H. Nijenhuis, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de stichting niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden aangemerkt, nu haar statutaire doelstelling te breed is, er geen collectieve belangen aan de orde zijn en de stichting onvoldoende feitelijke werkzaamheden verricht.

2.2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2.2. Ingevolge artikel 2 van haar statuten heeft de stichting ten doel het behartigen van de belangen van de bewoners en het maximaal in stand houden van het historisch erfgoed en het authentieke karakter van het gebied, globaal gelegen tussen: Vanekerstraat - Vergertweg - De Braakweg en de Hegeboerweg te Enschede en het voetpad in het verlengde hiervan.

2.2.3. De voorgenomen woningbouw raakt rechtstreeks de belangen van alle personen die als omwonende feitelijk gevolgen van het plan kunnen ondervinden. De stichting, die blijkens haar doelstelling mede opkomt voor het belang van omwonenden van het plangebied, brengt door het optreden in rechte in dit geval een bundeling van rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken individuele belangen tot stand waarmee effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn, in vergelijking met het afzonderlijk optreden van een groot aantal individuele natuurlijke personen die door het bestreden besluit rechtstreeks in hun belangen worden getroffen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 juni 2009 in zaak nr. 200807294/1/H2), kunnen de in artikel 1:2, derde lid, van de Awb genoemde feitelijke werkzaamheden besloten worden geacht in de aldus tot stand gebrachte bundeling van individuele belangen. Gelet op het voorgaande gaat de voorzitter ervan uit dat de stichting in de bodemprocedure als belanghebbende bij het bestreden besluit zal worden aangemerkt en dat haar beroep ontvankelijk zal worden verklaard.

2.3. Het plan voorziet in woningbouw aan de noordrand van de bebouwde kom van Enschede en voorziet daartoe onder meer in de bestemming "Wonen".

2.4. Een deel van de beroepsgronden van de stichting heeft betrekking op de ontwikkeling van aanzienlijk meer woningen in een aanmerkelijk groter gebied dan waar het plan in voorziet (hierna: de ruimere ontwikkeling). In dit verband betoogt de stichting dat de ruimere ontwikkeling onvoldoende vaststaat om het onderhavige plan te kunnen beoordelen en met meer dan 400 kavels is gericht op de bouw van teveel woningen.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de thans voorziene bouw van ongeveer 25 woningen in een veel kleiner gebied in ieder geval wenselijk is en dat de wenselijkheid van de ruimere ontwikkeling nog wordt onderzocht.

De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat tussen de thans voorziene woningbouw en de ruimere ontwikkeling een zodanige samenhang bestaat dat de thans voorziene woningbouw niet los kan worden beoordeeld van de ruimere ontwikkeling. Gelet hierop gaat de voorzitter er voorshands van uit dat de beroepsgronden van de stichting die zijn gericht op de ruimere ontwikkeling niet in de bodemprocedure tegen het onderhavige plan aan de orde kunnen komen.

2.5. De stichting betoogt dat onvoldoende behoefte bestaat aan de voorziene woningen en dat in Enschede nog voldoende vergelijkbare bouwkavels beschikbaar zijn.

2.5.1. Volgens de plantoelichting bestaat de woningvoorraad overwegend uit goedkope woningen en bestaat behoefte aan suburbane, in het groen gelegen woonmilieus in de top van het segment. Daarom voorziet het plan in ongeveer 25 nieuwe woningen in het Twentse landschap op de grens van de stad en het buitengebied. Volgens de plantoelichting bestaat een ruime belangstelling voor deze woningen.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat het plan voorziet in een kwalitatief goed woonmilieu in het hoogste marktsegment en niet alleen een belangrijke aanvulling vormt op de bestaande woningen, maar ook op de reeds beschikbare woonkavels, die niet dezelfde woonkwaliteit bieden als de thans voorziene woningen.

Gelet op het vorenstaande is voorshands niet gebleken dat onvoldoende behoefte bestaat aan de voorziene woningen.

2.6. De stichting betoogt dat het plan afbreuk doet aan de landschappelijke waarden, waaronder het omliggende essenlandschap.

2.6.1. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in het plangebied weliswaar een uitloper van het essenlandschap ligt, maar dat juist is beoogd om woningen te voorzien in het Twentse landschap. Aan dit landschap wordt volgens de raad geen onevenredige afbreuk gedaan nu in lage dichtheden wordt gebouwd in een gebied waar al enkele woningen staan.

Voorts staat in de plantoelichting dat de natuurlijke en landschappelijke waarden in het gebied bepalend zijn geweest voor de verkaveling van het gebied en dat deze waarden worden versterkt door de aanplant van bos en groenvoorzieningen.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter in het niet nader onderbouwde betoog van de stichting omtrent de landschappelijke waarden en het omliggende essenlandschap op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat is gemoeid met de voorziene woningen dan aan de gevolgen hiervan voor de landschappelijke waarden.

2.7. Gelet op het hiervoor overwogene bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Zwemstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

91-635.