Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU7014

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
201107328/1/R4 en 201107328/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2011, nummer 9, heeft de raad het bestemmingsplan "Spannum" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201107328/1/R4 en 201107328/2/R4.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Spannum, gemeente Littenseradiel,

en

de raad van de gemeente Littenseradiel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2011, nummer 9, heeft de raad het bestemmingsplan "Spannum" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juli 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juli 2011, hebben [appellant] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TRI Beheer B.V. (hierna: TRI) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 september 2011, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. P. Stehouwer, advocaat te Sneek, en de raad, vertegenwoordigd door S. Herrema, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Verder is ter zitting TRI, vertegenwoordigd door T. de Haan, verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. De raad heeft de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant] en anderen betwist, voor zover dit betrekking heeft op de mogelijkheid om bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen op de gronden met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie]. Het beroep van [appellant] en anderen steunt volgens de raad in zoverre niet op een bij hem tegen het ontwerp van het plan naar voren gebrachte zienswijze.

2.2.1. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. In de zienswijze hebben [appellant] en anderen zich gericht tegen de regeling met betrekking tot het plandeel aan de [locatie] en hebben zij gewezen op de gevolgen hiervan voor hun uitzicht. De beroepsgrond over de mogelijkheid om bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen op bedoelde gronden heeft hier eveneens betrekking op. Het beroep van [appellant] en anderen is geheel ontvankelijk.

2.3. [appellant] en anderen stellen dat de raad ten onrechte voormeld plandeel met de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "erf" en het meest zuidelijk gelegen bouwvlak heeft vastgesteld. Zij voeren aan dat hun uitzicht wordt aangetast door de veldschuur op het perceel, waarvoor geen bouwvergunning is verleend. Deze veldschuur is ten onrechte als zodanig bestemd. Verder stellen zij dat het plan voorziet in de mogelijkheid om op het achterste gedeelte van het perceel met de aanduiding "erf" bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte van 15 m op te richten als gevolg waarvan hun uitzicht verder zal worden aangetast. Hierbij merken zij op dat op het achterste deel van het perceel reeds een tredmolen staat. Nu het uitzicht vanaf hun percelen en hun woongenot in de bestaande situatie reeds zijn aangetast had de raad de mogelijkheden om bouwwerken te realiseren niet mogen verruimen, aldus [appellant] en anderen.

2.3.1. De raad neemt het standpunt in dat het plan slechts voorziet in de legalisering van een bestaande veldschuur, zonder verdere uitbreidingsmogelijkheden. Verder stelt de raad dat reeds op grond van het vorige plan de mogelijkheid bestond om op het perceel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te realiseren met een maximaal toegestane bouwhoogte van 1,5 m onderscheidenlijk 2,5 m en dat [appellant] en anderen in die zin dus niet worden benadeeld.

2.3.2. Het perceel aan de [locatie] heeft de bestemming "Agrarisch". Verder is op het achterste gedeelte van het perceel de aanduiding "erf" gelegd en staat de bestaande veldschuur in de verbeelding binnen een bouwvlak.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder a, van de planregels gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende regels:

1. hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;

(…);

4. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 6 m dan wel de bestaande hoogte indien deze meer is dan 6 m; in het laatste geval mag een uitbreiding van het hoofdgebouw dezelfde bouwhoogte hebben;

(…).

Ingevolge lid 3.2, onder b, gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende regels:

(…);

3. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 2 m bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "erf" de bouwhoogte ten hoogste 15 m mag bedragen.

2.3.3. Vast staat dat de bestaande veldschuur als zodanig is bestemd en dat geen uitbreidingsmogelijkheden hiervan zijn geboden. De veldschuur is in strijd met het vorige plan en zonder bouwvergunning gebouwd. Dit brengt met zich dat in planologisch opzicht sprake is van nieuwvestiging en dat de raad deze schuur uitsluitend als zodanig mocht bestemmen als dit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Vast staat dat de afstand tussen het bestreden bouwvlak en de woningen van [appellant] en anderen ten minste 50 m bedraagt en dat de maximaal toegestane bouwhoogte ter plaatse 6 m, dan wel de bestaande hoogte bedraagt.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet het standpunt heeft kunnen innemen dat de bestaande veldschuur het uitzicht vanaf de percelen van [appellant] en anderen en hun woongenot niet zodanig aantast dat om die reden geen sprake zou zijn van een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft in dit geval in redelijkheid de keuze kunnen maken om ten behoeve van deze schuur te voorzien in een bouwvlak, als gevolg waarvan de schuur kan worden gelegaliseerd.

2.3.4. In het verweerschrift en ter zitting heeft de raad te kennen gegeven in te kunnen stemmen met een vernietiging van artikel 3, lid 3.2, onder b, sub. 3, van de planregels, omdat in deze planregel is voorzien in de mogelijkheid om op de gronden met de aanduiding "erf" bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op te richten met een maximaal toegestane bouwhoogte van 15 m, terwijl de raad dit niet heeft beoogd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Wat betreft de door de raad beoogde mogelijkheid om ter plaatse bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogelijk te maken met een maximaal toegestane bouwhoogte van 2 m, zoals de tredmolen op de gronden met de aanduiding "erf", ziet de voorzitter, gelet op de afstand tot aan de percelen van [appellant] en anderen, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van het uitzicht vanaf de percelen van [appellant] en anderen. Overigens heeft de raad ter zitting onweersproken naar voren gebracht dat dergelijke bouwwerken reeds op grond van het vorige plan konden worden opgericht.

2.4. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft het zinsdeel "met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "erf" de bouwhoogte ten hoogste 15 m mag bedragen" in artikel 3, lid 3.2, onder b, sub 3, van de planregels, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is wat betreft dit onderdeel gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant] en anderen voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen voor het overige is aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Littenseradiel van 11 april 2011, nummer 9, voor zover het betreft het zinsdeel "met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "erf" de bouwhoogte ten hoogste 15 m mag bedragen" in artikel 3, lid 3.2, onder b, sub 3, van de planregels;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. wijst het verzoek af;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Littenseradiel tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Littenseradiel aan [appellant] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 304,00 (zegge: driehonderdvier euro) voor de behandeling van het beroep en het verzoek vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

459-656.