Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6630

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
02-12-2011
Zaaknummer
201012141/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan bij de beoordeling van het beroep, diende bij de vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten, gezien de onder 2.4.1. weergegeven jurisprudentie, het op het moment van de aangevallen uitspraak reeds geldende onderdeel C14/3.5.2 van de Vc 2000 te worden betrokken op grond waarvan de advisering door het BMA niet langer is voorgeschreven indien een MOG-rapport is overgelegd. Dat laat onverlet dat de minister op grond van het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsvereiste kan zijn gehouden om in voorkomende gevallen, indien daartoe aanleiding bestaat, het BMA ter advisering in te schakelen. In dit geval mocht de minister ervan afzien het BMA in te schakelen, nu in het MOG-rapport niet eenduidig is geantwoord op de vraag of de vreemdeling vanwege zijn psychische klachten moeite heeft om consistent en coherent te verklaren en het MOG-rapport niet uitsluit dat het litteken op de buik van de vreemdeling een andere oorzaak kan hebben dan door de vreemdeling is gesteld. Gelet hierop biedt het MOG-rapport evenmin grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen dat zijn verklaringen geen positieve overtuigingskracht hebben. Onder deze omstandigheden, alsmede in aanmerking genomen dat in de GGZ-brief door de opstellers ervan is aangegeven dat zij geen uitspraak kunnen doen over de geloofwaardigheid van het relaas, diende de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/54

Uitspraak

201012141/1/V4.

Datum uitspraak: 29 november 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 17 november 2010 in zaak nr. 09/42176 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister van Justitie (lees: de minister voor Immigratie en Asiel, hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 november 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 december 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan diens rechtsvoorgangers.

2.2. Hetgeen als het eerste deel van de eerste grief is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.3. Uit het onder 2.2. overwogene vloeit voort dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit dient te worden vernietigd, omdat de minister, in strijd met het in onderdeel C14/4.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) opgenomen beleid, het rapport van 8 maart 2010 van de Medische Onderzoeksgroep van Amnesty International (hierna: het MOG-rapport) niet ter advisering heeft voorgelegd aan het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA). Voorts vloeit daaruit voort dat het Wijzigingsbericht Vreemdelingencirculaire 2010/10 - waarmee, voor zover thans van belang, onderdeel C14/3.5.2 in de Vc 2000 is opgenomen, op grond waarvan niet langer is voorgeschreven dat een

MOG-rapport ter advisering aan het BMA moet worden voorgelegd - niet bij de beoordeling van het beroep kon worden betrokken.

2.4. In het tweede deel van de eerste grief betoogt de minister dat de rechtbank vervolgens had dienen te concluderen dat bij het nieuw te nemen besluit het beleid, opgenomen in onderdeel C14/3.5.2 van de Vc 2000, wel van toepassing is en dat de uitkomst van het nieuw te nemen besluit niet anders zal luiden, zodat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 20 oktober 2009 in stand hadden moeten worden gelaten. In de toelichting op de tweede grief heeft de minister aangevoerd dat het MOG-rapport geen eenduidig antwoord geeft op de vraag of de vreemdeling moeite heeft om consistent en coherent te verklaren over de gebeurtenissen. De door de vreemdeling in beroep ingebrachte brief van 14 oktober 2009 van een aan GGZ Drenthe verbonden psychiater en sociaal psychiatrisch verpleegkundige (hierna: de GGZ-brief) gaat op deze vraag in het geheel niet in, aldus de minister. Uit het MOG-rapport noch de GGZ-brief kan derhalve worden afgeleid dat niet had mogen worden geconcludeerd dat het relaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is, aldus de minister.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 augustus 2003 in zaak nr. 200303780/1; AB 2003, 454), heeft bij toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de beoordeling van het beroep reeds plaatsgevonden en dient de rechter bij aanwending van de bevoegdheid tot in stand laten van de rechtsgevolgen uit te gaan van de feiten of omstandigheden op het moment van de uitspraak en het dan geldende recht.

2.4.2. In onderdeel C14/3.5.2 van de Vc 2000, dat op het moment van de uitspraak gold, wordt het volgende vermeld:

<small>"Bij de beoordeling van de inwilligbaarheid spelen medische aspecten in beginsel geen rol, aangezien er medisch gezien (meestal) geen zekere uitspraken zijn te doen over een oorzakelijk verband tussen medische klachten en/of littekens enerzijds en een gestelde behandeling of vrees anderzijds.

Statusdeterminatie vindt op de gebruikelijke wijze plaats, waarbij de behandelende ambtenaar van de IND ten aanzien van de gestelde medische aspecten uitsluitend beziet of deze in het asielrelaas passen. BMA geeft enkel adviezen aangaande medische feiten. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de artsen van BMA worden ingeschakeld om de beoordeling van de zwaarwegendheid te steunen of over te nemen.

Heeft de asielzoeker de gestelde medische aspecten gestaafd met een rapportage van de medische onderzoeksgroep van Amnesty International, dan wordt de inhoud van deze rapportage meegenomen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

Als uit het medisch advies (zie C11/6) naar voren komt dat er sprake is van medische problematiek die mogelijk interfereert met het vermogen van de vreemdeling om coherent en consistent te verklaren, en er wordt besloten de vreemdeling toch op dat moment aan een nader gehoor te onderwerpen, wordt hiermee rekening gehouden bij de beoordeling van de asielaanvraag."</small>

2.4.3. In het MOG-rapport wordt, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

<small>"<u>1.5 Vraagstelling onderzoek</u>

(a) <i>Zijn er littekens dan wel andere fysieke verschijnselen/klachten die kunnen passen bij de gestelde martelingen? Zo ja, zijn deze (i) consistent met, (ii) zeer consistent met, (iii) typerend voor, of (iv) kenmerkend voor de gestelde martelingen, mishandelingen of andere traumatische gebeurtenissen in het land van herkomst? (…)</i>

(b) <i>Zijn er psychische klachten? Zo ja, worden deze ondersteund door de bevindingen van het psychiatrisch onderzoek? Is het aannemelijk dat de psychische klachten zijn veroorzaakt door de gestelde martelingen/mishandelingen dan wel andere traumatische gebeurtenissen in het land van herkomst?</i>

(c) <i>Aanvullende vraagstelling: Is het gezien zijn psychische klachten aannemelijk dat betrokkene moeite heeft om consistent en coherent te verklaren over de gebeurtenissen?</i>

(…)

<b>7 Samenvatting en conclusie</b>

Samengevat kan de vraagstelling van het onderzoek als volgt worden beantwoord:

<u>Ad a</u>: <i>Ja, er zijn littekens en andere fysieke verschijnselen/klachten die kunnen passen bij de gestelde martelingen. Het litteken op de rug van betrokkene (…) en de misvorming van de nagel van zijn linker kleine teen zijn consistent met de gestelde mishandelingen, dat wil zeggen: ze kunnen er door zijn veroorzaakt, maar zijn niet specifiek en er zijn ook vele andere oorzaken mogelijk.

Het litteken op zijn buik zou ik willen typeren als zeer consistent; het lijkt inderdaad te wijzen op een steekverwonding, en de plaats en de richting kunnen passen bij een stoot door een mes, Echter, de keloïdvorming in het litteken maakt verdere interpretatie onmogelijk, zodat andere oorzaken niet uitgesloten kunnen worden. Ten slotte, de neurologische afwijkingen die gevonden worden kunnen passen bij verworven hersenletsel, echter: de bevindingen van het neurologisch onderzoek lijken deels met elkaar in tegenspraak, en de perceptiedoofheid van betrokkene rechts kan in combinatie met partiële uitvalsverschijnselen links ook duiden op pre-existente hersenafwijkingen, dus aangeboren of verworven afwijkingen in de rechter hersenhelft die al voor de gestelde mishandelingen aanwezig waren. (…) In hoeverre inderdaad sprake is van hersenletsel, kan worden onderzocht door het neurologisch onderzoek te laten herhalen door een neuroloog, eventueel in combinatie met aanvullend beeldvormend onderzoek.</i>

<u>Ad b</u>: <i>Ja, er zijn psychische klachten, en deze worden deels ondersteund door de bevindingen van het psychiatrisch onderzoek. Op zich is het aannemelijk dat de klachten die betrokkene aangeeft veroorzaakt zijn door de gestelde mishandelingen, echter, er zijn ook aanwijzingen dat het huidige psychiatrische onderzoek niet voldoende betrouwbaar is. Hoewel ik geneigd ben aan te sluiten bij de bevindingen van de huidige behandelaren van betrokkene, die hem immers langer kennen en die bovendien gespecialiseerd zijn in de diagnostiek en behandeling van asielzoekers, moet ik op basis van het huidige onderzoek toch het nodige voorbehoud aangeven. De betrouwbaarheid van het psychiatrisch onderzoek kan eventueel verhoogd worden door middel van een gedragsobservatie over langere tijd, bijvoorbeeld tijdens een klinische diagnostische observatieperiode in een psychiatrisch centrum.</i>

<u>Ad c</u>: <i>Of het gezien zijn psychische klachten aannemelijk is dat betrokkene moeite heeft om consistent en coherent te kunnen verklaren over de gebeurtenissen: ook de beantwoording van deze vraag verdient het nodige voorbehoud. Als betrokkene inderdaad lijdt aan de door hem gerapporteerde psychische klachten is dit inderdaad aannemelijk, echter het huidige psychiatrische onderzoek lijkt om de reeds genoemde, uiteenlopende redenen niet voldoende betrouwbaar. Mocht een neuroloog het bestaan van hersenletsel in een vervolgonderzoek aantonen, dan zou overigens kunnen blijken dat behalve functioneel psychische ook organische factoren het betrokkene moeilijk gemaakt kunnen hebben om consistent en coherent te verklaren over de gebeurtenissen.</i>"</small>

2.4.4. In de GGZ-brief wordt, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

<small>"<b>1) Klachten</b>

Patiënt heeft last van slapeloosheid, nachtmerries, depressie en emotionele instabiliteit. Hij piekert veel en heeft weinig energie. Als directe reden voor deze klachten vallen de moord op zijn vader, moeder en zusje aan te wijzen. Patiënt is zelf gevlucht omdat hij zelf ook vermoord zou kunnen worden. Patiënt heeft sinds zijn vlucht een post traumatische stress stoornis (chronisch) ontwikkeld. Hij heeft daarnaast last van een depressieve stoornis t.g.v. een rouwreactie. (…)

<b>3) U vraagt mij of ik het verhaal van cliënt geloofwaardig acht.</b>

Ik kan u vertellen dat patiënt erg gemotiveerd is. Hij verschijnt trouw op zijn afspraken, ondanks zijn niet geringe klachten, dit kost hem ook de nodige moeite. Hij wordt hierbij ondersteund door de GCA verpleegkundige van het AZC te Zweeloo. Hij is dus actief met hulp van derden bezig om zijn behandeling tot een succes te kunnen maken. Het is echter niet aan ons, om als psychiatrische behandelaren een uitspraak te doen over zijn geloofwaardigheid m.b.t. zijn vluchtverhaal. Wij zijn er voor de medisch/psychiatrische behandeling van patiënt. Dit verloopt in samenwerking met patiënt en zijn omgeving en zoals gezegd naar tevredenheid." </small>

2.4.5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan de vreemdeling heeft mogen tegenwerpen. Nu de vreemdeling geen hoger beroep heeft ingesteld, is dat oordeel in rechte komen vast te staan.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 4 februari 2010 in zaak nr. 200904160/1/V3, www.raadvanstate.nl), zal, indien aan een vreemdeling één van de omstandigheden, genoemd onder artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000, is tegengeworpen, volgens paragraaf C14/3.4 (thans: C14/2.4) van de Vc 2000 van de verklaringen positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om de daarin gestelde feiten alsnog geloofwaardig te achten.

2.4.6. De minister heeft zich in voormeld besluit op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de vreemdeling – waaronder die dat zijn ouders en zuster uit wraak zijn gedood door de familie van een persoon die is overleden nadat de vader van de vreemdeling hem met een auto zou hebben aangereden, alsmede de verklaring dat de vreemdeling zelf met een mes in zijn buik is gestoken - geen positieve overtuigingskracht hebben en derhalve ongeloofwaardig zijn. Aan dit standpunt heeft de minister, onder meer, ten grondslag gelegd dat niet kan worden ingezien dat het overlijden van een persoon als gevolg van een auto-ongeluk, waarbij deze persoon niet doelbewust is aangereden, een dermate hevige wraakactie bij de familie van deze overleden persoon teweegbrengt. Voorts heeft de minister zijn bovenvermelde standpunt, onder meer, doen steunen op de omstandigheid dat de vreemdeling vage en summiere verklaringen heeft afgelegd. Zo weet de vreemdeling, zo betoogt de minister, niet wanneer het auto-ongeluk en de moord op zijn ouders en zuster hebben plaatsgevonden. Hoewel de vreemdeling wel de wijk noemt waar het auto-ongeluk zou hebben plaatsgevonden, zijn de overige verklaringen van de vreemdeling hieromtrent, volgens de minister, vaag en onsamenhangend. Evenmin kan de vreemdeling aangeven wie precies de persoon is die door zijn vader zou zijn doodgereden, aldus de minister. De minister heeft voorts bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas betrokken dat de vreemdeling niet kan aangeven wie er hebben gezorgd voor de begrafenis van zijn familieleden en ook niet weet of er overlijdensaktes zijn opgemaakt. Het wordt door de minister niet geloofwaardig gevonden dat de vreemdeling over een gebeurtenis, waarbij zijn ouders en zuster zouden zijn vermoord, niet gedetailleerder kan verklaren dan hij heeft gedaan.

In het door hem bij de rechtbank ingediende verweerschrift heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het MOG-rapport niet afdoet aan zijn standpunt dat het relaas ongeloofwaardig is, nu uit het MOG-rapport blijkt dat het psychiatrische onderzoek niet voldoende betrouwbaar is en in het MOG-rapport bij de vraag of de vreemdeling consistent en coherent kan verklaren een voorbehoud wordt gemaakt. Evenmin kunnen aan de GGZ-brief conclusies worden verbonden terzake van de geloofwaardigheid van het relaas van de vreemdeling, aldus de minister.

2.4.7. Anders dan bij de beoordeling van het beroep, diende bij de vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten, gezien de onder 2.4.1. weergegeven jurisprudentie, het op het moment van de aangevallen uitspraak reeds geldende onderdeel C14/3.5.2 van de Vc 2000 te worden betrokken op grond waarvan de advisering door het BMA niet langer is voorgeschreven indien een MOG-rapport is overgelegd. Dat laat onverlet dat de minister op grond van het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsvereiste kan zijn gehouden om in voorkomende gevallen, indien daartoe aanleiding bestaat, het BMA ter advisering in te schakelen. In dit geval mocht de minister ervan afzien het BMA in te schakelen, nu in het MOG-rapport niet eenduidig is geantwoord op de vraag of de vreemdeling vanwege zijn psychische klachten moeite heeft om consistent en coherent te verklaren en het MOG-rapport niet uitsluit dat het litteken op de buik van de vreemdeling een andere oorzaak kan hebben dan door de vreemdeling is gesteld. Gelet hierop biedt het MOG-rapport evenmin grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen dat zijn verklaringen geen positieve overtuigingskracht hebben. Onder deze omstandigheden, alsmede in aanmerking genomen dat in de GGZ-brief door de opstellers ervan is aangegeven dat zij geen uitspraak kunnen doen over de geloofwaardigheid van het relaas, diende de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Het tweede deel van de eerste grief en de tweede grief slagen.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank daarbij niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 20 oktober 2009 in stand worden gelaten en voorts voor zover zij de minister heeft opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal worden bepaald dat de rechtsgevolgen van voormeld besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand blijven.

2.6. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 17 november 2010 in zaak nr. 09/42176, voor zover de rechtbank daarbij:

- niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 20 oktober 2009 in stand blijven;

- de minister voor Immigratie en Asiel heeft opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 20 oktober 2009 geheel in stand blijven;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Loo

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2011

418.

Verzonden: 29 november 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser