Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6372

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
201011539/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2010, kenmerk 2010212, heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum Enter" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201011539/1/R1.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Enter, gemeente Wierden,

2. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B], beiden wonend te Enter, gemeente Wierden,

en

de raad van de gemeente Wierden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2010, kenmerk 2010212, heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum Enter" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2010, en [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 1] en anderen hebben hun beroep aangevuld bij brief van 25 januari 2011. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 24 december 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft de raad het besluit van 14 september 2010 gewijzigd.

[appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 september 2011, waar [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B], bijgestaan door mr. M.A.A. Gockel-Gieskes, advocaat te Zevenaar, en de raad, vertegenwoordigd door I.L.B. Boers-Leijten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

De besluiten

2.1. Het bij besluit van 14 september 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Centrum Enter" voorziet in een planologische regeling voor het centrum van Enter. Het plan is hoofdzakelijk conserverend van aard.

Ten aanzien van de ingediende zienswijze van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied (V-B)" gelegen langs het perceel [locatie 3] en, in aansluiting daarop, ten zuiden van dat perceel en achter de percelen Bornerbroekseweg 2d, 4 en 6 en het plandeel met de bestemming "Centrum (C)" wat betreft de percelen Dorpsstraat 73-91A is bij dit besluit verwezen naar het lopende mediationtraject.

Met de vaststelling van het besluit van 6 juni 2011 heeft de raad beoogd alsnog gemotiveerd in te gaan op de zienswijze van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] met betrekking tot de bovengenoemde plandelen. Het besluit van 6 juni 2011 ziet uitsluitend op deze plandelen.

2.2. Ingevolge artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het bestuursorgaan dat overgaat tot intrekking of wijziging van het bestreden besluit, daarvan onverwijld mededeling doet aan het orgaan waarbij het bezwaar of beroep aanhangig is.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18, het bezwaar of beroep geacht mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

2.3. De Afdeling merkt het besluit van de raad van 6 juni 2011 aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb dienen de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] te worden geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen wat betreft het besluit van 14 september 2010

2.4. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid. In dit kader voeren zij aan dat het centrum van Enter reeds jaren kampt met parkeerproblemen. Dit klemt volgens hen te meer nu er nog meer parkeerplaatsen komen te vervallen vanwege nieuwbouw van appartementen. Verder wijzen zij er op dat zij besloten hebben de huur op te zeggen van de gronden tegenover hun bedrijven die thans als parkeerterrein in gebruik zijn. Hierdoor is onzeker of dit terrein in de toekomst als parkeerterrein blijft fungeren, aldus [appellant sub 1] en anderen.

De raad heeft zich volgens [appellant sub 1] en anderen wat betreft het benodigde aantal parkeerplaatsen ten onrechte gebaseerd op een parkeerduuronderzoek uit 2005. [appellant sub 1] en anderen betogen dat in 2008 reeds door de ondernemersvereniging Enter te kennen is gegeven dat dit onderzoek achterhaald is.

De toezegging die door verschillende voormalige wethouders is gedaan meer parkeergelegenheid te zullen realiseren is niet nagekomen, aldus [appellant sub 1] en anderen.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen parkeerproblemen te verwachten zijn. De raad wijst er op dat in de plantoelichting is gemotiveerd waarom het parkeerduuronderzoek uit 2005 nog steeds als uitgangspunt kan dienen voor de parkeerbalans uit 2010 en waarom de raad het niet nodig heeft geacht opnieuw een parkeerduuronderzoek uit te voeren.

2.4.2. [appellant sub 1] en anderen exploiteren een café en zalencentrum en een kapperszaak aan [locatie 1] en [locatie 2] te Enter. In het plan is aan hun gronden de bestemming "Horeca" onderscheidenlijk "Detailhandel" toegekend.

[appellant sub 1] en anderen huren de gronden tegenover hun percelen van een particulier ten einde hun klanten van parkeermogelijkheid te voorzien. [appellant sub 1] en anderen hebben inmiddels besloten de huur hiervan op te zeggen. Aan de gronden tegenover de gronden van [appellant sub 1] en anderen is de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied (V-VB)" met de aanduidingen "parkeerterein" en "wro-zone wijzigingsgebied 6" toegekend. Ingevolge artikel 11, lid 11.1, van de planregels zijn ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein" parkeerterreinen toegestaan. Ingevolge lid 11.4.1. aanhef en onder a, kan het college van burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding "wro-zone- wijzigingsgebied 6" met inachtneming van de daarin opgenomen regels de bestemming wijzigen in de bestemming "Wonen".

2.4.3. In januari 2010 heeft Goudappel Coffeng in opdracht van de raad een parkeeronderzoek verricht, waarbij de toekomstige vraag- en aanbodverhouding in kaart is gebracht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Parkeerbalans centrumgebied Enter" van 12 januari 2010 (hierna: de parkeerbalans). Bij het onderzoek is het parkeerduuronderzoek uit 2005 als uitgangspunt genomen. Volgens de parkeerbalans is er voor 2020 voor het gehele centrum een overschot van 484 parkeerplaatsen op het maatgevende moment (zaterdagmiddag).

De raad heeft erkend dat het parkeerduuronderzoek uit 2005 dat als uitgangspunt is gehanteerd bij de parkeerbalans enigszins gedateerd is, gelet op enkele kanttekeningen van de ondernemersvereniging Enter bij het aantal beschikbare parkeerplaatsen in het centrum van Enter en het feit dat enkele wijzigingen hebben plaatsgevonden in de vorm van de invoering van enkele parkeerverboden en de realisatie van ver- en nieuwbouwprojecten die van invloed zijn geweest op de huidige parkeerdruk. Echter, niet aannemelijk is gemaakt dat deze veroudering zodanig is dat de raad in redelijkheid dit parkeerduuronderzoek uit 2005 niet meer ten grondslag heeft kunnen leggen aan de parkeerbalans. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad aannemelijk heeft gemaakt dat er sinds 2005 ook evenzoveel maatregelen getroffen zijn die van positieve invloed zijn geweest op de huidige parkeerdruk.

[appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de uitkomsten van de parkeerbalans onjuist zijn.

Wat betreft het betoog met betrekking tot het terrein tegenover hun gronden, overweegt de Afdeling dat gelet op 2.4.2 in het plan bij recht de gronden overeenkomstig het feitelijke gebruik zijn bestemd voor parkeerdoeleinden. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit oogpunt van flexibiliteit de voorziene wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming "Wonen" gewenst is.

Gelet op de omvang van dit terrein is niet aannemelijk geworden dat bij een eventuele aanwending van de wijzigingsbevoegdheid de raad in redelijkheid er niet meer van heeft kunnen uitgaan dat voor het gehele centrum over voldoende parkeerplaatsen wordt beschikt.

Gezien het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen parkeerproblemen te verwachten zijn.

Over het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in meer parkeergelegenheid dan thans is opgenomen zou voorzien.

Gelet op het voorgaande heeft de raad het verzoek van [appellant sub 1] en anderen om meer parkeergelegenheid in het bestemmingsplan op te nemen dan thans is voorzien kunnen afwijzen.

2.4.4. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is in zoverre ongegrond.

2.5. [appellant sub 1] en anderen betogen verder dat ten onrechte het parkeerterrein aan de Athanasiastraat buiten het plan is gelaten. Hierdoor is onzeker of de functie van parkeerterrein ter plaatse zal blijven gelden.

2.5.1. [appellant sub 1] en anderen stellen terecht dat de in geding zijnde gronden, die thans in gebruik zijn als parkeerterrein, niet tot het plangebied behoren.

Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat ten tijde van het bestreden besluit bekend was dat voor het overige gebied van Enter het bestemmingsplan "Enter Dorp" in voorbereiding was.

In het bestemmingsplan "Enter Dorp", dat inmiddels in rechte vaststaat, zijn de in geding zijnde gronden bestemd als "Verkeer- en verblijfsgebied" met de aanduiding "parkeerterrein". Voorts is niet gebleken dat tussen de in het geding zijnde gronden en het plangebied een zodanige samenhang bestaat dat de raad uit dit oogpunt deze in het plan had moeten betrekken.

2.5.2. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de planbegrenzing in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor zover het betreft het besluit van 6 juni 2011

2.6. [appellant sub 1] en anderen hebben hun beroep dat wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 6 juni 2011 niet nader onderbouwd. Het beroep tegen dat besluit is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B]

2.7. Zoals hierboven onder 2.3. is overwogen, is het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] gericht tegen zowel het besluit van 14 september 2010 als tegen het besluit van 6 juni 2011.

2.8. Het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] dat betrekking heeft op het besluit van 6 juni 2011 is ten eerste gericht tegen het plandeel met de bestemming "Centrum (C)" wat betreft de percelen Dorpsstraat 73-91A.

[appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] voeren aan dat binnen de bestemming "Centrum (C)" ten onrechte een veelheid aan functies mogelijk wordt gemaakt.

Ten onrechte staat het bestemmingsplan ter plaatse toe dat voor 80% aan bijgebouwen buiten het bouwvlak mag worden gebouwd, met een bouwhoogte van 6 m. Dergelijke bebouwing past volgens hen niet in een dorpsomgeving.

Het plan sluit niet uit dat de percelen aan de zijde van de Dorpsstraat volledig worden bebouwd, waardoor de achterterreinen niet meer kunnen worden ontsloten, aldus [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B]. Dit klemt te meer nu panden horizontaal gesplitst kunnen worden, hetgeen de ontsluitingsproblemen zal verergeren, aldus [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B].

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het niet ongebruikelijk is om aan een centrumgebied een globale centrumbestemming toe te kennen waarin uitwisseling kan bestaan tussen functies die veelal in een centrum voorkomen. De raad betoogt dat het bestemmingsplan niet in de weg staat aan een ontsluiting van de desbetreffende achterterreinen.

Gezien de ligging van de gronden en de gemiddelde grootte van de percelen acht de raad de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen buiten de bouwvlakken binnen de bestemming "Centrum (C)" ruimtelijk aanvaardbaar.

De toegestane maximale bouwhoogte van 6 m voor bijgebouwen ter plaatse is volgens de raad eveneens aanvaardbaar.

2.8.2. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] zijn woonachtig aan [locatie 3]. In het plan is aan hun gronden de bestemming "Wonen" toegekend.

De percelen Dorpsstraat 73-91A, gelegen ten westen en zuiden van hun gronden, zijn bestemd als "Centrum (C)". Op de gronden grenzend aan de Dorpsstraat is een aantal aaneengesloten bouwvlakken opgenomen.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de op de verbeelding voor "Centrum (C)" aangewezen gronden bestemd voor:

a. detailhandel;

b. horeca, zoals genoemd in de bij deze regels als bijlage behorende Lijst met horecabedrijven onder de categorieën 1 en 2;

c. kantoren met baliefunctie;

d. publiekverzorgend ambacht en dienstverlening;

e. maatschappelijke dienstverlening;

f. wonen op de verdieping(en) van gebouwen;

g. ter plaatse van de aanduiding cultuurhistorische waarden voor het behoud, de bescherming of het herstel van de cultuurhistorische waarden;

h. aan de hoofdfunctie ondergeschikte verkeers-, parkeer-, en groenvoorzieningen, tuinen, erven en terreinen;

met daarbij behorende:

i. waterhuishoudkundige voorzieningen;

met dien verstande dat de functies als genoemd onder a tot en met e uitsluitend zijn toegelaten op de begane grond.

In lid 5.2.1, aanhef en onder a, is bepaald dat een hoofdgebouw binnen een bouwvlak dient te worden gebouwd.

Ingevolge lid 5.2.2, onder a, mag de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen niet meer dan 80% bedragen van de oppervlakte van de buiten het bouwvlak gelegen gronden tot niet meer dan 250 m².

Ingevolge lid 5.2.2, onder c, mag de goothoogte niet meer dan 3 bedragen.

Ingevolge lid 5.2.2, onder d, mag de bouwhoogte van een bijgebouw niet meer dan 6 m gedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte 15% lager dient te zijn dan het hoofdgebouw, met een minimum van 1 m.

Ingevolge lid 5.2.2, onder e, geldt in afwijking van het bepaalde onder d in geval van een hoofdgebouw met één bouwlaag, dat de bouwhoogte van een bijgebouw niet meer dan 4 m mag bedragen.

2.8.3. De planregeling voor de bestemming "Centrum (C)" laat een veelheid aan functies toe. De raad heeft in beginsel beleidsvrijheid om de mate van gedetailleerdheid van het plan te bepalen. De raad heeft voldoende gemotiveerd dat een globale bestemming in een centrumgebied de voorkeur heeft, omdat een starre regeling de functies eerder zal blokkeren en het centrumgebied zich onderscheidt van de omringende gronden. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat sommige functies niet thuis horen in het centrumgebied noch dat hun belangen door toekenning van een ruime centrumregeling ernstig worden geschaad.

2.8.4. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene maximaal te bebouwen oppervlakte aan bijgebouwen buiten de bouwvlakken van de gronden met de bestemming "Centrum (C)" en de toegestane maximale bouwhoogte aan bijgebouwen ter plaatse gewenst zijn binnen een centrumgebied zoals het onderhavige uit het oogpunt van het bieden van uitbreidingsmogelijkheden voor ondernemers.

Het standpunt van de raad dat artikel 5, lid 5.2.2, onder a, van de planregels voldoende waarborgt dat geen buitenproportionele oppervlakte aan bijgebouwen zal ontstaan buiten het bouwvlak met de bestemming "Centrum" acht de Afdeling niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat nagenoeg alle van deze gronden een grote oppervlakte beslaan, zodat het gestelde maximum van 250 m² aan bijgebouwen hiervoor een aanzienlijke inperking biedt.

De raad heeft verder in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat bijgebouwen met een maximale hoogte van 6 m passend zijn in het centrumgebied.

[appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] hebben ter zitting terecht gesteld dat in artikel 5, lid 5.2.2, onder c, van de planregels wat betreft de maximale goothoogte een maataanduiding ontbreekt. Gezien de overige bepalingen kan geen twijfel bestaan over het feit dat de bedoeling van de raad was om aldaar de "maataanduiding 'm' (meter)" op te nemen. De ontbrekende maataanduiding kan derhalve in dit geval niet tot verwarring of rechtsonzekerheid leiden dat de goothoogte niet meer dan 3 m mag bedragen.

Gelet op het voorgaande alsmede gezien het centrumgebied waarin de woning van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] is gelegen, hebben [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] niet aannemelijk gemaakt dat de geboden bebouwingsmogelijkheden op dit punt leiden tot een ernstige aantasting van hun woon- en leefklimaat.

2.8.5. Door het toekennen van aaneengesloten bouwvlakken aan de gronden met de bestemming "Centrum" die grenzen aan de Dorpsstraat 73-91A maakt het plan het mogelijk om aldaar aaneengesloten bebouwing te realiseren. Het plan geeft eigenaren echter ook de vrijheid niet alle gronden ter plaatse te bebouwen, om zodoende een ontsluiting te behouden voor hun achterterrein. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een dergelijk regeling voor een centrumgebied niet ongebruikelijk is. Verder heeft de raad in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het te ver voert om, mede gelet op het karakter van het gebied, de ontsluitingen van het achterterrein expliciet te regelen en dat het redelijk is de keuze voor het al dan niet behouden van een ontsluiting naar de achterterreinen behorende bij de op de desbetreffende gronden gelegen panden aan de eigenaren te laten.

Niet aannemelijk is geworden dat met het benutten van de geboden bouwmogelijkheden de belangen van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] ernstig worden geschaad.

De omstandigheid dat het plan niet uitsluit dat de panden aan de Dorpsstraat 73-91A wat betreft de voor- en achterzijde voor een verschillende functie worden aangewend, maakt het voorgaande niet anders.

2.9. Het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] is verder gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied (V-VB)" langs hun perceel [locatie 3] en in aansluiting daarop ten zuiden van dat perceel en de percelen Bornerbroekseweg 2d, 4 en 6. Zij voeren aan dat een aantal illegale garageboxen ter plaatse met deze planregeling ten onrechte als zodanig is bestemd. Volgens [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] is de strook grond langs het perceel [locatie 3] onvoldoende breed om als toegangsweg naar de voorziene garageboxen te dienen. Zij vrezen voor een verkeersonveilige situatie. Ten onrechte staat het plan de bouw van andere bouwwerken met een maximale hoogte van 8,5 m ter plaatse toe, aldus [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B]. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] voeren aan dat de bestemming "Centrum" met nadere beperkingen ten aanzien van de functie een betere regeling zou zijn voor de strook grond naast hun woning.

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de toegekende bestemming in overeenstemming is met de feitelijke situatie. De raad wijst er op dat voor de 8 garageboxen die in het verleden zonder bouwvergunning zijn gebouwd inmiddels vrijstelling en bouwvergunning is verleend. Hoewel de vergunningen nog niet onherroepelijk zijn, kan volgens de raad niet meer gesproken worden van een illegale situatie.

Voorts stelt de raad dat het gebruik van de weg anders dan door bestemmingsverkeer dermate gering wordt geacht, dat een afwijkende wijze van bestemmen dan overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP 2008 (hierna: SVBP 2008) niet nodig is geacht.

De raad betoogt dat in het kader van de verlening van vrijstelling en bouwvergunning voor de uitbreiding van een pand aan de Dorpsstraat verkeerstellingen zijn gehouden op de toegangsweg naast [locatie 3]. Deze hebben uitgewezen dat het gaat om gemiddeld 30 verkeersbewegingen per dag. Gelet hierop is geen onacceptabele situatie te verwachten zowel wat betreft de verkeersveiligheid als wat betreft de te ervaren overlast voor [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B].

2.9.2. Aan de in geding zijnde gronden is de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied (V-VB) " toegekend. Aan een deel van de desbetreffende gronden ter hoogte van bestaande garageboxen is tevens de aanduiding "garage (ga)" toegekend.

Ingevolge artikel 11, lid 11.1, van de planregels zijn de gronden op de verbeelding aangewezen voor "Verkeer - Verblijfsgebied (V-VB)" onder meer bestemd voor woonstraten en pleinen en zijn ter plaatse van de aanduiding "garage" garageboxen toegestaan.

Ingevolge lid 11.2 mogen op de tot "Verkeer-Verblijfsgebied (V-VB)" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

In lid 11.2.2. is bepaald dat voor bouwwerken, geen gebouwen zijn, geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 8,5 m mag bedragen.

2.9.3. Tussen partijen is niet in geschil is dat 8 van de garageboxen op de in geding zijnde gronden zonder bouwvergunning zijn gebouwd. Niet in geschil is verder dat het gemeentebestuur de bewuste afwijking heeft willen legaliseren. Hiertoe is op 11 februari 2008 vrijstelling en een bouwvergunning verleend, welke bij beslissing op bezwaar van 7 februari 2011 is gehandhaafd. Hoewel er nog een procedure met betrekking tot de vrijstelling en de bouwvergunning loopt, heeft de raad de vrijheid hetgeen waarop de vrijstelling en bouwvergunning ziet in het plan op te nemen, mits dit geen strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht oplevert.

2.9.4. De bezwaren van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] ter zake van de garageboxen liggen hoofdzakelijk in het gebruik van de strook grond naast hun woning als toegangsweg naar de garageboxen. De Afdeling stelt vast dat de in het plan toegekende bestemming aan deze gronden in overeenstemming is met de bestaande situatie. Tussen partijen is niet in geschil dat de strook grond ongeveer 3 m breed is. Mede gelet op de aard van de weg ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er in redelijkheid niet van heeft mogen uitgaan dat deze breedte voldoende is voor de voorziene functie. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft betwist dat de door [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] overgelegde foto's waarop zwaar materieel op de weg is vastgelegd een representatieve weergave van de huidige situatie is, gelet op het feit dat het merendeel van de foto's uit de periode 2007-2009 dateert en uit navraag is gebleken dat in die periode een buurman van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] werkzaamheden heeft verricht met betrekking tot de aanleg van zijn achtertuin en dat ten behoeve hiervan zwaar materieel is ingezet.

De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet te verwachten is dat het plan in zoverre ernstige overlast voor [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] met zich brengt. Hierbij betrekt de Afdeling dat het pad uitsluitend leidt tot de garageboxen ter plaatse en tot de achterterreinen van de daaraan gelegen panden. De raad heeft onweersproken gesteld dat in het kader van de verlening van een vrijstelling en bouwvergunning voor de uitbreiding van een pand aan de Dorpsstraat verkeerstellingen zijn gehouden op de strook grond naast de woning van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] en deze hebben uitgewezen dat het om gemiddeld 30 voertuigbewegingen per dag gaat. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] hebben geen gegevens overgelegd die een begin van bewijs leveren dat het gemiddelde aantal voertuigbewegingen per dag ter plaatse hoger ligt. De enkele stelling dat zij eenmaal op een dag 90 voertuigbewegingen hebben waargenomen, is daarvoor onvoldoende.

2.9.5. Vaststaat dat er meerdere particuliere uitritten op de Bornebroekseweg uitkomen. Niet aannemelijk is geworden dat dit thans problemen oplevert.

De raad heeft zich gelet op 2.9.4 in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre verhoudingsgewijs slechts tot een minimale toename van het verkeer op de doorgaande Bornebroekseweg zal leiden. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat vanuit de voorziene uitrit geen zicht bestaat op de Bornebroekseweg.

Gebleken is dat voertuigen elkaar op de in geding zijnde gronden niet kunnen passeren. Echter, de raad heeft in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat, gelet op het te verwachten gebruik van de desbetreffende gronden, het gaat om situaties die zich slechts incidenteel voordoen en dat in een dergelijke geval de verkeersdeelnemers zelf tot een passende oplossing zullen komen. Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat in zoverre een verkeersonveilige situatie zal ontstaan.

2.9.6. Weliswaar staat het plan ter plaatse bouwwerken, geen gebouw zijnde, met een maximale hoogte van 8,5 m toe, maar niet gebleken is dat de raad zich hieromtrent niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het vereiste in lid 11.2 dat de bouwwerken ten dienste van de bestemming dienen te zijn, voldoende waarborg biedt dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] niet ernstig wordt aangetast.

2.9.7. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De raad heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de toegekende bestemming aan de gronden in overeenstemming is met de SVBP 2008 en eveneens is toegekend aan soortgelijke ontsluitingswegen. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid de door [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] voorgestelde alternatieve wijze van bestemmen door middel van een bestemming "Centrum" met nadere beperkingen ten aanzien van de functie kunnen afwijzen.

2.10. In hetgeen [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het besluit van 6 juni 2011 strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] tegen het besluit van 6 juni 2011 is ongegrond.

2.11. Het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] dat betrekking heeft op het besluit van 14 september 2010 is gericht tegen de hiervoor genoemde plandelen. Voor deze onderdelen van het plan voorziet het besluit van 6 juni 2011 in gewijzigde vaststelling. Nu blijkens 2.6 en 2.10 de beroepen tegen dit besluit ongegrond zijn, zal dat besluit door deze uitspraak in rechte onaantastbaar worden. Hieruit volgt dat de bestreden onderdelen van het bij besluit van 14 september 2010 vastgestelde plan niet langer rechtskracht zullen hebben. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] geen belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep tegen het besluit van 14 september 2010.

In verband hiermee dient het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] tegen het besluit van 14 september 2010 voor zover het betreft de hiervoor genoemde plandelen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.12. De Afdeling stelt tot slot vast dat [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] de omvang van het geding hebben uitgebreid door na afloop van de hen gegeven termijn voor het aanvullen van de gronden van hun beroep ten aanzien van het besluit van 14 september 2010 ook het plandeel met de bestemming "Groen" wat betreft de gronden ten zuiden van de percelen Bornebroekseweg 2d en 4 aan te vechten. De desbetreffende planregeling is vastgesteld bij besluit van 14 september 2010. Het besluit van 6 juni 2011 ziet hier niet op.

Binnen de beroepstermijn of, als een nadere termijn voor het aanvullen van de gronden is gegeven, uiterlijk binnen die termijn, dient vast te staan waartegen het beroep is gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geding na afloop van die termijn wordt uitgebreid. Hetgeen alsnog met betrekking tot het bij besluit van 14 september 2010 vastgestelde plandeel met de bestemming "Groen" wat betreft de gronden ten zuiden van de percelen Bornebroekseweg 2d en 4 naar voren is gebracht, moet daarom in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten.

Proceskostenveroordeling en griffierecht

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen geen aanleiding.

Nu [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] tegen het besluit van 14 september 2010 hebben aangevoerd dat de raad ten onrechte niet is ingegaan op hun zienswijze, de raad dit heeft erkend en bij besluit van 6 juni 2011 alsnog gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B], ziet de Afdeling in de omstandigheden van het geval aanleiding de raad op navolgende wijze te veroordelen in de proceskosten van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B].

Onder de eerdergenoemde omstandigheden ziet de Afdeling tevens aanleiding de raad te gelasten het betaalde griffierecht aan [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] te vergoeden.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] tegen het besluit van 14 september 2010, kenmerk 2010212, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied (V-B)" gelegen langs het perceel [locatie 3] en, in aansluiting daarop, ten zuiden van dat perceel en achter de percelen Bornerbroekseweg 2d, 4 en 6 en het plandeel met de bestemming "Centrum (C)" niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen tegen zowel het besluit van 14 september 2010 als tegen het besluit van 6 juni 2011 en het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] tegen het besluit van 6 juni 2011 ongegrond;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Wierden tot vergoeding van bij [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 920,31 (zegge: negenhonderdtwintig euro en eenendertig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Wierden aan [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Nienhuis

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

466-649.