Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6368

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
200906620/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Reeuwijk, thans gemeente Bodegraven-Reeuwijk, bij besluit van 1 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Hogebrug".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200906620/1/R1.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Reeuwijk, thans gemeente Bodegraven-Reeuwijk, bij besluit van 1 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Hogebrug".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen hebben hun beroepen aangevuld bij brieven van 24 september 2009.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en anderen en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2011, waar [appellant sub 1] en anderen, en [appellant sub 2] en anderen, bijgestaan door mr. G.G.M. Johannes, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door W. Nomen, werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. De Afdeling stelt vast dat geen machtiging is overgelegd waaruit blijkt dat [appellant sub 1] is gemachtigd in rechte namens [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] op te treden. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 1] en anderen slechts ontvankelijk voor zover dat is ingediend door [appellant sub 1].

2.2. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen voor zover die betrekking hebben op de gronden gelegen aan [locatie 1], waar [belanghebbende A] is gevestigd, steunen niet op bij het college ingebrachte bedenkingen. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in tegen het vastgestelde plan bij het college ingebrachte bedenkingen heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen bedenkingen heeft ingebracht.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen ter zitting hebben aangevoerd dat zij in hun bedenkingen opkomen tegen het planologisch mogelijk maken van alle nieuwe bedrijven in milieucategorie 3.2 in het plangebied en dat daaronder ook [belanghebbende A] moet worden begrepen maakt dit oordeel niet anders. De andere twee bedrijven Trappenfabriek Vios B.V. (hierna: Vios B.V.) en Kiela Metaalwarenfabriek B.V. (hierna: Kiela B.V) worden door appellanten specifiek genoemd en uitvoerig behandeld in de bedenkingen en uit het feit dat terloops wordt gesproken over bedrijven in milieucategorie 3.2 kan niet worden afgeleid dat de bedenkingen ook specifiek zien op [belanghebbende A]. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat uit een kaart kan worden afgeleid dat haar bedenkingen zien op de gronden van [belanghebbende A], wat daar ook van zij, stelt de Afdeling vast dat die kaart eerst is gehanteerd in het kader van de hoorzitting bij het college en dat deze niet als bijlage is gevoegd bij de bedenkingen. Gelet hierop zijn de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen niet-ontvankelijk voor zover deze zijn gericht tegen de gronden waarop [belanghebbende A] is gevestigd.

Toetsingskader

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.4. Het plangebied ligt ten zuidoosten van de Reeuwijkse Plassen en ten noorden van de spoorlijn Gouda-Woerden. Het plan biedt een juridische actualisering van de hiervoor geldende planologische regelingen voor het gebied Hogebrug en omliggende gronden. Daarnaast betreft het plan een inhoudelijke aanpassing aan de feitelijke en gewenste situatie van met name woonfuncties en niet-agrarische functies. In het plangebied zijn onder meer de bedrijven Vios B.V., Kiela B.V. en [belanghebbende B] gevestigd. [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] wonen in het plangebied aan de [locatie 2], onderscheidenlijk [locatie 3].

Procedurele bezwaren

2.5. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd dat zich onregelmatigheden in de gevolgde procedure hebben voorgedaan, overweegt de Afdeling dat in het aangevoerde geen aanleiding wordt gezien voor het oordeel dat bij de procedure tot vaststelling van het plan in strijd met het recht is gehandeld.

2.6. [appellant sub 1] betoogt dat het verslag van de hoorzitting bij het college op 13 mei 2009 en de reactie op haar bedenkingen in het bestreden besluit onjuistheden bevatten, waardoor zij in haar belangen wordt geschaad.

2.6.1. De Afdeling stelt voorop dat een verslag van een hoorzitting bij het college een beknopte, niet-letterlijke weergave vormt van hetgeen ter zitting is gezegd, zodat het in zoverre niet onjuist kan worden geacht dat het geen verslag betreft dat tot in detail overeenkomt met hetgeen tijdens de hoorzitting is gezegd. [appellant sub 1] heeft in haar beroepschrift noch ter zitting aannemelijk gemaakt dat zij zodanig wordt benadeeld door eventuele onjuistheden of onvolkomenheden in het verslag van de hoorzitting en in de beantwoording van de bedenkingen dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen.

Vios B.V.

2.7. [appellant sub 2] en anderen betogen dat voor het oostelijk gelegen gedeelte van het terrein van Vios B.V., tussen partijen ook bekend als Vios B.V. Oost, ten onrechte uitbreidingsmogelijkheden zijn opgenomen in het plan, omdat geen noodzaak bestaat tot uitbreiding en omdat een uitbreiding inbreuk maakt op de landschaps- en natuurwaarden. Dat een uitbreidingsmogelijkheid van 15% mogelijk wordt gemaakt is bovendien in strijd met het provinciale beleid "Regels voor Ruimte" (hierna: de Nota) dat slechts een uitbreiding van 10% toestaat, aldus [appellant sub 2] en anderen. Het college en de raad zijn daarnaast in strijd met de Nota uitgegaan van een uitbreiding van de ingevolge het plan maximaal toegestane bebouwing in plaats van een uitbreiding van de feitelijk aanwezige bebouwing. Voorts wordt de uitbreidingsmogelijkheid niet beperkt tot het bouwperceel, hetgeen eveneens in strijd is met de nota, aldus [appellant sub 2] en anderen.

2.7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat in het hiervoor geldende plan "Bestemmingsplan Hogebrug Eerste Herziening" (1987) op het plandeel waar het oostelijke deel van Vios B.V. is gesitueerd een bebouwingspercentage van 80% is opgenomen. Nu in het voorliggend plan een bebouwingspercentage van 71% voor het oostelijke gedeelte van Vios B.V. geldt, is geen sprake van een toename, aldus het college. Uitbreidingen boven de 10% zijn gelet op de planvoorschriften bovendien niet mogelijk in het plan. Daarnaast heeft de raad ter zitting bevestigd dat de uitbreidingen tot 10% zien op de uitbreiding van de oppervlakte van de maximaal toegestane bebouwing op grond van het plan, maar dat uitbreiding buiten het bouwvlak niet is toegestaan. De planvoorschriften maken het niet mogelijk de bestemmingsgrenzen te verleggen, aldus de raad.

2.7.2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de bepalingen van het plan voor overschrijding van - voor bouwen geldende - afstands-, inhouds-, oppervlakte- en hoogtematen met ten hoogste 10%, tenzij het plan elders al over vrijstellingsbevoegdheden voor overschrijding van maatvoering beschikt.

2.7.3. In de Nota is met betrekking tot niet-agrarische functies in een landelijk gebied onder meer opgenomen dat uitbreiding van bestaande niet-agrarische bedrijven, agrarisch aanverwante bedrijven en niet-volwaardige agrarische bedrijven slechts in beperkte mate mogelijk is, waarbij eerder in de nota opgesomde voorwaarden in acht moeten worden genomen en waarbij 10% extra inhoud als richtlijn moet worden aangehouden. De uitbreiding dient in beginsel binnen het bouwperceel te worden gerealiseerd.

2.7.4. In het deskundigenbericht staat dat op de oostelijk gelegen gronden van Vios B.V. de bouw- en gebruiksregeling uit het plan "Hogebrug" (1980) van toepassing was, omdat deze gronden geen deel uitmaakten van het plan "Bestemmingsplan Hogebrug Eerste herziening" (1987).

In het deskundigenbericht staat voorts dat de oostelijk gelegen gronden van Vios B.V. in het plan "Hogebrug" (1980) een bouwvlak hadden met een oppervlakte van ongeveer 0,9 hectare. Aan deze gronden was een bebouwingspercentage van 80% toegekend, zodat op dat plandeel gebouwen mochten worden opgericht met een totale oppervlakte van ongeveer 7.200 m². Verder staat in het deskundigenbericht dat de gronden met de bedrijfsbestemming ongeveer dezelfde oppervlakte hebben in het voorliggende plan als in het daarvoor geldende plan, afgezien van een kleine uitbreiding aan de westzijde. Het bouwvlak is miniem vergroot ten opzichte van het bouwvlak in het bestemmingsplan "Hogebrug" (1980). Voor het bouwvlak geldt een bebouwingspercentage van 71, waar vrijwel dezelfde oppervlakte in het bestemmingsplan "Hogebrug" (1980) voor 80% mocht worden bebouwd. Uitgaande van de globaal berekende oppervlakte van 0,9 hectare van het bouwvlak, mochten de gronden destijds voor 7.200 m² worden bebouwd, terwijl dat nu ongeveer 6.390 m² is. Indien op dat percentage de algemene vrijstellingsbepaling wordt toegepast, kan deze oppervlakte nog tot ongeveer 7.029 m² worden vergroot. De Afdeling concludeert op basis van het voorgaande dat geen sprake is van aanzienlijke uitbreidingsmogelijkheden.

2.7.5. De Afdeling stelt vast dat, anders dan [appellant sub 2] en anderen stellen, in de planvoorschriften een vrijstellingsbevoegdheid is opgenomen voor overschrijding van maten van bebouwing met ten hoogste 10%. Voorts is ter zitting gebleken dat [appellant sub 2] en anderen vrezen voor een uitbreiding van bebouwing buiten het bouwvlak van Vios B.V. en dat het beroep zich niet richt tegen een eventuele uitbreiding in hoogte van Vios B.V.. De raad heeft ter zitting aangegeven dat niet is beoogd uit te breiden buiten het bouwvlak, hetgeen op grond van de Nota ook niet is toegestaan, nog daargelaten dat de planvoorschriften een dergelijke uitbreiding ook niet mogelijk maken. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat de uitbreidingsmogelijkheid 15% betreft en niet is beperkt tot het bouwperceel feitelijke grondslag mist. Voorts overweegt de Afdeling dat de richtlijn in de Nota van 10% niet ziet op overschrijding van maten, maar op de extra inhoud bij uitbreiding van niet-agrarische bedrijven, zodat reeds daarom geen strijd met de Nota kan worden aangenomen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid goedkeuring heeft kunnen verlenen aan deze vrijstellingsmogelijkheid in het plan.

2.8. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat er geluid- en trillinghinder ontstaat in haar woning ten gevolge van zwaar wegverkeer vanwege Vios B.V. en de bedrijfsactiviteiten van Vios B.V..

2.8.1. De Afdeling overweegt dat in het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de bestemming in het plan voor Vios B.V. is toegesneden op de huidige bedrijfsactiviteiten die ter plaatse plaatsvinden en dat de bestaande bebouwing niet of nauwelijks bij recht kan worden uitgebreid, hetgeen [appellant sub 1] in de zienswijze op het deskundigenbericht niet heeft bestreden. Gelet hierop en nu [appellant sub 1] haar betoog niet heeft onderbouwd, is niet aannemelijk dat het plan een zodanige toename van de geluidbelasting en trillinghinder afkomstig van wegverkeer en bedrijfsactiviteiten van Vios B.V. met zich brengt, dat [appellant sub 1] daarvan onaanvaardbaar te achten hinder zal ondervinden. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid goedkeuring heeft kunnen verlenen aan de plandelen waar Vios B.V. is gevestigd.

2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen ter plaatse van Vios B.V. niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

Kiela B.V.

2.10. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat aan het plandeel ter plaatse van de inrit van Kiela B.V. aan de [locatie 3]0, dat in het hiervoor geldend plan "Bestemmingsplan Hogebrug Eerste Herziening" (1987) was bestemd als "Tuin (T)", ten onrechte de bestemming "Bedrijven t/m categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (B2)" met de nadere aanwijzing "zonder gebouwen (z)" is toegekend. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen begrijpen dat Kiela B.V., een bedrijf dat metalen meubels produceert, ten behoeve van haar bedrijfsvoering bereikbaar moet zijn, maar zij betogen dat het niet noodzakelijk is om in dat kader gronden met een breedte van 11 meter als uitrit te bestemmen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat de reeds aanwezige inrit moet worden versmald, nu de inrit zonder vergunning is verbreed op gronden met een tuinbestemming. Voorts dient het illegaal geplaatste geluidsscherm te worden verplaatst, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen.

2.10.1. Dat het desbetreffende plandeel met de tuinbestemming ooit in zijn geheel is geasfalteerd, beschouwt het college als een feitelijke situatie waar niets aan kan worden veranderd. Een klein gedeelte groen te midden van een inrit acht het college overigens niet praktisch, ook omdat de overlast die ermee wordt voorkomen verwaarloosbaar zal zijn. Een uitsluitend op groen gerichte bestemming wordt dan ook niet redelijk geacht. Voorts acht het college de brede ingang niet overbodig, gelet op de aanzienlijke vrachtwagens die er komen en de benodigde keermogelijkheid. Ten aanzien van het geluidsscherm heeft de raad zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het scherm is geplaatst conform de milieuvergunning die in het verleden aan [belanghebbende B] is verleend.

2.10.2. Op de verbeelding is op de grens van de plandelen waar Kiela B.V. aan de [locatie 3]0 en [belanghebbende B] aan de [locatie 2] zijn gevestigd een aanduiding aangebracht die een terreinafscheiding tot 3 meter mogelijk maakt.

2.10.3. In het deskundigenbericht staat dat het geluidscherm in 1994 is geplaatst conform voorschriften uit de Hinderwetvergunning die op 1 april 1992 aan [belanghebbende B] is verleend. In het akoestisch onderzoek dat mede ten grondslag heeft gelegen aan de milieuvergunning die op 21 maart 2005 aan Kiela B.V. is verleend, is uitgegaan van de aanwezigheid van het geluidscherm.

2.10.4. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat de inrit zonder vergunning is verbreed, overweegt de Afdeling dat dit aspect een kwestie is van handhaving en derhalve niet in deze procedure aan de orde kan komen.

Voorts overweegt de Afdeling ten aanzien van de inrit dat in het algemeen aan een hiervoor geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Gelet op de omstandigheid dat Kiela B.V. in het kader van haar bedrijfsvoering bereikbaar moet zijn voor verkeer, waaronder grote vrachtwagens die ook moeten kunnen keren, overweegt de Afdeling dat het college in redelijkheid goedkeuring heeft kunnen verlenen aan het plandeel met de bestemming "Bedrijven t/m categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (B2)" met de nadere aanwijzing "zonder gebouwen (z)". De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen niet hebben toegelicht waarom een groenbestemming ter plaatse gewenst is. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden waarop de inrit gelegen is zodanig bestemd moeten worden dat slechts een smallere inrit is toegestaan.

Voorts overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat het geluidscherm conform de aan [belanghebbende B] verstrekte milieuvergunning is geplaatst ten behoeve het reduceren van geluid voor omwonenden en dat ook in de milieuvergunning verstrekt aan Kiela B.V. op 21 maart 2005 is uitgegaan van het geluidscherm. Het college heeft in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het algemene belang om door middel van het geluidscherm ter plaatse de geluidhinder te reduceren dan aan het belang van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen van een vrij uitzicht. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid goedkeuring heeft kunnen verlenen aan de plandelen waarop het scherm ter plaatse planologisch mogelijk is gemaakt. Het betoog faalt.

2.11. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat het plan ten onrechte uitbreidingsmogelijkheden voor Kiela B.V. mogelijk maakt, nu het voorliggend plan een conserverend plan betreft.

2.11.1. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat een uitbreiding van de bebouwing van Kiela B.V. bij recht niet mogelijk is, enkel een uitbreiding in de hoogte, maar dat daarvoor een vrijstelling nodig is.

2.11.2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de bepalingen van het plan voor overschrijding van - voor bouwen geldende - afstands-, inhouds-, oppervlakte- en hoogtematen met ten hoogste 10%, tenzij het plan elders al over vrijstellingsbevoegdheden voor overschrijding van maatvoering beschikt.

2.11.3. In het deskundigenbericht staat met betrekking tot het terreindeel met de aaneengebouwde bedrijfshallen die worden gebruikt door Kiela B.V., dat de bouwgrenzen op de plankaart aan alle zijden in of vlak langs de perceelsgrenzen zijn geprojecteerd. De omvang van de bouwvlakken bedraagt ongeveer 300 m² voor de noordelijke bedrijfshal en 920 m² voor de middelste en zuidelijke bedrijfshal tezamen. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de bestemmingen in het voorliggend plan zijn toegesneden op de activiteiten van Kiela B.V. en er voor dit bedrijf geen mogelijkheid bestaat de bebouwing bij recht uit te breiden.

2.11.4. De Afdeling stelt voorop dat een conserverend plan niet met zich brengt dat geen enkele wijziging ten opzichte van het hiervoor geldende plan mogelijk kan worden gemaakt. De conclusie in het deskundigenbericht en de stelling van de raad ter zitting dat het plan het niet mogelijk maakt de bestaande bebouwing van Kiela B.V. bij recht uit te breiden buiten het bouwvlak, wordt door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen in de stukken en ter zitting niet bestreden. Voorts kan de algemene vrijstellingsbepaling in artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, met uitzondering van de hoogte van de bebouwing, niet worden toegepast op Kiela B.V., omdat de bouwvlakken en de bestemmingsgrens strak om de gebouwen zijn getrokken. Weliswaar kan worden uitgebreid in de hoogte, maar de Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat een uitbreiding van 10% in de hoogte onaanvaardbaar zou moeten worden geacht.

2.12. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen richten zich verder onder meer tegen twee plandelen gelegen aan de Hogebrug 14 waaraan bestemmingen zijn toegekend die een bedrijf toelaten met milieucategorie 3.2 en waar Kiela B.V. thans drie bedrijfshallen huurt. In dit verband voeren [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen het volgende aan.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat de toelaatbaarheid van Kiela B.V. in het plan getoetst moet worden aan de richtafstand genoemd in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure), nu het om een planologisch nieuw bestemd bedrijf gaat. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen verder dat hun woon- en leefmilieu wordt aangetast door de activiteiten die Kiela B.V. uitoefent. Ter zitting hebben zij in dat verband gesteld dat sprake is van een toename van verkeer en geluid sinds Kiela B.V. ter plaatse is gevestigd. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen tot slot dat in het plan ter plaatse van Kiela B.V. ten onrechte milieucategorie 3.2 wordt toegestaan. Gelet op het beleid van de raad mogen nieuwe bedrijven maximaal in milieucategorie 2 worden ingedeeld, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen.

2.12.1. Het college en de raad stellen voorop dat, gezien het overwegende woonkarakter van de kern Hogebrug, in beginsel uitsluitend bedrijven uit categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toelaatbaar zijn in het plangebied. De raad stelt dat er geen financiële middelen bestaan om bestaande bedrijven uit een hogere categorie, zoals Kiela B.V., weg te bestemmen en daarom wenst de raad bestaand gebruik als zodanig te bestemmen. Het college en de raad stellen zich verder op het standpunt dat Kiela B.V. reeds sinds 1989 in het gebied Hogebrug is gevestigd en dat Kiela B.V. derhalve dient te worden aangemerkt als een bestaand bedrijf. Op het moment van vestiging gold voor enkele plandelen ter plaatse weliswaar geen bestemmingsplan, maar voor de vestiging van het bedrijf is toentertijd een bouwvergunning verleend aan [belanghebbende B] voor de bouw van bedrijfshallen die Kiela B.V. thans huurt en daarnaast is een milieuvergunning voor de activiteiten van Kiela B.V. verleend.

De raad licht verder toe dat in het plan de bedrijfsactiviteiten uit een hogere milieucategorie zijn toegestaan door middel van een specifieke bedrijfsbestemming. Zo zijn aan het perceel Hogebrug 14 op basis van het huidige gebruik specifieke bedrijfsbestemmingen met de maximaal toelaatbare milieucategorie toegekend. Andere bedrijfsactiviteiten in een hogere milieucategorie dan 2 zijn ter plaatse niet toegestaan, aldus het college en de raad. De bestemming die in het hiervoor geldend plan "Bestemmingsplan Hogebrug Eerste Herziening" (1987) was toegekend aan een van de plandelen waarop Kiela B.V. thans is gevestigd, maakte op grond van de bijlage Staat van Inrichtingen bij dat plan reeds bedrijvigheid tot milieucategorie 4 mogelijk, aldus het college en de raad. Nu het voorliggende plan bedrijvigheid tot milieucategorie 3.2 toestaat, is er volgens het college en de raad in milieutechnisch opzicht geen sprake van een uitbreiding.

2.12.2. In het deskundigenbericht staat dat Kiela B.V. thans is gevestigd op drie locaties, waaronder de locatie Hogebrug. Kiela B.V. huurt sinds 1989 ter plaatse drie bedrijfshallen van [belanghebbende B], een bedrijf dat metalen voorwerpen coat. [belanghebbende B] is sinds 1972 op de locatie Hogebrug gevestigd en heeft de destijds aanwezige bedrijfs- en woonbebouwing met garage aan de Hogebrug 14, 16-18 en 20 in gebruik genomen. In de periode 1975-1988 heeft [belanghebbende B], naast de reeds bestaande bedrijfshallen, verschillende bedrijfshallen gebouwd. De bedrijfshal gelegen achter de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie 2], zijnde de oostelijke loods, wordt door [belanghebbende B] gebruikt. De aaneengebouwde bedrijfshallen op het westelijke terreindeel zijn bij Kiela B.V. in gebruik.

In het deskundigenbericht staat voorts dat aan Kiela B.V. voor de vestiging in Hogebrug op 21 maart 2005 een oprichtingsvergunning is verleend op grond van de Wet milieubeheer (hierna: de milieuvergunning). Deze vergunning is verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor metaalbewerking en montage op de locatie Hogebrug. Sinds 1 januari 2008 valt het bedrijf onder het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) en ter zitting is gebleken dat de raad aan het bedrijf maatwerkvoorschriften heeft opgelegd die gelijkluidend zijn aan de voorschriften uit de verleende milieuvergunning.

In het deskundigenbericht staat verder dat volgens Kiela B.V. na voltooiing van de uitbreiding van de hoofdvestiging van Kiela B.V. in Driebruggen alle bedrijfsonderdelen in Hogebrug naar de hoofdvestiging in Driebruggen worden verplaatst. Ter zitting is gebleken dat Kiela B.V. thans nog ter plaatse is gevestigd, maar dat de bedrijfshallen enkel dienen als opslag en er geen andere activiteiten meer plaatsvinden.

Voorts staat in het deskundigenbericht dat indien Kiela B.V. ter plaatse vertrekt, het plan een soortgelijk bedrijf in de vrijgekomen bedrijfsbebouwing toelaat.

Ten slotte staat in het deskundigenbericht dat de afstand van de meubelfabriek van Kiela B.V. tot de dichtstbijzijnde burgerwoning kleiner is dan 4 meter.

2.12.3. In het plan zijn aan het deel van de gronden waarop Kiela B.V. in drie bedrijfshallen is gevestigd en dat in eigendom toebehoort aan [belanghebbende B], de volgende bestemmingen toegekend. Aan het ene plandeel waarop de meest noordelijk gelegen bedrijfshal (hierna: bedrijfshal 1) is gelegen, is de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de subbestemming "Productie van meubels (zonder woning) (Bmb(zw))" en een maximum bebouwingspercentage van 100 toegekend. Daarnaast is met een nadere aanwijzing voorzien dat ter plaatse een afwijkende hoogte geldt. Aan een ander plandeel waarop de meest zuidelijke bedrijfshal (hierna: bedrijfshal 3) en de bedrijfshal te midden van bedrijfshal 1 en 3 (hierna: bedrijfshal 2) zijn gelegen, is tevens de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met voormelde subbestemming "Productie van meubels (zonder woning) (Bmb(zw))" toegekend en een maximum bebouwingspercentage van 100.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, onder f, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart aangewezen gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)", onder verwijzing naar de Staat van Bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de subbestemming "Bmb", bestemd voor de productie van meubels behorende tot categorie 3.2.

In de Staat van Bedrijfsactiviteiten worden als activiteiten in milieucategorie 3.2 genoemd de vervaardiging van houten of metalen meubels, al dan niet met lakspuiterij, en in de rubriek "Vervaardiging van producten van metaal" onder meer lakspuiten en moffelen.

2.12.4. In het hiervoor geldend plan "Bestemmingsplan Hogebrug Eerste Herziening" (1987) waren aan de plandelen waarop [belanghebbende B] is gevestigd verschillende bestemmingen toegekend.

Het college heeft bij besluit van 13 juni 1989 goedkeuring onthouden aan twee plandelen waarop van [belanghebbende B] is gevestigd en waar Kiela B.V. thans bedrijfshallen 1 en 2 huurt.

Aan het derde plandeel waarop [belanghebbende B] is gevestigd en waar Kiela B.V. thans bedrijfshal 3 huurt, was de subbestemming "BIIs" toegekend, hetgeen inhield dat een spuiterij was toegestaan. Voorts was aan dit plandeel, voor zover van belang, de nadere aanwijzing "zonder dienstwoning (zd)" toegekend.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften bij dit plan was op de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" ter plaatse van de subbestemming "BII" het uitoefenen van bedrijven als genoemd in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Inrichtingen toegestaan, alsmede ter plaatse van de aanduiding "BIIs" een spuiterij.

In de Staat van Inrichtingen, die als bijlage bij de planvoorschriften was opgenomen, werd de spuiterij niet als afzonderlijk inrichtingstype vermeld. Loodgieters- en installatiebedrijven met las- en spuitwerkzaamheden werden wel aangemerkt als bedrijf in milieucategorie 3 en verder waren sociale werkplaatsen met een lakspuiterij alsmede de metalen meubelindustrie ingedeeld in milieucategorie 4.

2.12.5. In het plan "Hogebrug" (1980), dat gold voordat het plan "Bestemmingsplan Hogebrug Eerste Herziening" (1987) in werking trad, waren aan de plandelen waarop [belanghebbende B] is gevestigd en Kiela B.V. thans bedrijfshallen huurt verschillende bestemmingen toegekend.

Het college heeft bij besluit van 18 augustus 1981 goedkeuring onthouden aan twee plandelen waarop van [belanghebbende B] is gevestigd en waar Kiela B.V. thans bedrijfshallen 1, 2 en 3 huurt.

2.12.6. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat het college en de raad niet hebben voldaan aan het advies van de provinciale planologische commissie van 7 april 2009, nu volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen tijdens de hoorzitting op 13 mei 2009 niet duidelijk is geworden waarom bijgekomen bedrijvigheid in milieucategorie 3 in het plan is toegestaan, overweegt de Afdeling dat het college bevoegd is te besluiten omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Het advies van de provinciale planologische commissie bindt het college niet.

De Afdeling stelt vast dat Kiela B.V. sinds 1989 is gevestigd aan de Hogebrug 14. Aan het plandeel waar [belanghebbende B] is gevestigd en Kiela B.V. thans bedrijfshal 3 huurt waren op grond van het hiervoor geldend plan "Bestemmingsplan Hogebrug Eerste Herziening" (1987) activiteiten tot milieucategorie 4 uit de Staat van Inrichtingen toegestaan, thans vergelijkbaar met milieucategorie 3.2 uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten. De Afdeling gaat verder, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, van het volgende uit. Vóór de vaststelling van het plan "Hogebrug" (1980) was op de plandelen waarop [belanghebbende B] is gevestigd en Kiela B.V. thans de drie bedrijfshallen huurt, in de periode voordat het college, behoudens de plandelen waar Kiela B.V. thans drie bedrijfshallen huurt, goedkeuring had verleend aan het plan "Hogebrug" (1980), geen planologisch regime van toepassing dat bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 4, thans: milieucategorie 3.2, mogelijk maakte. Gelet hierop en gelet op hetgeen is overwogen in 2.12.4 en 2.12.5 is de bedrijvigheid die plaatsvond op de plandelen waar bedrijfshallen 1 en 2 staan derhalve nooit als zodanig bestemd geweest.

Hoewel op het plandeel waar bedrijfshal 3 thans staat in het hiervoor geldende plan wel een planologisch regime van toepassing was, moet gelet op de samenhang met bedrijfshallen 1 en 2 worden geconcludeerd dat, anders dan het college en de raad betogen, sprake is van een planologisch nieuwe situatie in de zin van de VNG-brochure. De Afdeling overweegt dat weliswaar in het verleden een bouwvergunning is verleend voor de bouw van bedrijfshallen die Kiela B.V. sinds 1989 huurt, ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten van Kiela B.V. in 2005 een milieuvergunning is verleend en de raad ter zitting heeft bevestigd dat maatwerkvoorschriften aan Kiela B.V. zijn opgelegd die gelijkluidend zijn aan de voorschriften uit de milieuvergunning, maar uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt niet dat er ooit een ruimtelijke afweging heeft plaatsgevonden voor de vestiging van Kiela B.V. ter plaatse. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende duidelijk is of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor [appellant sub 2] en anderen is gewaarborgd.

2.13. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit ten aanzien van het plandeel gelegen aan de Hogebrug 14, met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en de subbestemming "Productie van meubels (zonder woning) (Bmb(zw))", waaraan een maximum bebouwingspercentage van 100 is toegekend en het plandeel, gelegen aan de Hogebrug 14, met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en de subbestemming "Productie van meubels (zonder woning) (Bmb(zw))", waaraan een maximum bebouwingspercentage van 100 is toegekend en waar met een nadere aanwijzing is voorzien dat ter plaatse een afwijkende hoogte geldt, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen van [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan die plandelen.

[belanghebbende B]

2.14. Voor zover [appellant sub 2] en anderen ter zitting hebben betoogd dat hun beroep tevens is gericht tegen plandelen waarop [belanghebbende B] is gevestigd, overweegt de Afdeling dat zij uit de stukken en uit hetgeen ter zitting is gesteld afleidt dat het beroep in zoverre kan worden aangemerkt als gericht tegen het plandeel waar hal 3 staat die Kiela B.V. thans huurt van [belanghebbende B]

Schapenstal

2.15. [appellant sub 1] betoogt dat aan een deel van haar gronden ten onrechte de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de subbestemming "grondgebonden veehouderij (Av)" en met de nadere aanwijzing "zonder gebouwen (z)" is toegekend, nu deze bestemmingsregeling het niet mogelijk maakt op de noordwesthoek van de gronden een schapenstal van ongeveer 50 m² op te richten. Zij stelt dat over deze, door haar tijdig aangedragen, locatie tijdens de commissievergaderingen van de Commissie Openbare Ruimte van 10 november 2008 en 1 december 2008 niet is gestemd. [appellant sub 1] wenst voor dat deel van haar gronden de bestemmingen die golden in het hiervoor geldend plan "Hogebrug" (1980), te weten de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de subbestemming "hulp- en nevenbedrijf (Ahn)" en de bestemming "Tuin (T)". Ter zitting heeft [appellant sub 1] aangegeven dat de gronden waar in het plan een schapenstal mogelijk wordt gemaakt niet geschikt zijn, omdat de gronden te laag liggen en te drassig zijn. De locatie in de noordwesthoek van de gronden is wel geschikt, omdat de grond gedeeltelijk verhard is, de hoogte en ligging van de grond goed is en omdat de locatie toegankelijk is door middel van een pad, aldus [appellant sub 1].

2.15.1. Het college stelt zich op het standpunt dat een schapenstal van ongeveer 50 m² in de noordwesthoek van de desbetreffende gronden van [appellant sub 1] niet wenselijk is, omdat de openheid van het landschap in stand moet worden gehouden. Bovendien is het niet in het belang van [appellant sub 1] om goedkeuring aan het desbetreffende plandeel te onthouden, omdat de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de subbestemming "hulp- en nevenbedrijf (Ahn)" en de bestemming "Tuin (T)" die dan op grond van het hiervoor geldend plan "Hogebrug" (1980) wederom zullen gelden, eveneens geen schapenstal toestaan. De eerstgenoemde bestemming is daarnaast volgens het college niet uitvoerbaar, omdat niet aannemelijk is dat binnen de planperiode een agrarisch hulp- of nevenbedrijf zich ter plaatse zal vestigen.

De raad heeft ter zitting aangegeven dat het alternatief zoals dat thans is opgenomen in het plan, nimmer is onderzocht op geschiktheid voor de bouw van een stal. Daarnaast heeft de raad zich ter zitting op het standpunt gesteld dat, anders dan het college betoogt, de vorige bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de subbestemming "hulp- en nevenbedrijf (Ahn)" wel degelijk een schapenstal toelaat.

2.15.2. In het plan is aan het noordwestelijk gelegen deel van de gronden van [appellant sub 1], waar [appellant sub 1] de schapenstal wenst, de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de subbestemming "grondgebonden veehouderij (Av)" toegekend, voorzien van de nadere aanwijzing "zonder gebouwen (z)".

Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op deze gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd in de vorm van afrasteringen met een maximale hoogte van 1 m.

In het hiervoor geldend plan "Hogebrug" (1980) was aan het noordwestelijk gelegen deel van de gronden van [appellant sub 1] de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de subbestemming "hulp- en nevenbedrijf (Ahn)" toegekend.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor terreinen en gebouwen voor de bedrijfsvoering van agrarische hulp- en nevenbedrijven als bedoeld in artikel 1, zevende lid, onder c.

2.15.3. De Afdeling overweegt dat de raad ter zitting heeft erkend dat de locatie waarop de stal thans is voorzien in het plan, niet geschikt is. Voorts overweegt de Afdeling dat het college en de raad niet hebben onderzocht of een schapenstal van ongeveer 50 m² op de noordwestelijk gelegen gronden van [appellant sub 1] de openheid van het landschap aantast, waarbij in aanmerking wordt genomen dat de bouw van een gebouw voor de bedrijfsvoering van agrarische hulp- en nevenbedrijven op grond van het hiervoor geldende plan wel was toegestaan.

2.16. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit ten aanzien van het plandeel gelegen aan de [locatie 3] met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de subbestemming "grondgebonden veehouderij (Av)", voorzien van de nadere aanwijzing "zonder gebouwen (z)", voor zover het betreft het gedeelte zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan dit plandeel.

Opdracht aan het bestuursorgaan

2.17. Voor zover zelfvoorziend goedkeuring aan plandelen is onthouden, zal de Afdeling in het belang van partijen een termijn stellen waarbinnen de raad een besluit tot vaststelling van een plan dient te nemen.

Proceskostenveroordeling

2.18. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 2] en [appellant sub 1 B] en voor zover gericht tegen het plandeel gelegen aan het [locatie 1], alsmede het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover gericht tegen voormeld plandeel, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen en het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 7 juli 2009, kenmerk PZH-2009-488201A, voor zover goedkeuring is verleend aan:

a. het plandeel, gelegen aan de Hogebrug 14, met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en de subbestemming "Productie van meubels (zonder woning) (Bmb(zw))", waaraan een maximum bebouwingspercentage van 100 is toegekend;

b. het plandeel, gelegen aan de Hogebrug 14, met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en de subbestemming "Productie van meubels (zonder woning) (Bmb(zw))", waaraan een maximum bebouwingspercentage van 100 is toegekend en waar met een nadere aanwijzing is voorzien dat ter plaatse een afwijkende hoogte geldt;

c. het plandeel gelegen aan de [locatie 3] met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de subbestemming "grondgebonden veehouderij (Av)", voorzien van de nadere aanwijzing "zonder gebouwen (z)", voor zover het betreft het gedeelte zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

IV. onthoudt goedkeuring aan de onder III.a., III.b. en III.c. genoemde plandelen;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover het de onder III.a., III.b. en III.c. genoemde plandelen betreft;

VI. draagt de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk op om binnen twaalf maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van het plan voor de onderdelen genoemd onder III.a., III.b. en III.c. te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

VII. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen en het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ontvankelijk, voor het overige ongegrond;

VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IX. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1];

- € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Zwemstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

91-668.

<HR>

Kaart 1