Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6359

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
201103127/1/T1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2010, no. 10.0045743, heeft de raad het bestemmingsplan "Kortenoord" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201103127/1/T1/R2.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

de stichting Stichting Wagenings Milieu Overleg, gevestigd te Wageningen,

appellante,

en

de raad van de gemeente Wageningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2010, no. 10.0045743, heeft de raad het bestemmingsplan "Kortenoord" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de Stichting WMO bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting WMO heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2011, waar de Stichting WMO, vertegenwoordigd door R. Busman, en de raad, vertegenwoordigd door H.G. van Olderen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Verder is als partij gehoord Bouwfonds Woningbouw B.V. - Regio Midden, vertegenwoordigd door mr. J.C. Ellerman, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. Het plan voorziet in woningbouw en uitbreiding van de bestaande bedrijvigheid aan de westzijde van de kern Wageningen.

2.3. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, in samenhang bezien met categorie 3, onder 3.1, van bijlage 1 van de Crisis en herstelwet (hierna: de Chw) is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden ten behoeve van de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden.

Ingevolge artikel 1.9 van de Chw, voor zover hier van belang, vernietigt de administratieve rechter een besluit niet op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

2.4. Het plan maakt de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied mogelijk zodat ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Chw afdeling 2 van hoofdstuk 1 op het bestreden besluit van toepassing is.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.5. Bouwfonds en de raad betogen dat het beroep van de Stichting WMO niet-ontvankelijk is omdat het beroepschrift geen gronden bevat.

2.5.1. Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is in afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat zoals bepaald in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: Besluit uitvoering Chw) wordt indien beroep openstaat tegen een besluit waarop afdeling 2, van hoofdstuk 1 van de wet van toepassing is, bij het besluit en bij de bekendmaking van het besluit vermeld dat:

a. de beroepsgronden in het beroepschrift worden opgenomen, en b. deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.

In de rechtsmiddelenverwijzing die in de kennisgeving van het besluit is opgenomen is geen toepassing gegeven aan artikel 11, tweede lid, van het Besluit uitvoering Chw.

2.5.1.1. Indien in de rechtsmiddelenverwijzing niet is vermeld dat de Chw van toepassing is en dat daarom de beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen, kan een belanghebbende, nu in de Chw wordt afgeweken van de Awb, in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. Die situatie doet zich hier niet voor. Het enkele feit dat in dit geval in de publicatie staat vermeld dat na afloop van de beroepstermijn geen gronden meer kunnen worden aangevoerd doet hieraan niet af nu de eis het beroepschrift van gronden te voorzien op zichzelf al voortvloeit uit het bepaalde in artikel 6:5 van de Awb. Belanghebbenden hoefden op grond van de publicatie niet te begrijpen dat met de Chw een uitzondering wordt gemaakt op het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb, uit welk artikel volgt dat het beroep alleen dan niet-ontvankelijk kan worden verklaard wegens het ontbreken van gronden in het beroepschrift indien de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen de hem daartoe gestelde termijn.

2.5.2. Stichting WMO is bij brief van de Afdeling van 18 maart 2011 eerst medegedeeld dat het beroep is gericht tegen een besluit dat onder de Chw valt. Stichting WMO is bij die brief in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 12 april 2011 alsnog de gronden van het beroep aan te voeren, van welke gelegenheid Stichting WMO gebruik heeft gemaakt.

Onder deze omstandigheden is het verzuim tijdig hersteld, zodat het beroep in de bodemprocedure ontvankelijk zal worden verklaard.

Goede procesorde

2.6. De Stichting WMO heeft ter zitting aangevoerd dat niet is toegelicht dat er behoefte aan de nieuw te bouwen woningen bestaat. Deze beroepsgrond heeft zij niet eerder naar voren gebracht.

Geen rechtsregel verbiedt dat na afloop van de voor het indienen van beroepsgronden gestelde termijn alsnog nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde in geding is, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer. De Afdeling is van oordeel dat het pas ter zitting naar voren brengen van de voornoemde beroepsgrond van de Stichting WMO in strijd is met de goede procesorde. Zij neemt daarbij in aanmerking dat het, gelet op de aard van het aangevoerde, voor de raad niet mogelijk was ter zitting op een passende wijze te reageren. Bovendien heeft de Stichting WMO geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het redelijkerwijs niet mogelijk was deze beroepsgronden eerder in beroep aan te voeren. Deze beroepsgrond kan derhalve niet bij de beoordeling van het bestreden besluit worden betrokken.

Ten aanzien van het beroep voor het overige

2.7. De Stichting WMO betoogt dat de in het plan voorziene bebouwing in strijd is met het provinciale beleid zoals dat is neergelegd in het Streekplan Gelderland 2005 (hierna: het streekplan) en de streekplanuitwerking Zoekzones stedelijke functies (hierna: de streekplanuitwerking). Met betrekking tot de streekplanuitwerking voert zij voorts aan dat de zoekzones recentelijk door de provincie Gelderland in de Ruimtelijke Provinciale Verordening zijn vastgelegd en dat de raad ook hiervan ongemotiveerd is geweken. Daarnaast voert de Stichting WMO aan dat het plan, en dan met name het gebied met de bestemming "Woongebied (WG)" met de aanduiding 'woondichtheid 3 (3)', in strijd is met het gemeentelijk beleid, zoals dat is neergelegd in het structuurplan Wageningen (hierna: het structuurplan).

2.8. De raad stelt zich op het standpunt dat uit de stukken voldoende duidelijk naar voren komt dat het provinciebestuur akkoord is met het plan. Ten aanzien van het structuurplan brengt de raad naar voren dat dit beleidsuitgangspunten bevat en dat hiervan gemotiveerd kan worden afgeweken.

2.9. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan het streekplan en de streekplanuitwerking is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In de plantoelichting en de reactie op de zienswijze is expliciet aandacht aan voornoemd provinciaal beleid besteed en is ingegaan op de verhouding van dit beleid tot het gemeentelijke beleid ter zake. Gelet hierop is aannemelijk dat de raad dit beleid in de belangenafweging heeft betrokken. Verder is van belang dat de provincie in het kader van het vooroverleg bij brief van 10 februari 2010 heeft aangegeven dat de verantwoordelijkheden die voortvloeien uit het Streekplan Gelderland een goede vertaling hebben gekregen in het bestemmingsplan. Wat betreft het betoog van Stichting WMO dat het plan in strijd is met de Ruimtelijke Provinciale Verordening, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat deze pas na het nemen van het bestreden besluit, op 2 maart 2011, in werking is getreden. Het betoog faalt. Gelet hierop behoeft de stelling van Bouwfonds en de raad dat de door Stichting WMO ingeroepen normen voor zover betrekking hebbend op het provinciaal beleid in verband met artikel 1.9 van de Chw niet strekken ter bescherming van haar belang en derhalve aan vernietiging op deze grond in de weg staan, geen bespreking.

2.10. Het structuurplan Wageningen is een door de gemeente Wageningen opgesteld integraal plan waarin de gewenste toekomstige ontwikkeling van de gemeente wordt aangegeven. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de raad dit beleid heeft toegepast bij de vaststelling van het plan.

Het grootste gedeelte van het plangebied is in het structuurplan aangewezen als gebied voor wonen en kennisintensieve bedrijvigheid. De Stichting WMO stelt terecht dat in afwijking van het structuurplan een strook grond in het noordwestelijke deel van het plangebied ten noorden van de Kortenoordsingel bij het woongebied is betrokken, terwijl deze op de kaart 'structuurplan 2015' de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding 'zoekgebied waterretentie' heeft. Hoewel dit plandeel een klein onderdeel van het plangebied betreft, heeft de Stichting WMO terecht aangevoerd dat door de afwijking een andere afgrenzing richting het open landschap ten noordoosten van het plangebied ontstaat omdat een extra strook woonbebouwing wordt toegevoegd hetgeen leidt tot een grotere inbreuk in het open landschap dan waarvan in het structuurplan is uitgegaan. Dit klemt temeer nu dit plandeel een gedeelte van de nieuwe woonwijk betreft dat in landschappelijk opzicht duidelijk is afgescheiden van het overige deel van de woonwijk aangezien de overige delen daarvan aan die zijde zijn omgeven door brede stroken met de bestemmingen "Groen" en "Water".

De Stichting WMO stelt terecht dat de afwijking door de raad ten onrechte niet is gemotiveerd. Nu in het structuurplan onder meer staat aangegeven dat de oprukkende verstedelijking een bedreiging vormt voor de nog goed herkenbare en waardevolle landschappen rond Wageningen, had de raad deze afwijking van het structuurplan dienen te motiveren en had moeten blijken om welke redenen voor dit plandeel afstand is genomen van voornoemd beleidsonderdeel.

2.11. In hetgeen Stichting WMO heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Woongebied (WG)" met de aanduiding 'woondichtheid 3 (3)' ten noorden van de Kortenoordsingel niet berust op een deugdelijke motivering.

2.12. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beƫindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen voor zover het besluit ziet op het plandeel met de bestemming "Woongebied (WG)" met de aanduiding 'woondichtheid 3 (3)' ten noorden van de Kortenoordsingel. De raad dient daartoe met inachtneming van overweging 2.10 te onderzoeken in hoeverre een woonbestemming in afwijking van het structuurplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het besluit op dit punt alsnog toereikend te motiveren, dan wel het besluit, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

2.13. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de gemeenteraad van de gemeente Wageningen op om binnen 18 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van hetgeen in 2.10 is overwogen te onderzoeken in hoeverre de bestemming "Woongebied (WG)" met de aanduiding 'woondichtheid 3' voor het plandeel ten noorden van de Kortenoordsingel in afwijking van het structuurplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het besluit op dit punt alsnog toereikend te motiveren, dan wel het besluit, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden;

2. de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

271-704.