Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6356

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
201011978/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bebouwde kom, aanvulling 1" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201011978/1/R3.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EXA Holding B.V., gevestigd te Veghel,

2. [appellant sub 2], wonend te Veghel,

3. [appellant sub 3], wonend te Ammerzoden, gemeente Maasdriel,

en

de raad van de gemeente Veghel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bebouwde kom, aanvulling 1" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben EXA bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 december 2010 en [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 3] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 28 januari 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Exa en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2011, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. J.H. Hartman, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A. Pogosian, A.H. Munster en G.J.M. Verhoeven, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan, dat een zogenoemd parapluplan betreft, beoogt de huisvesting van personen buiten het verband van een huishouding te reguleren. Het plan voorziet, naast de vestiging van een huishouden in een woning, in de huisvesting van maximaal twee personen en bij verlening van een ontheffing maximaal vier personen die niet tot een huishouden behoren en heeft betrekking op alle vigerende bestemmingsplannen in de kern Veghel.

Het beroep van [appellant sub 3]

2.2. [appellant sub 3], eigenaar van het pand aan [locatie 1], betoogt dat uit het plan niet expliciet blijkt welke voorschriften in de vigerende bestemmingsplannen door het voorliggende plan worden gewijzigd. Voorts betoogt hij dat onduidelijk is hoeveel personen in een woning mogen worden gehuisvest, nu het begrip "huishouden" niet is gedefinieerd. Hij betoogt voorts dat het plan in strijd met het bepaalde in artikel 2.11.1, eerste lid, onder a, van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (hierna: Gebruiksbesluit) is vastgesteld. Hiertoe voert hij aan dat het aantal personen dat zich ingevolge de planregels buiten het verband van een huishouding in een woning mag vestigen beperkt is tot maximaal vier, terwijl volgens het Gebruiksbesluit maximaal tien personen zonder gebruiksvergunning in een woning mogen verblijven.

2.2.1. Ingevolge artikel 1 van de planregels, is het bestemmingsplan "Bebouwde kom, aanvulling 1" van toepassing op de grondgebieden waarvoor de bestemmingsplannen gelegen in de kern Veghel en haar kernen, zoals deze zijn opgenomen in de bij deze voorschriften behorende bijlage 1 (lijst van vigerende bestemmingsplannen), gelden.

Ingevolge artikel 2, worden aan de begripsbepalingen van iedere planologische regeling, die in bijlage 1 behorende bij deze regels is opgenomen, de volgende begrippen toegevoegd.

Het begrip "woning" vervangt de in verschillende plannen gehanteerde begripsbepaling voor:

"woning"

"woning/wooneenheid"

"woonruimte"/"wooneenheid"

"(eensgezins)woning"

"bovenwoning"

"wonen"

of wordt toegevoegd als begripsbepaling.

Deze begripsbepaling werkt ook door in de begrippen "dienst- of bedrijfswoning" en is eveneens van toepassing voor de functie "wonen" in samengestelde bestemmingen zoals "Centrum", "Gemengd" enzovoort.

Ingevolge het in artikel 2 onder 1 gestelde, wordt onder een "woning" verstaan een complex van ruimten dat dient voor de huisvesting van:

- één afzonderlijk huishouden;

- een huishouden plus maximaal twee personen.

Ingevolge het in artikel 2 onder 3 gestelde, worden onder "plannen waarvoor de nieuwe regeling geldt" verstaan alle in bijlage 1 opgenomen plannen, inclusief de daar genoemde artikelen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt tot een gebruik strijdig met de bepalingen van dit bestemmingsplan in ieder geval gerekend het gebruik van een woning in strijd met het begrip "woning".

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder 1 en 2, kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 3, eerste lid ten behoeve van de huisvesting buiten het verband van een huishouding tot maximaal vier personen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

1. Ontheffing kan slechts verleend worden indien, binnen een straal van 75 m van de rand van het bouwperceel, niet eerder ontheffing voor soortgelijk gebruik is verleend, welke nog van kracht is. Indien percelen doorsneden worden dan worden deze geacht in het geheel binnen de afstand van 75 m te vallen.

2. Ten behoeve van het aantal personen dient op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden op grond van het momenteel geldend kader.

2.2.2. In de planregels is verwezen naar het toepassingsbereik van het plan ten aanzien van de vigerende bestemmingsplannen, opgenomen in bijlage 1 bij het plan. Uit artikel 2 van de planregels volgt dat het thans opgenomen begrip "woning" het begrip "woning" en de aan "woning" gerelateerde begrippen, die met verwijzing naar de daarop betrekking hebbende planvoorschriften zijn omschreven in de in bijlage 1 genoemde plannen, vervangt. Het gestelde door [appellant sub 3] dat uit het plan niet expliciet blijkt welke voorschriften in de vigerende bestemmingsplannen door het voorliggende plan worden gewijzigd, is gelet hierop onjuist.

De omstandigheid dat het begrip "huishouden" niet in de regels is gedefinieerd, brengt, anders dan [appellant sub 3] aanvoert, evenmin met zich dat het plan in zoverre in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 2 mei 2007, in zaak nr. 200603867/1), betreft de huisvesting van een huishouden in de gewone zin van dat woord onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Het begrip "woning" in artikel 3, eerste lid, is mede gerelateerd aan het begrip "huishouden", met dien verstande dat naast een huishouden maximaal twee personen en bij verlening van een ontheffing maximaal vier personen zich in een woning mogen vestigen. Nu het aantal personen dat zich buiten het verband van een huishouding mag vestigen in de planregels is gemaximeerd tot twee onderscheidenlijk vier personen, overweegt de Afdeling dat het voldoende duidelijk is hoeveel personen ingevolge het plan in een woning mogen worden gehuisvest. Het betoog faalt.

2.2.3. Wat betreft het betoog dat het plan in strijd met het Gebruiksbesluit is vastgesteld, stelt de Afdeling voorop dat, gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), aan de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het besluit omtrent het vaststellen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een bestemmingsplan kan vaststellen dat in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht.

De gebruiksvergunningplicht in artikel 2.11.1, eerste lid, onder a, van het Gebruiksbesluit ziet alleen op de brandveiligheid van het gebruik van het bouwwerk. Dit laat onverlet dat de raad uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening het aantal personen dat een woning mag huisvesten verder kan inperken. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het Gebruiksbesluit de beleidsvrijheid van de raad bij het vaststellen van een bestemmingsplan niet beperkt. Het betoog faalt.

2.3. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Het beroep van EXA

2.4. EXA betoogt dat het bestaande gebruik van het pand aan de Vondelstraat 30 voor de huisvesting van acht personen die geen huishouden vormen, ten onrechte niet in het voorliggende plan als zodanig is bestemd, terwijl de raad de bestaande situatie wel als zodanig heeft willen bestemmen. Zij verwijst in dit verband naar de door de raad op 14 december 2006 vastgestelde Beleidsnota huisvesting tijdelijke seizoensarbeiders (hierna: Beleidsnota). Het bestaande gebruik is ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht, nu de vigerende plannen, te weten het "Uitbreidingsplan in Onderdelen (kom Veghel 1950)" en het "Uitbreidingsplan in Onderdelen, partiële wijziging Hoogeind", geen gebruiksverbod kennen. Voorts betoogt zij dat de in het ontwerpplan opgenomen ontheffingsmogelijkheid om huisvesting voor maximaal tien personen toe te staan, ten onrechte in het vastgestelde plan is ingeperkt tot vier personen en de raad deze wijziging niet heeft gemotiveerd.

2.4.1. De raad heeft ter zitting gewezen op de partiële herziening van een aantal met name genoemde bestemmingsplannen, waaronder de door Exa aangehaalde plannen, van 26 augustus 1993, waarin een gebruiksverbod is opgenomen. Wat betreft het niet tot een huishouden behorende maximaal aantal toegestane personen van vier die zich in een woning mag vestigen heeft de raad toegelicht dat aansluiting is gezocht bij de handreiking "Ruimte voor arbeidsmigranten" van het voormalige ministerie van VROM. De raad heeft dit aantal tevens ontleend aan de omvang van een gemiddeld huishouden.

2.4.2. Het bestaande gebruik van het pand aan de Vondelstraat 30 is niet in het voorliggende plan bestemd. Het bestaande gebruik is evenmin onder het overgangsrecht gebracht, nu dit gebruik in de door de raad aangehaalde "Partiële herziening van de bestemmingsplannen" was verboden. Aan het bestaande illegale gebruik kunnen geen rechten worden ontleend. Het als zodanig bestemmen van het bestaande illegale gebruik is alleen aangewezen als de geldende planologische inzichten van de raad zich daartegen niet verzetten. Voorts dient het bestaande gebruik te worden afgewogen tegen de gevestigde rechten en belangen van derden.

Het gemeentelijk beleid met betrekking tot de huisvesting van tijdelijke werknemers is vastgelegd in de Beleidsnota. Deze Beleidsnota stelt dat het huisvesten van tijdelijke arbeidskrachten in beginsel mogelijk is in reguliere woningen, maar stelt voorop dat dit afhankelijk is van de definitie van de begripsbepalingen in het bestemmingsplan. De Beleidsnota noemt geen maximum, maar verwijst daarvoor naar het bestemmingsplan. Gelet hierop kan uit de Beleidsnota niet worden afgeleid dat het bestaande gebruik van de woning aan de Vondelstraat 30 voor de huisvesting van acht personen buiten het verband van een huishouden als zodanig zou worden bestemd.

De Afdeling stelt vast dat de raad naar aanleiding van een aangenomen amendement artikel 1 en artikel 4 van de planregels heeft gewijzigd ten opzichte van het ontwerp, waardoor het begrip "woning" is ingeperkt, nu er niet meer maximaal vier, maar maximaal twee personen zich naast een huishouden in een woning mogen vestigen en bij verlening van een ontheffing niet meer maximaal tien, maar maximaal vier personen die niet tot een huishouden behoren zich in een woning mogen vestigen. Deze wijziging is weliswaar niet in het door de raad aangenomen amendement, maar wel in de plantoelichting gemotiveerd. Zo heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het vanuit ruimtelijk en maatschappelijk oogpunt toelaatbaar wordt geacht dat zich in een woning of wooneenheid naast een traditioneel huishouden maximaal twee personen mogen vestigen, maar dat voorkomen moet worden dat een te groot aantal personen zich in een woning mag vestigen waar dat niet passend is uit het oogpunt van de ruimtelijke ordening en veiligheid. De raad heeft blijkens de plantoelichting, zoals nader toegelicht ter zitting, bij het aantal te vestigen personen rekening gehouden met een doorsnee huishouden bestaande uit vier personen en aansluiting gezocht bij de handreiking "Ruimte voor arbeidsmigranten" van het voormalige ministerie van VROM. Bij het verlenen van een ontheffing voor het vestigen van maximaal vier personen zal opnieuw een ruimtelijke afweging worden gemaakt, waarbij de gevolgen van het gebruik als zodanig voor het openbaar gebied en de woning in ogenschouw worden genomen. Bij het vestigen van meer dan vier individuele personen is sprake van een pension of hotel, aldus de plantoelichting.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan de inperking van de opgenomen ontheffingsbevoegdheid ten opzichte van het ontwerpplan, voor zover het betreft de huisvesting van vier personen in plaats van tien personen naast een huishouden in een woning, niet is gemotiveerd. De raad heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het niet wenselijk is om de bestaande situatie van bewoning van het pand aan de Vondelstraat 30 als zodanig te bestemmen. Het betoog faalt.

2.5. Wat betreft het betoog van EXA dat het Besluit omgevingsrecht ook los van het bestemmingsplan tot verlening van een omgevingsvergunning voor de huisvesting van acht personen in een woning zal leiden, is dit onjuist, nu tot het verlenen van een dergelijke vergunning slechts een bevoegdheid in voornoemd Besluit is opgenomen. Het betoog faalt.

2.6. EXA betoogt tot slot dat de in artikel 4, van de planregels genoemde voorwaarde dat de ontheffing slechts kan worden verleend indien binnen een straal van 75 m van de rand van het bouwperceel niet eerder een ontheffing voor soortgelijk gebruik is verleend, niet is gemotiveerd en dat de daarin genoemde voorwaarde dat ten behoeve van het aantal personen op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn dan wel gerealiseerd dient te worden op grond van het momenteel geldend kader, onvoldoende objectief is begrensd. Zij voert hiertoe aan dat het niet duidelijk is wat onder het 'momenteel geldend kader' moet worden verstaan.

2.6.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de afstand van 75 m is gekozen om een spreiding van de panden waar arbeidsmigranten gehuisvest mogen worden te waarborgen en om te voorkomen dat de leefbaarheid in de wijken in het geding komt. Een afstand van 75 m is gekozen na een evenwichtige afweging van de in het geding zijnde belangen, aldus de raad. De raad voert verder aan dat met het 'momenteel geldend kader' bedoeld wordt 'de parkeernorm uit de Nota Parkeernormen zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag tot ontheffing'.

2.6.2. Blijkens de plantoelichting zijn uit het oogpunt van passend gebruik en belasting van het openbaar gebied beperkingen gesteld aan de ontheffingsmogelijkheid, waaronder de afstandseis van 75 m. De Afdeling acht dit standpunt, zoals toegelicht ter zitting, niet onredelijk en ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de afstandseis van 75 m niet voldoende heeft gemotiveerd.

2.6.3. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro, zoals deze luidde ten tijde van het bestreden besluit, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels ontheffing kunnen verlenen. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een ontheffingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro berustende ontheffingsbevoegdheid dient door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

Hoewel uit de plantoelichting blijkt dat met de eis van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein bedoeld wordt de Nota Parkeernormen zoals die geldt ten tijde van het moment van de aanvraag tot ontheffing, is deze eis niet vastgelegd in artikel 4, onder 2, van de planregels. De ontheffingsbevoegdheid is aldus onvoldoende begrensd door objectieve normen en daarmee rechtsonzeker. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met de rechtszekerheid.

De Afdeling ziet in dit geval aanleiding, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), te bepalen dat de zinsnede 'het momenteel geldend kader' in artikel 4, aanhef en onder 2, van de planregels, wordt vervangen door de zinsnede 'de parkeernorm uit de Nota Parkeernormen zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag' en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover dat is vernietigd. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat derde belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad, omdat het slechts gaat om een verduidelijking van de betreffende planregel die ook al in de plantoelichting was opgenomen.

2.7. In hetgeen EXA voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.8. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat aan de gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp geen ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt en in dit verband wijst op de inperking van het aantal personen dat zich naast een huishouden mag vestigen in een woning en dat de afstandseis van 75 m in artikel 4, aanhef en onder 1, van de planregels, willekeurig is, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij in 2.4.2. en 2.6.2. heeft overwogen. Het betoog faalt.

 

2.9. [appellant sub 2] betoogt voorts dat de raad geen rekening heeft gehouden met zijn belangen door het bestaande gebruik van de panden aan de [locatie 2 en 3] niet als zodanig in het voorliggende plan te bestemmen. Hiertoe voert hij aan dat de raad aan [appellant sub 2] op het moment van aankoop van de panden heeft toegezegd dat bewoning door elf arbeidsmigranten was toegestaan. Dit blijkt tevens uit de verkregen bouw- en gebruiksvergunning voor huisvesting van elf arbeidsmigranten in de panden aan de [locatie 2 en 3] en uit het gemeentelijk controlerapport, waarin is bevestigd dat het beoogde gebruik in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De door de raad gehanteerde uitleg aan het begrip "huishouden" op het tijdstip van aankoop van de genoemde panden stond evenmin hieraan in de weg.

2.9.1. Voor zover [appellant sub 2] ter onderbouwing van zijn standpunt dat het bestaande gebruik ten onrechte niet als zodanig is bestemd verwijst naar de verkregen bouw- en gebruiksvergunning en het controlerapport, overweegt de Afdeling als volgt.

Op 10 mei 2007 en 25 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders een lichte bouwvergunning verleend voor het veranderen van de voorgevels van de panden aan de [locatie 2] onderscheidenlijk [locatie 3]. Op 18 maart 2008 en 3 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders een gebruiksvergunning verleend voor kamerverhuur van maximaal elf personen van de genoemde panden. Naar aanleiding van deze vergunde situatie is een controlerapport opgesteld.

Noch uit de verleende bouwvergunning, noch uit de verleende gebruiksvergunning, noch uit het controlerapport blijkt dat er door de raad planologische toestemming is verleend voor het huisvesten van elf arbeidsmigranten in de panden aan de [locatie 2 en 3]. De lichte bouwvergunning had alleen betrekking op een gevelwijziging. Voorts kunnen burgemeester en wethouders aan een gebruiksvergunning slechts voorwaarden verbinden in het kader van de brandveiligheid, hetgeen ook blijkt uit het controlerapport. Toetsing aan het bestemmingsplan maakt hier geen onderdeel van uit.

2.9.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat in maart 2007 aan [appellant sub 2] is medegedeeld dat het gebruik van het pand aan de [locatie 2], door [appellant sub 2] aangekocht in juni 2006, voor het huisvesten van elf arbeidsmigranten niet in strijd was met het bestemmingsplan. Deze mededeling is gedaan in de veronderstelling dat ook een groep arbeidsmigranten die gezamenlijk in een woning zijn gehuisvest als een huishouden kon worden aangemerkt. De raad stelt ter zitting de bestaande situatie ter plaatse niet te zullen handhaven en zodoende voldoende rekening te hebben gehouden met de belangen van [appellant sub 2] ten aanzien van het pand aan de [locatie 2]. Een dergelijke mededeling is niet ten aanzien van het pand aan de [locatie 3], door [appellant sub 2] aangekocht in januari 2008, gedaan, aldus de raad. Naar aanleiding van de in overweging 2.2.2. genoemde uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2007 is de raad medio 2008 tot het inzicht gekomen dat een groep arbeidsmigranten die gezamenlijk in een woning zijn gehuisvest, niet als een huishouden wordt aangemerkt, waardoor op grond van de vigerende bestemmingsplannen het gebruik als zodanig niet is toegestaan. Op grond van het voorliggende plan is een ontheffing tot maximaal vier personen buiten het huishouden die zich in een woning mogen vestigen mogelijk. Op die manier is, nu er geen sprake is van inperking, maar juist een verruiming van bestaande rechten, voldoende rekenschap gegeven aan de belangen van [appellant sub 2] ten aanzien van het pand aan de [locatie 3], aldus de raad.

2.9.3. Voor zover [appellant sub 2] ter onderbouwing van zijn standpunt dat het bestaande gebruik ten onrechte niet als zodanig is bestemd verwijst naar mededelingen van gemeentewege, overweegt de Afdeling als volgt.

Vast staat, zoals ook ter zitting door raad is erkend, dat de raad tot medio 2008 in de veronderstelling was dat een groep arbeidsmigranten die gezamenlijk in een woning zijn gehuisvest als een huishouden kon worden aangemerkt. Vast staat ook, zoals ook ter zitting door de raad is erkend, dat van gemeentewege ten aanzien van het pand aan de [locatie 2] blijkens een controlerapport mededelingen overeenkomstig die veronderstelling zijn gedaan aan [appellant sub 2].

Ter zitting is namens de raad verklaard dat hij zich bij de besluitvorming over het plan rekenschap heeft gegeven van deze concrete mededelingen over het gebruik van het pand aan de [locatie 2]. Aan de belangen van [appellant sub 2] kan volgens de raad tegemoet worden gekomen door bij de handhaving van het gebruiksverbod een overgangstermijn in acht te nemen. De Afdeling is van oordeel dat het op de weg van de raad had gelegen het resultaat van deze belangenafweging, gelet op de rechtszekerheid ten aanzien van [appellant sub 2] en derden, ook in het plan op te nemen door middel van een specifieke regeling voor het pand aan de [locatie 2]. Door dit na te laten zijn de belangen van [appellant sub 2] in zoverre onvoldoende in acht genomen en is het plan wat betreft het perceel [locatie 2] vastgesteld in strijd met de zorgvuldigheid. Het betoog slaagt in zoverre.

2.9.4. Ten aanzien van het pand aan de [locatie 3] is niet aannemelijk gemaakt dat van gemeentewege concrete mededelingen over het gebruik zijn gedaan. Bovendien was ten tijde van de aankoop van dit pand door [appellant sub 2] de jurisprudentie over het begrip huishouden reeds gewijzigd. De raad heeft gelet hierop in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien voor het perceel [locatie 3] een uitzondering op het gebruiksverbod op te nemen. Het betoog faalt voor het overige.

2.10. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op het perceel [locatie 2], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van het besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant sub 2] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.11. De raad dient ten aanzien van EXA en [appellant sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EXA Holding B.V. en [appellant sub 2] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Veghel van 30 september 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bebouwde kom, aanvulling 1", voor zover:

- het betreft de in artikel 4, aanhef en onder 2, van de planregels opgenomen zinsnede 'het momenteel geldend kader';

- het plan betrekking heeft op het perceel [locatie 2];

III. bepaalt dat 'het momenteel geldend kader' in artikel 4, aanhef en onder 2, van de planregels, wordt vervangen door 'de parkeernorm uit de Nota Parkeernormen zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag';

IV. bepaalt dat onderdeel III van deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dat is vernietigd;

V. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EXA Holding B.V. en [appellant sub 2] voor het overige en het beroep van [appellant sub 3] geheel ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Veghel tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EXA Holding B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Veghel tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 910,11 (zegge: negenhonderdtien euro en elf cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Veghel aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EXA Holding B.V. en [appellant sub 2] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

- aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EXA Holding B.V. € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro);

- aan [appellant sub 2] € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro).

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

429-709.