Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6354

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
201011713/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 oktober 2010, nr. 0100085, heeft de raad het bestemmingsplan "Vrachelsedijk (locatie Bayens)" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Wetsverwijzingen
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 3.1.6
Crisis- en herstelwet
Crisis- en herstelwet 1.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/570
OGR-Updates.nl 2012-0212

Uitspraak

201011713/1/R3.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Oosterhout,

en

de raad van de gemeente Oosterhout,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2010, nr. 0100085, heeft de raad het bestemmingsplan "Vrachelsedijk (locatie Bayens)" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2011, waar [appellant] en anderen, bij monde van [appellant A] en mr. M.P. Wolf, advocaat te Breda, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.R. van Zeggeren, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), voor zover hier van belang, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

In categorie 3, onder 3.1, van bijlage I van de Chw, voor zover hier van belang, wordt als categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aangemerkt de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening ten behoeve van de bouw van meer dan 20 woningen in een aaneengesloten gebied.

Nu het bestreden besluit is vereist voor de ontwikkeling dan wel verwezenlijking van een gebied ten behoeve van de bouw van maximaal 84 woningen, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op dit besluit.

2.2. Als formeel bezwaar voeren [appellant] en anderen onder meer aan dat het plan in strijd is met het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), omdat geen vooroverleg heeft plaatsgevonden en een beschrijving van de bestemmingen ontbreekt.

2.2.1. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat het college van burgemeester en wethouders in het kader van de voorbereiding van het plan het voorontwerp van het plan heeft toegezonden aan de provincie Noord-Brabant, het waterschap Brabantse Delta en de VROM-Inspectie en deze instanties daarbij in de gelegenheid heeft gesteld om hierop te reageren. Het waterschap heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Gelet hierop is voldaan aan de verplichting die is neergelegd in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro.

2.2.2. Ingevolge artikel 3.1.3 van het Bro, voor zover hier van belang, bevat een bestemmingsplan in elk geval een beschrijving van de bestemmingen, waarbij het doel of de doeleinden worden aangegeven. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit het plan en de toelichting in voldoende mate welk gebruik binnen de respectieve bestemmingen is toegelaten. Het plan voldoet dan ook aan de gestelde vereisten.

2.2.3. Wat betreft de stelling van [appellant] en anderen dat enkele op het ontwerp van het bestemmingsplan betrekking hebbende stukken in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet ter inzage hebben gelegen, merkt de Afdeling het volgende op.

Naar op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting moet worden aangenomen, heeft het "Rapport verkennend/aanvullend bodemonderzoek aan de Vrachelsedijk 17-21 te Oosterhout" van 17 augustus 2006 van Ingenieursbureau Lankelma met het ontwerpplan ter inzage gelegen. Wat betreft het advies van het waterschap Brabantse Delta van juli 2010 is de Afdeling gebleken dat dit advies eerst nadat het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd, is uitgebracht, zodat het geen stuk betreft als bedoeld in artikel 3:11 van de Awb.

2.3. Het plan voorziet in de herontwikkeling van een voormalige bedrijfslocatie (locatie Bayens) op het oostelijke gedeelte van het zogenoemde Middeneiland in het gebied Vrachelen ten behoeve van woningbouw. In totaal worden op de locatie drie appartementengebouwen, met maximaal 74 appartementen, en tien vrijstaande woningen mogelijk gemaakt.

2.4. [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd is met de uitgangspunten in de Structuurvisie Vrachelen van augustus 1994, het Beeldkwaliteitsplan Vrachelsedijk van mei 1998 en het vorige bestemmingsplan "Centrumgebied Vrachelen" van 1999. In dit verband voeren zij aan dat in de structuurvisie het plangebied is aangeduid als extensief woongebied, terwijl het voorliggende plan een hoge woningdichtheid en een grote bouwmassa mogelijk maakt, waardoor afbreuk wordt gedaan aan het groene, landelijke karakter van het gebied. Het rapport "Bayens Oosterhout ruimtelijke kaders stedenbouwkundig plan" van mei 2008, dat aan het voorliggende plan ten grondslag ligt, is niet door de raad vastgesteld en bevat een afwijking van het gemeentelijke beleid die niet is gerechtvaardigd. Voorts past het plan volgens hen niet binnen de ruimtelijke kaders van dit rapport, omdat het aantal in het bestemmingsplan voorziene woningen niet is afgestemd op de schaal van het gebied en het bestemmingsplan woonbebouwing toelaat die hoger is dan de bestaande bebouwing.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij de ruimtelijke kaders voor de locatie Bayens die zijn neergelegd in bedoeld rapport, heeft vastgesteld op 2 juli 2008. In verband hiermee is het gemeentelijke beleid zoals dit is neergelegd in de structuurvisie wat betreft de locatie Bayens niet meer van toepassing. Het genoemde beeldkwaliteitsplan heeft geen betrekking op de locatie Bayens, maar op het gebied direct grenzend aan de oostelijke zijde hiervan. Indien toch zou moeten worden aangenomen dat dit beeldkwaliteitsplan tevens ziet op de locatie Bayens, is het hierin verwoorde beleid niet op deze locatie van toepassing, omdat dit in zoverre is achterhaald door het raadsbesluit. Volgens de raad past het plan binnen de daarvoor opgestelde kaders.

2.4.2. Ten behoeve van de herontwikkeling van de locatie Bayens heeft de raad een stedenbouwkundig plan, genaamd "Bayens Oosterhout ruimtelijke kaders stedenbouwkundig plan" van mei 2008, laten opstellen, waarin de ruimtelijke kaders dan wel beleidsuitgangspunten voor de herontwikkeling zijn opgenomen. Dit stedenbouwkundig plan is op 2 juli 2008 door de raad vastgesteld. Het standpunt van de raad dat met de vaststelling van dit stedenbouwkundige plan de eerdere beleidskaders, voor zover van belang, voor deze locatie niet meer van toepassing zijn, acht de Afdeling niet onjuist.

In het stedenbouwkundig plan is beschreven op welke wijze het plan is afgestemd op de omgeving (ligging aan de centrale as in de wijk Vrachelen, reactie op het gebied aan de overzijde van de Burgemeester Huijbregts-Schiedonlaan en de aansluiting op het achterliggende gebied aan de Vrachelsedijk). In dat plan zijn de kaders bepaald wat betreft de maximale bebouwingsgrenzen, de korrelgrootte, de parkeermogelijkheden en de ontsluiting van het plangebied. Naar het oordeel van de Afdeling is het standpunt van de raad dat het bestemmingsplan past binnen het stedenbouwkundig plan, niet onredelijk. [appellant] en anderen hebben naar het oordeel van de Afdeling in de stukken, noch ter zitting aannemelijk gemaakt dat de woningbouw die met het plan mogelijk wordt gemaakt, in een zodanige mate afbreuk doet aan het groene en landelijke karakter van het oostelijke deel van het Middeneiland dat de raad bij afweging van de betrokken belangen hieraan in redelijkheid doorslaggevende betekenis had moeten toekennen.

2.5. [appellant] en anderen stellen dat over de financiële uitvoerbaarheid ten onrechte niets in de plantoelichting is opgenomen. Voorts stellen zij dat ten onrechte geen actueel bodemonderzoek is ingesteld, waardoor de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is verzekerd.

2.5.1. De Afdeling stelt vast dat in de toelichting op het plan geen inzicht is geboden in de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Dit is in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Bro. De Afdeling ziet hierin evenwel geen aanleiding om het besluit waarbij het plan is vastgesteld te vernietigen, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden door schending van deze wettelijke bepaling niet zijn benadeeld. Het college van burgemeester en wethouders is in zijn Reactienota zienswijzen immers alsnog inhoudelijk op de financiële uitvoerbaarheid van het plan en de hierop betrekking hebbende zienswijze ingegaan. Daarbij betrekt de Afdeling voorts dat het voor een ieder, gelijk aan [appellant] en anderen, mogelijk was dit gebrek in een zienswijze tegen het ontwerp van het plan aan de orde te stellen. Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling aanleiding de schending van artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Bro met toepassing van artikel 1.5, eerste lid, van de Chw te passeren.

2.5.2. Uit de toelichting op het plan blijkt dat in 2006 een verkennend bodemonderzoek is ingesteld. Uit de resultaten van het hiervan opgemaakte "Rapport verkennend/aanvullend bodemonderzoek aan de Vrachelsedijk 17-21 te Oosterhout" van 17 augustus 2006 van Ingenieursbureau Lankelma kan worden afgeleid dat er, behalve op een enkele, te saneren plek, geen sprake is van een bodemkwaliteit die woningbouw in de weg zal staan. Volgens de toelichting bestaat er geen gerichte aanleiding om te veronderstellen dat de bodemkwaliteit sedert de uitvoering van het onderzoek in 2006 zodanig is verslechterd dat woningbouw ter plaatse niet is toegestaan. Met de kosten van sanering van de verontreinigde plek is in de opzet van de herontwikkeling rekening gehouden, aldus de plantoelichting. Gelet op het voorgaande is het standpunt van de raad dat de kosten van sanering van de bodem niet aan woningbouw in de weg staan niet onjuist. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat tussen de eigenaar van de gronden en de projectontwikkelaar, alsmede tussen de gemeente en de projectontwikkelaar een overeenkomst is gesloten, waarin onder meer afspraken zijn gemaakt over de kosten van bodemsanering.

2.6. Voor zover [appellant] en anderen stellen dat er geen watertoets heeft plaatsgevonden, merkt de Afdeling op dat in de toelichting op het plan is aangegeven dat het plangebied in een grondwaterbeschermingsgebied ligt en dat hierin is uiteengezet welk watersysteem wordt toegepast. Voorts heeft het waterschap in het kader van de watertoets schriftelijk een positief advies uitgebracht.

2.7. [appellant] en anderen hebben bezwaren tegen het plan, omdat de hoeveelheid verkeer die door de voorziene woningbouw wordt gegenereerd, zodanig zal toenemen dat de doorstroming van het verkeer op het traject Lagemolenpolderweg - Burgemeester Huijbregts-Schiedonlaan zal worden belemmerd en de veiligheid van het verkeer op de kruising met de Vrachelsedijk nog meer in gevaar zal komen. Volgens [appellant] en anderen wordt ook niet aan de parkeernormen voldaan.

2.7.1. De raad heeft uiteengezet dat het gemeentelijke beleid erop is gericht de Burgemeester Huijbregts-Schiedonlaan als onderdeel van de hoofdverkeersstructuur aan de westelijke zijde van de stad zo veel mogelijk te ontlasten van wijkvreemd verkeer. In dit verband zal onder meer een vloeiende, doorgaande aansluiting van de Weststadweg op de Bovensteweg worden gerealiseerd. De raad verwacht in 2020 geen te hoge verkeersintensiteit op bedoeld traject. Hierbij is rekening gehouden met een nog uit te voeren beperkte reconstructie van de kruising van de Burgemeester Huijbregts-Schiedonlaan met de Vrachelsedijk en met de effecten van andere beleidsmaatregelen die inmiddels zijn vastgesteld. Verder is voorzien in een aantal parkeerplaatsen dat voldoet aan de gemeentelijke parkeernota "Stilstaan in de toekomst, Parkeerbeleid op de middellange termijn (2020)", die de raad bij besluit van 15 december 2009 heeft vastgesteld.

2.7.2. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat [appellant] en anderen in de stukken, noch ter zitting aannemelijk hebben gemaakt dat de intensiteit van het verkeer als gevolg van het plan zodanig zal toenemen dat een goede en veilige afwikkeling van het verkeer op het traject Lagemolenpolderweg - Burgemeester Huijbregts-Schiedonlaan en in het bijzonder bij de kruising met de Vrachelsedijk in gevaar wordt gebracht.

Verder maakt het plan de aanleg van een aantal parkeerplaatsen mogelijk dat voldoet aan de gemeentelijke parkeernota. Hiertoe voorziet het plan onder meer in de aanleg van een parkeergarage in het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" bij de appartementengebouwen en maakt het plan in artikel 6.1, aanhef en onder f, van de planregels de aanleg van parkeervoorzieningen binnen deze bestemming ten behoeve van de vrijstaande woningen mogelijk.

2.8. [appellant] en anderen stellen dat niet aan de door het college van burgemeester en wethouders bij zijn besluit van 11 oktober 2010 vastgestelde hogere waarde van 58 dB voor de te bouwen appartementen en andere woningen kan worden voldaan. In dit verband voeren zij aan dat de Vrachelsedijk ten onrechte niet in het akoestisch onderzoek is betrokken, omdat op deze weg thans nog een snelheid van maximaal 50 km per uur is toegestaan in plaats van 30 km. Verder zijn de verkeersintensiteiten die aan de geluidberekeningen in het onderzoek ten grondslag liggen, volgens hen veel te laag. Ook is ten onrechte een correctiefactor van 5 dB toegepast. Volgens hen is ook artikel 3.3.1 van het Bro niet in acht genomen.

2.8.1. Ingevolge artikel 1.9 van de Chw mag de administratieve rechter een besluit niet vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

2.8.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 19 januari 2011 in zaak nr. 201006426/1/R2, en 13 juli 2011 in zaak nr. 201008514/1) kan een belanghebbende die een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan aanvecht dat de oprichting van woningen mogelijk maakt, zich ten einde vernietiging van dat besluit te bewerkstelligen in beginsel niet succesvol beroepen op het niet in acht nemen van de normen van de Wet geluidhinder voor zover het betreft de geluidbelasting ter hoogte van de op te richten woningen.

2.8.3. De door [appellant] en anderen genoemde hogere geluidgrenswaarde als bedoeld in artikel 83, tweede lid, van de Wet geluidhinder is vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op de op te richten woningen vanwege de Burgemeester Huijbregts-Schiedonlaan en de Wilhelminalaan. Ter zitting is komen vast te staan dat het bestemmingsplan niet de aanleg of verbreding van deze wegen dan wel de aanleg van een of meer nieuwe wegen mogelijk waarvan [appellant] en anderen nadelige geluidseffecten voor hun woonsituatie kunnen ondervinden. [appellant] en anderen kunnen zich op grond van het bepaalde in artikel 1.9 van de Chw dan ook niet succesvol beroepen op het niet in acht nemen van de normen van de Wet geluidhinder voor zover het betreft de geluidbelasting vanwege de Burgemeester Huijbregts-Schiedonlaan en de Wilhelminalaan ter hoogte van de op te richten woningen. Gelet op het vorenstaande kan hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren over de naleefbaarheid van de vastgestelde hogere waarde van 58 dB voor de te bouwen woningen niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zodat de Afdeling afziet van een verdere bespreking hiervan.

2.9. Voor zover [appellant] en anderen er bezwaar tegen maken dat geen onderzoek is ingesteld naar de luchtkwaliteit, overweegt de Afdeling als volgt.

Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Hierbij zijn tevens op 15 november 2007 het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: het Besluit) en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: de Regeling) in werking getreden. Bij invoering van titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn krachtens artikel 5.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer in bijlage 3B bij de Regeling als categorie van gevallen, waarin het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wm, woningbouwlocaties aangewezen die - in geval van één ontsluitingsweg - netto niet meer dan 500 nieuwe woningen omvatten, dan wel - in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling - netto niet meer dan 1000 woningen omvatten. Indien de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt, vindt ingevolge artikel 5.16, derde lid, van de Wet milieubeheer met betrekking tot de effecten van de desbetreffende ontwikkeling geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats.

Gezien het vorenstaande behoort de bouw van maximaal 84 woningen in het plangebied tot een categorie van gevallen die niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van stoffen waarvoor in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer grenswaarden zijn opgenomen. Gelet hierop staat de wettelijke regeling inzake luchtkwaliteitseisen niet aan de vaststelling van het plan in de weg en kan het betoog dat ten onrechte geen onderzoek naar de luchtkwaliteit is ingesteld geen doel treffen.

2.10. [appellant] en anderen stellen dat uit het onderzoek dat is verricht met betrekking tot de flora en fauna volgt dat vervolgonderzoek nodig is en dat afhankelijk daarvan mogelijk een ontheffing is vereist. Voorts is volgens hen bij dit onderzoek de ecologische hoofdstructuur langs de randen van het eiland ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

2.10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit het onderzoek blijkt dat verwacht mag worden dat geen strijdigheid met de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) zal ontstaan. Voorts ligt de voorziene woonbebouwing op 9 meter van de ten zuiden van het plangebied aanwezige sloot, die buiten de ecologische hoofdstructuur ligt.

2.10.2. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

De resultaten van het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor flora en fauna zijn neergelegd in het rapport "Ecologische quickscan Vrachelsedijk 17, 19 en 21 te Oosterhout" van 20 april 2010 van GMG Groenmanagement Adviesbureau. Volgens de conclusie van dit rapport kan redelijkerwijs worden gesteld dat op basis van de mogelijke effecten, de uitvoering van de ingreep niet door de Ffw zal worden verhinderd.

De Afdeling is van oordeel dat [appellant] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat dit onderzoeksrapport zodanige gebreken of onjuistheden vertoont dat de raad zich niet in redelijkheid op basis van dit rapport op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan.

2.11. [appellant] en anderen stellen dat de raad onvoldoende aandacht heeft besteed aan het aspect externe veiligheid en heeft in dit verband gewezen op een ligplaats voor kegelschepen en een hogedrukgasleiding in de nabijheid van het plangebied en het transport van gevaarlijke stoffen op de nabijgelegen Lagemolenpolderweg - Burgemeester Huijbregts-Schiedonlaan.

2.11.1. [appellant] en anderen beroepen zich op de normen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de met deze normen verbonden bezwaren geen betrekking hebben op de percelen van [appellant] en anderen en dat [appellant] en anderen wat betreft externe veiligheidsrisico's geen gevolgen ondervinden van de door het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen. De door [appellant] en anderen ingeroepen normen betreffen normen voor de bepaling van hetgeen een goede ruimtelijke ordening vereist uit een oogpunt van een goed woon- en leefklimaat in de nieuw op te richten woningen.

Mede gelet op hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 31 augustus 2011 in zaak nr. 201010852/1/R1, komt de Afdeling tot het oordeel dat [appellant] en anderen zich niet op de in geding zijnde normen kunnen beroepen. Voor [appellant] en anderen gaat het immers om het belang dat de aan het plangebied grenzende gronden gevrijwaard blijven van de invloed van woningbouw. De Afdeling laat deze beroepsgrond, daargelaten of deze zou slagen, dan ook buiten beschouwing, nu artikel 1.9 van de Chw er niet toe kan leiden dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

2.12. Voor zover [appellant] en anderen er bezwaar tegen maken dat de raad geen exploitatieplan heeft vastgesteld, overweegt de Afdeling het volgende.

2.12.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 augustus 2010, in zaak nr. 200900844/1), overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond is gericht tegen het niet vaststellen van financiële delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zouden [appellant] en anderen niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de desbetreffende onderdelen van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat [appellant] en anderen geen eigenaar zijn van gronden in het exploitatiegebied en evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [appellant] en anderen die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de genoemde onderdelen van een exploitatieplan, kunnen zij evenmin worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Het beroep van [appellant] en anderen is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.13. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover dat is gericht tegen het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wet ruimtelijke ordening;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

177-682.