Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6350

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
201105138/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2010 heeft het college aan Sep ontheffing en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen van een schuur op het perceel Aalsmeerderdijk 600 te Rijsenhout.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/5

Uitspraak

201105138/1/H1.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

P.C.J.M. Sep, wonend te Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 maart 2011 in

zaak nr. 10/4157 in het geding tussen:

W. Femer en C. Beets

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2010 heeft het college aan Sep ontheffing en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen van een schuur op het perceel Aalsmeerderdijk 600 te Rijsenhout.

Bij uitspraak van 24 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Femer en Beets daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 19 juli 2010 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Sep bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 mei 2011.

Bij besluit van 15 april 2011 heeft het college opnieuw op de bouwaanvraag beslist en de gevraagde bouwvergunning geweigerd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben Femer en Beets een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2011, waar Sep, bijgestaan door mr. M.J. Smaling, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Dijk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord Femer en Beets, bijgestaan door mr. C. Lubben.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel bevindt zich reeds een schuur die bedrijfsmatig wordt gebruikt met een oppervlakte van 150 m², een bouwhoogte van 5,55 meter en een goothoogte van 3,50 meter. Het bouwplan voorziet in een schuur op dezelfde locatie ten behoeve van de woning op het perceel met een oppervlakte van 129 m², een bouwhoogte van 5,20 meter en een goothoogte van 3,20 meter.

2.2. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Rijsenhout Catharine Segrina" de bestemming "Tuinen en erven". Het bouwplan is in strijd met de voor deze bestemming geldende maximale oppervlakte aan bebouwing en maximale goothoogte. Teneinde bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college ontheffing verleend krachtens artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in samenhang gelezen met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro).

2.3. Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, zoals dat luidde ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 4.1.1., eerste lid, aanhef en onder a, van het Bro, zoals dat luidde ten tijde van belang, komt voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de wet in aanmerking:

een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning, mits het aantal woningen gelijk blijft en voor zover buiten de bebouwde kom:

1e. het bouwwerk een bruto oppervlak heeft van ten hoogste 150 m²,

2e. het bouwwerk, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet hoger is dan 5 meter, en

3e. het bouwen niet tot gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd dan wel dat de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt voor meer dan 50% wordt overschreden.

2.4. Het college heeft ter uitoefening van onder meer zijn bevoegdheid ontheffing te verlenen krachtens artikel 3.23 van de Wro bij besluit van

3 november 2009 de nota "Ontheffingsbeleid ex artikel 3.23 Wro (2009)" (hierna: het Ontheffingsbeleid) vastgesteld.

In het Ontheffingsbeleid is, voor zover hier van belang, bepaald dat ontheffing wordt verleend voor het bouwen van bijgebouwen achter de voorgevel als wordt voldaan aan de daar genoemde voorwaarden. Deze voorwaarden houden onder meer de volgende in:

"de gronden buiten het bouwvlak, voor zover ten minste 1 meter achter de oorspronkelijke voorgevel gelegen, mogen per bouwperceel naast de maximaal toegestane bebouwing voor bouwwerken geen gebouwen zijnde tot 50% worden bebouwd met een maximum bruto oppervlak van:

- 60 m² voor het totaal aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen;

- 150 m² voor het totaal aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde; (..)

de goothoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 meter;

de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 4 meter, tenzij het hoofdgebouw lager is; in het geval het hoofdgebouw lager is, bedraagt de bouwhoogte van bijgebouwen maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw (..)".

Vast staat dat het bouwplan niet voldoet aan voornoemde voorwaarden ten aanzien van maximale oppervlak, de maximale goothoogte en maximale bouwhoogte, nu het voorziet in een oppervlakte van 129 m², een goothoogte van 3,20 meter en een bouwhoogte van 5,20 meter.

2.5. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Een beleidsregel wordt geacht in algemene zin het resultaat te zijn van een belangenafweging, als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb. De afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb ziet op bijzondere gevallen die niet in de beleidsregel zijn verdisconteerd.

2.6. Het college heeft zich in het besluit van 19 juli 2010 op het standpunt gesteld dat zich bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb voordoen die rechtvaardigen dat het in afwijking van het Ontheffingsbeleid ontheffing heeft verleend voor het bouwplan. Daartoe heeft het overwogen dat de voorziene schuur, gelet op de maatvoering en het beoogde gebruik, minder bezwarend voor de omgeving is dan de bestaande situatie, het bouwplan voorts voorziet in een situatie die meer in overeenstemming is met het bestemmingsplan dan de bestaande situatie en niet valt in te zien welke precedentwerking van het verlenen van ontheffing zal uitgaan.

2.7. Sep betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat zich bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb die rechtvaardigen dat het in afwijking van het Ontheffingsbeleid toch ontheffing heeft verleend. Sep wijst in dit kader op de omstandigheid dat het bouwplan volgens hem qua uiterlijk een verbetering is ten opzichte van de bestaande situatie, het overleg over het bouwplan dat tussen hem en het college heeft plaatsgevonden, alsmede de omstandigheid dat ook elders aan de Aalsmeerderdijk grote schuren als zijn schuur staan.

2.7.1. Dat het bouwplan qua omvang en gebruik minder bezwarend is voor de omgeving en meer in overeenstemming is met het bestemmingsplan dan de bestaande schuur, zoals het college bij het besluit van 19 juli 2010 heeft overwogen, is geen bijzonder geval dat niet in de beleidsregel is verdisconteerd, nu het er voor gehouden dient te worden dat het college bij de vaststelling van de maximale oppervlakte aan bijgebouwen en de maximale bouw- en goothoogte van bijgebouwen de ruimtelijke gevolgen daarvan heeft betrokken. Gelet op deze onjuiste veronderstelling van het college, bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat Sep uit het overleg dat heeft plaatsgevonden tussen hem en het college, gerechtvaardigde verwachtingen kon ontlenen dat aan hem in afwijking van het Ontheffingsbeleid ontheffing en bouwvergunning zou worden verleend. Dat ook elders aan de Aalsmeerderdijk grote schuren, vergelijkbaar met de voorziene schuur voorkomen, is, anders dan Sep betoogt, evenmin een bijzondere omstandigheid. Gelet op de uitdrukkelijk vastgelegde maximale oppervlakte aan bijgebouwen en de maximale goothoogte, is met het Ontheffingsbeleid beoogd dat dergelijke grote schuren niet meer worden gebouwd.

Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigden dat het college van het Ontheffingsbeleid zou afwijken. Het college heeft met het verlenen van de ontheffing gehandeld in strijd met artikel 4:84 van de Awb. De rechtbank heeft het besluit van

19 juli 2010 derhalve terecht vernietigd.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Bij besluit van 15 april 2011 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank opnieuw besloten op de bouwaanvraag van Sep en geweigerd ontheffing en bouwvergunning voor het bouwplan te verlenen. Daartoe heeft het overwogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, dat het verlenen van ontheffing in strijd is met het Ontheffingsbeleid en dat er geen reden is om van dit beleid af te wijken. Het hoger beroep wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen het besluit van 15 april 2011 in te houden.

2.10. Zoals hiervoor onder 2.7.1. is overwogen, is, anders dan Sep betoogt, niet gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat het college van het Ontheffingsbeleid afwijkt. Het beroep van Sep tegen het besluit van 15 april 2011 is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van P.C. Sep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 15 april 2011 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Kos

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

580.