Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6340

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
201101722/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2010:BO8804, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, geweigerd [appellant] een ontheffing te verlenen voor het afmeren van een paviljoentjalk bij het woonschip van [appellant] voor tien jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201101722/1/H3.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2], beiden wonend te Vreeland, gemeente Stichtse Vecht, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 december 2010 in zaak nr. 09/3673 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, geweigerd [appellant] een ontheffing te verlenen voor het afmeren van een paviljoentjalk bij het woonschip van [appellant] voor tien jaar.

Bij besluit van 10 november 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 december 2010, verzonden op 23 december 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 3 maart 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. A.D.L. Knook, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.E.M. Bergers en mr. H.S. Heite, beiden werkzaam bij de provincie Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996 (hierna: Vnl), worden ontheffingen krachtens deze verordening verleend indien als gevolg van hetgeen daarbij wordt toegestaan natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische, archeologische of landschappelijke waarden niet onaanvaardbaar worden geschaad.

Ingevolge artikel 7h, eerste lid, is het de zakelijk gerechtigde tot en de bezitter, houder of gebruiker van een vaartuig of ander voorwerp, niet zijnde een woonschip, verboden dat vaartuig of voorwerp ligplaats te laten nemen, te ankeren of te meren, of anderszins in een water te plaatsen op andere plaatsen dan aangegeven met een van de verkeerstekens E.5 tot en met E.7.1 van bijlage 7 bij het Binnenvaartpolitiereglement.

Ingevolge het vierde lid is het verbod niet van toepassing met betrekking tot één open vaartuig van ten hoogste zeven meter lengte bij een erf.

Ingevolge het vijfde lid kunnen gedeputeerde staten vrijstelling van het verbod verlenen voor bepaalde plaatsen en voor bepaalde vaartuigen of categorieën van vaartuigen. Een vrijstelling kan voor een bepaalde periode verleend worden.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de in deze verordening gestelde verboden.

Ingevolge het derde lid gelden ontheffingen voor ten hoogste tien jaar.

In het Vrijstellingenbesluit wateren provincie Utrecht 2006 (hierna: het vrijstellingenbesluit) heeft het college invulling gegeven aan de vrijstellingsmogelijkheid van onder meer artikel 7h, vijfde lid, van de Vnl.

Volgens artikel 5, derde lid, geldt het verbod niet voor historische schepen die als varend monument zijn ingeschreven in het Nationaal Register Varende Monumenten (hierna: NRVM) bij aanlegplaatsen die als zodanig in een bestemmingsplan zijn aangewezen.

2.2. Aan het in beroep bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het afmeren van de tjalk bij het woonschip de cultuurhistorische en landschappelijke waarden onaanvaardbaar aantast. Het heeft daarbij in aanmerking genomen dat de tjalk niet kan worden gerelateerd aan een herkenbaar cultuurhistorisch element in de omgeving, nu de relatie met cultuurhistorische bebouwing ontbreekt. Ook heeft het van belang geacht dat de tjalk en het woonschip in stijl verschillen en tezamen een grote occupatie van het open water tot gevolg hebben, hetgeen tot verrommeling van het landschap leidt en aldus een inbreuk vormt op de landschappelijke belevingswaarden van de omgeving.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het afmeren van de tjalk bij het woonschip de waarden genoemd in artikel 1a, eerste lid, van de Vnl aantast. Hiertoe voert hij aan dat het college ten onrechte cultuurhistorische bebouwing op zijn perceel vereist, nu dit criterium niet in de Vnl is opgenomen. Uit de Vnl volgt dat die waarden worden aangetast indien zwaarwegende landschappelijke bezwaren bestaan tegen het afmeren van een vaartuig. Het afmeren van de tjalk leidt niet tot zodanige bezwaren, aldus [appellant]. In dit verband stelt hij voorts dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het verbod bedoeld in artikel 7h, eerste lid, van de Vnl niet geldt indien de tjalk als varend monument in het NRVM zou zijn ingeschreven, terwijl deze in dat geval evenmin een relatie heeft met cultuurhistorische bebouwing.

Daarnaast voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat ontheffingverlening zou leiden tot verrommeling van het gebied en een te grote occupatie van het open water. De Vnl biedt volgens [appellant] de mogelijkheid meer dan één pleziervaartuig bij een erf af te meren. Gelet hierop kan in de omstandigheid dat zowel de tjalk als een sloep bij het woonschip zijn afgemeerd, geen grond zijn gelegen voor het oordeel dat ontheffingverlening zou leiden tot verrommeling van het gebied. Niet valt in te zien dat het woonschip en de tjalk, waarvan het college heeft gesteld dat beide historische waarde hebben, als rommelig kunnen worden aangemerkt, aldus [appellant].

2.4. Voorop wordt gesteld dat het college ten aanzien van de vraag of de waarden genoemd in artikel 1a, eerste lid, van de Vnl onaanvaardbaar worden geschaad, een zekere beoordelingsvrijheid toekomt.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als gevolg van het afmeren van de tjalk bij het woonschip cultuurhistorische en landschappelijke waarden op onaanvaardbare wijze worden geschaad. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de waarden als bedoeld in dat artikel slechts worden aangetast indien zwaarwegende landschappelijke bezwaren bestaan tegen het verlenen van een ontheffing. Blijkens de tekst ervan beschermt dat artikel immers niet alleen de landschappelijke waarde, maar ook de cultuurhistorische, archeologische en natuurwetenschappelijke waarden. Bovendien is in die bepaling niet het criterium "zwaarwegende bezwaren" opgenomen.

Ter zitting van de Afdeling heeft het college benadrukt dat volgens hem ontheffingverlening leidt tot een visuele aantasting van landschappelijke waarden, die bijdraagt aan verrommeling van het landschap. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich in dit geval op dit standpunt heeft mogen stellen. Het college heeft hierbij van belang mogen achten dat het woonschip en de tjalk van stijl verschillen. De rechtbank heeft terecht in de omstandigheid dat op grond van de Vnl meer dan één vaartuig bij één erf kan worden afgemeerd, geen grond gezien voor een ander oordeel. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich hierbij, gelet op het omringende landschap en de relatief ruime afstand tussen de verschillende woonschepen in het water waar het woonschip en de tjalk ligplaats hebben ingenomen, op het standpunt heeft mogen stellen dat het afmeren van de tjalk bij het woonschip een te grote bezetting van het open water tot gevolg heeft. De omstandigheid dat, zoals [appellant] stelt, nabij zijn woonschip meer vaartuigen op één ligplaats zijn afgemeerd hetgeen ook rommelig oogt, maakt niet dat het college in dit geval tot verdergaande ontheffingverlening had dienen over te gaan, nu [appellant] niet heeft gesteld dat het college voor het afmeren van vaartuigen op die ligplaatsen, in weerwil van het terzake bepaalde in de Vnl, ontheffing heeft verleend. Voorts heeft het college ter zitting onweersproken gesteld dat het handhavend zal optreden tegen het in strijd met de Vnl innemen van een ligplaats.

De rechtbank heeft daarnaast terecht geoordeeld dat het college afdoende heeft gemotiveerd waarom ontheffingverlening cultuurhistorische waarden onaanvaardbaar schaadt. Hierbij heeft het college alle facetten van het landschap in ogenschouw mogen nemen en zich, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, op het standpunt mogen stellen dat de tjalk een relatief vreemd element in het landschap is, omdat deze niet aan een herkenbaar cultuurhistorisch element, bijvoorbeeld cultuurhistorische bebouwing, in dat landschap is gerelateerd. De omstandigheid dat ingevolge het vrijstellingenbesluit het verbod als bedoeld in artikel 7h, eerste lid, van de Vnl niet geldt voor historische schepen die als varend monument zijn ingeschreven in het NRVM, leidt niet tot een ander oordeel. Deze vrijstelling geldt immers slechts voor historische schepen die zijn afgemeerd bij een aanlegplaats die als zodanig in een bestemmingsplan is aangewezen, hetgeen in dit geval niet aan de orde is. Het college heeft gesteld dat de te beschermen waarden bij de beoordeling van de aanwijzing van een dergelijke aanlegplaats worden meegenomen.

2.5. Gelet op het feit dat artikel 1a, eerste lid, van de Vnl geen ruimte laat voor een belangenafweging, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college terecht geen ontheffing heeft verleend voor het afmeren van de tjalk bij het woonschip voor de duur van tien jaar.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

176-591.