Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6338

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
201102545/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2010 heeft het college het adres van [appellant] met ingang van 24 maart 2010 ambtshalve gewijzigd wegens vertrek naar onbekende bestemming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201102545/1/H3.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 januari 2011 in zaak nr. 10/1034 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2010 heeft het college het adres van [appellant] met ingang van 24 maart 2010 ambtshalve gewijzigd wegens vertrek naar onbekende bestemming.

Bij besluit van 3 augustus 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 augustus 2010 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Centrale Raad van Beroep ingekomen op 23 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De Centrale Raad van Beroep heeft het hogerberoepschrift ter behandeling doorgezonden aan de Afdeling. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 28 maart 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G.J. de Kaste, advocaat te Soest, en het college, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet GBA), voor zover thans van belang, wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder:

[…]

- woonadres:

a. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten;

- briefadres: het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen en waar, indien daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichtingen daarover, betrokkene bereiken;

- adres: het woonadres, dan wel bij het ontbreken hiervan of bij toepassing van artikel 67, het briefadres;

[…].

Ingevolge artikel 47, tweede lid, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd in gebreke is met het doen van aangifte, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres. Het college is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

Ingevolge artikel 66, eerste lid, is de ingezetene die zijn adres wijzigt, verplicht binnen vijf dagen na de wijziging van het adres bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft, schriftelijk aangifte van adreswijziging te doen. Indien een ingezetene geen woonadres heeft, dient hij een briefadres te kiezen en is hij verplicht overeenkomstig het bepaalde in de vorige volzin aangifte van adreswijziging te doen.

2.1.1. Procedure 6.3 van de Handleiding Uitvoeringsprocedures "Wijziging in de verblijfplaats bij adres onbekend" luidt, voor zover thans van belang:

1. Een persoon is in de GBA ingeschreven met een bepaald adres en vertrekt daarna zonder een nieuw adres op te geven.

Alvorens een actualisering uit te voeren, dient eerst een gedegen onderzoek te zijn ingesteld naar het feitelijke adres van de betrokkene.

De uitkomst van dit onderzoek kan zijn:

[…];

B. persoon heeft een nieuw adres in een andere gemeente (zie procedure 4.4 Vervolginschrijving intergemeentelijke adreswijziging);

[…];

E. persoon is vertrokken met onbekende bestemming (VOW).

[…]

Ad E.

Adres en gemeente van inschrijving kunnen niet worden bepaald.

Er wordt vastgesteld dat de verblijfplaats van de burger onbekend is. In een aantal gevallen bestaat de verwachting dat de burger geen ingezetene meer is van een Nederlandse gemeente. De burger is volkomen onbereikbaar.

2.2. Naar aanleiding van verkregen informatie van een deurwaarder heeft het college een onderzoek ingesteld naar de actualiteit van de adresgegevens van [appellant]. In het kader van dat onderzoek is in opdracht van het college op 25 februari 2010 een huisbezoek afgelegd op het in de GBA vermelde adres [woonadres] te Venlo. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat [appellant] niet meer op dit adres woonde. Het college heeft [appellant] verzocht informatie te verstrekken omtrent zijn toenmalige adres, maar heeft daarop geen reactie ontvangen.

Nu [appellant] ten tijde van het besluit van 8 april 2010 al geruime tijd niet meer op bovengenoemd adres woonde, heeft het college zich, bij ontstentenis van een door [appellant] gedane aangifte van adreswijziging en bij gebrek aan gegevens over zijn feitelijke woonadres, op het standpunt gesteld dat het in de GBA geregistreerde woonadres, op grond van artikel 47, tweede lid, van de Wet GBA, door hem diende te worden gewijzigd in 'onbekend vertrek'. Het in bezwaar vermelde tijdelijke adres [woonadres 2] te Tegelen heeft het college niet opgenomen in de GBA, omdat [appellant] dit adres niet als woonadres wenste te laten registreren. Evenmin is gebleken dat dit adres door [appellant] als briefadres is gekozen en als zodanig kan worden geregistreerd, aldus het college.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de conclusie "vertrokken naar onbekend" volgens procedure 6.3 van de Handleiding alleen op haar plaats is als de burger volkomen onbereikbaar is. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zorgvuldig onderzoek verricht naar het feitelijke woonadres van [appellant] om dit te kunnen wijzigen in "onbekend vertrek".

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het college op te dragen om aan de hand van het e-mailadres en/of telefoonnummer van [appellant] te verifiëren op welk adres hij verbleef, nu de kans van slagen daartoe nihil was. Daartoe heeft zij overwogen dat de gemachtigde van [appellant] ter zitting niet duidelijk heeft kunnen maken op welk adres [appellant] ten tijde van de besluitvorming dan wel ten tijde van de zitting van de rechtbank verbleef. Op grond hiervan heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] inmiddels volkomen onbereikbaar was en dat de conclusie "onbekend vertrek" thans kon worden getrokken. Op die grond heeft zij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten.

2.4. Het hoger beroep van [appellant] is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

[appellant] betoogt dat hij steeds bereikbaar is geweest voor de gemeente en daarom ten onrechte is uitgeschreven uit de GBA. Het college beschikte over meer dan voldoende middelen om met hem in contact te treden, hetgeen ook is gebeurd tijdens de periode dat hij 'vermist' zou zijn. Hij stelt dat hem niet is verzocht om meer duidelijkheid omtrent zijn woon- of verblijfplaats. Dat hij niet meer woonachtig zou zijn op het adres [woonadres] was volgens hem onvoldoende voor de uitschrijving uit de GBA, nu daarmee niet vaststond dat hij ook niet meer binnen de gemeentegrenzen verblijf had. Daarnaast heeft hij het college op de hoogte gesteld van het gebruik van een postbus. Met de onnodige uitschrijving heeft het college hem in een moeilijke positie gebracht, nu het centrum van zijn sociale leven zich in Venlo afspeelt en hij afhankelijk was van een uitkering, aldus [appellant].

2.4.1. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat [appellant] volkomen onbereikbaar was. Zowel via zijn bij het college bekende e-mailadres als via zijn eveneens bekende mobiele nummer was hij immers bereikbaar. Bij de toepassing van de Wet GBA gaat het, voor zover hier van belang, evenwel om de registratie van een adres. Indien een ingezetene, mogelijk een voormalig ingezetene, weliswaar telefonisch of via e-mail bereikbaar is, doch weigert een adres te doen registreren of zelfs weigert enige verblijfplaats kenbaar te maken, is hij in zoverre onbereikbaar. Vaststaat dat [appellant] niet meer verbleef op het adres [woonadres]. Voorts heeft [appellant] geweigerd gegevens betreffende zijn verblijfplaats bekend te maken, hoewel het college hem daarom wel heeft verzocht, naar het ter zitting van de Afdeling heeft bevestigd. Hoewel [appellant] mogelijk tijdelijk heeft verbleven op het adres [woonadres 3], heeft hij geweigerd dat adres als woonadres of briefadres te laten registreren en verbleef hij daar ten tijde van het besluit op bezwaar niet meer. Nu bovendien de gemachtigde van [appellant] tijdens de zitting bij de rechtbank desgevraagd niet duidelijk heeft kunnen maken op welk adres hij op dat moment verbleef, heeft de rechtbank de conclusie mogen trekken dat [appellant] was vertrokken met onbekende bestemming en heeft zij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit terecht geheel in stand gelaten.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

176-721.