Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6337

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
201103394/1/H4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het oprichten van een woning op een perceel aan de [locatie] te Amstelveen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201103394/1/H4.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2011 in zaak nr. 09/5064 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] vrijstelling van het bestemmingsplan verleend voor het oprichten van een woning op een perceel aan de [locatie] te Amstelveen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 januari 2009 heeft het daarvoor bouwvergunning verleend.

Bij besluit van 21 september 2009 heeft het de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

[vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Tielbeke, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], bijgestaan door mr. D.J.R.M. Braakenburg, advocaat te Rotterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Wester Amstel", omdat op het perceel geen bouwvlak is opgenomen. Om realisering ervan toch mogelijk te kunnen maken, heeft het college daarvan krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend. Het heeft daarbij gebruik gemaakt van de bij besluit van 25 november 2008 door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) ten behoeve van het bouwplan afgegeven verklaring van geen bezwaar.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de afgegeven verklaring van geen bezwaar in strijd is met het "Toetsingskader vrijkomende agrarische bebouwing" (hierna: het toetsingskader) van de provincie Noord-Holland, omdat niet wordt voldaan aan het daarin onder artikel 6, tweede lid, onder b gestelde vereiste dat maximaal één vrijstaande woning van 650 m³ wordt gebouwd, indien minimaal 1.000 m² van de agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Voorts is het bouwplan in strijd met het toetsingskader, omdat niet binnen het voormalig agrarische bouwperceel wordt gebouwd, zoals artikel 4 eist.

2.2.1. Ten tijde van het besluit van 21 september 2009 rustte ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan op het perceel de bestemming "Wonen (W)". Dat is geen agrarische bestemming en derhalve komt aan het toetsingskader, dat betrekking heeft op vrijkomende agrarische bouwpercelen, in dit verband niet de betekenis toe die [appellante] daar in dit verband aan gehecht wil zien. Het college heeft aan het besluit voorts een onjuiste motivering ten grondslag gelegd.

2.3. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank, door te overwegen dat haar verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2009 in zaak nr. 200708338/1 inzake het bestemmingsplan "Wester Amstel" haar niet baat, heeft miskend dat uit die uitspraak volgt dat op het perceel geen nieuwe woning gerealiseerd mag worden.

2.3.1. Dat betoog faalt. Reeds omdat de Afdeling in die uitspraak heeft beoordeeld, of de in het bestemmingsplan opgenomen mogelijkheid om zeventien woningen nabij het perceel op te richten overeenstemt met het toetsingskader dat verband houdt met agrarische bouwpercelen en het hier daarom niet gaat, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de verwijzing van [appellante] naar die uitspraak haar niet kan baten.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat een privaatrechtelijke belemmering aan het verlenen van de vrijstelling in de weg stond. Hiertoe voert zij aan dat door de op te richten bebouwing, ook al wordt niet binnen twee meter van de erfgrens gebouwd, onrechtmatige hinder wordt veroorzaakt, omdat de situering en toegestane bouwhoogte van 10.80 meter van het te realiseren bouwwerk voor vermindering van de toetreding van daglicht en ontneming van uitzicht zorgen. Dit is in strijd met artikel 37 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, aldus [appellante].

2.4.1. Voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat, is slechts aanleiding indien deze belemmering evident is. Zodanige belemmering levert het gestelde niet op.

Het betoog faalt.

2.5. Tenslotte betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid geen vrijstelling heeft kunnen verlenen.

2.5.1. Ook dat betoog faalt. In hetgeen [appellante] in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor dat oordeel. Dat realisering van het bouwplan mogelijk vermindering van zonlichttoetreding op het perceel van [appellante] tot gevolg zal hebben, is daarvoor niet voldoende. Daarbij is mede van belang dat het niet om een woning gaat, maar om een bedrijfspand.

2.6. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2.1 is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het tegen het besluit van 21 september 2009 ingestelde beroep gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

Nu het college de verleende bouwvergunning bij dat besluit niet ten onrechte in stand heeft gelaten, ziet de Afdeling echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand te laten.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2011 in zaak nr. 09/5064;

III. verklaart het in die zaak tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen van 21 september 2009, kenmerk Z-2009/003704, ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt dat besluit;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen ervan geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 751,00 (zegge: zevenhonderdeenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Heijninck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

552.