Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6334

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
201104466/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 september 2009 heeft de burgemeester een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201104466/1/H2.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Hellendoorn,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 6 april 2011 in zaak nr. 10/506 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Rijssen-Holten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2009 heeft de burgemeester een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 14 april 2010 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herzien en het verzoek om vergoeding van schade opnieuw afgewezen.

Bij uitspraak van 6 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 mei 2011.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2011, waar [appellant], in persoon, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. C. van Bart, werkzaam bij de gemeente Rijssen-Holten, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] was exploitant van de modezaak in het pand aan de [locatie 1] te Rijssen. Bij besluit van 9 november 2006 heeft de burgemeester de exploitant van horecabedrijf 't Pleintje vergunning verleend voor het uitbreiden van het terras aan de voorzijde van het pand aan de [locatie 2] te Rijssen. [appellant] heeft gesteld dat het uitbreiden van het terras de looplijn van passanten langs het pand heeft verstoord en dat dit tot omzetdaling heeft geleid. Voorts heeft hij gesteld dat hij de modezaak vervolgens in het pand aan de [locatie 3] te Rijssen heeft voortgezet ten einde een faillissement te voorkomen en dat hij daardoor verhuis- en verbouwingskosten heeft gemaakt. Bij brief van 6 juli 2009 heeft hij de burgemeester verzocht om de schade te vergoeden.

2.2. Aan het besluit van 14 april 2010 heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat, voor zover thans van belang, [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde omzetdaling een gevolg van het besluit van 9 november 2006 is.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester het verzoek om nadeelcompensatie terecht heeft afgewezen. Daartoe voert hij aan dat, voor zover thans van belang, zij heeft miskend dat een oorzakelijk verband bestaat tussen het uitbreiden van het terras en de omzetdaling en verhuizing.

2.3.1. Aan de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat andere omstandigheden dan de verlening van de terrasvergunning de omzetdaling in de winkel in het pand aan de [locatie 1] kunnen verklaren en dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat en voor welk deel de gestelde schade door de verlening van de terrasvergunning is veroorzaakt, nu hij op 1 april 2006 een tweede winkel in het pand aan de [locatie 3] heeft geopend, de omzet van de tweede winkel vanaf het jaar 2006 hoger was dan de omzet van de eerste winkel in het jaar 2005 en de omzet van de eerste winkel vanaf de opening van de tweede winkel drastisch is gedaald. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het, gezien de feitelijke uitbreiding van het terras, weliswaar begrijpelijk is dat [appellant] de tweede winkel heeft geopend, maar dat geen rechtstreeks verband bestaat tussen de verhuis- en verbouwingskosten en het handelen van de burgemeester.

De Afdeling onderschrijft dit oordeel. Niet aannemelijk is geworden dat de gestelde schade in de vorm van omzetderving het gevolg is van het besluit van 9 november 2006. Veeleer is aannemelijk dat zij het gevolg is van de opening van de tweede winkel. Derhalve heeft de burgemeester het verzoek om nadeelcompensatie reeds vanwege het ontbreken van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen dat besluit en de gestelde schade terecht afgewezen.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

452.