Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6333

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
201105379/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2010 heeft de Belastingdienst de huurtoeslag van [wederpartij]) over 2008 op nihil gesteld en € 287,00 aan uitbetaalde voorschotten teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201105379/1/H2.

Datum uitspraak: 30 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2011 in zaak nr. 10/2926 in het geding tussen:

de erven van [wederpartij], wonend te Rotterdam en Almere, (hierna: de erven),

en

de Belastingdienst.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2010 heeft de Belastingdienst de huurtoeslag van [wederpartij]) over 2008 op nihil gesteld en € 287,00 aan uitbetaalde voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 30 juni 2010 heeft de Belastingdienst het door de erven daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 maart 2011, verzonden op 1 april 2011, heeft de rechtbank het door de erven daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de Belastingdienst opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 juni 2011.

De erven hebben een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van die uitspraak heeft de Belastingdienst bij besluit van 23 september 2011 het door de erven tegen het besluit van 12 maart 2010 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de huurtoeslag over 2008 vastgesteld op € 254,00 en € 15,00 aan rente vergoed.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2011, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Kluytmans en mr. drs. J.H.E. van der Meer, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) is toetsingsinkomen, indien over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld, het verzamelinkomen, zoals dat in die aanslag is of wordt opgenomen of zoals dat bij beschikking is of wordt vastgesteld.

Ingevolge het zesde lid wordt bij overlijden van de belanghebbende, zijn partner, of een medebewoner, in afwijking in zoverre van het eerste tot en met het derde lid, het toetsingsinkomen van de overledene berekend door het op grond van die leden bepaalde toetsingsinkomen tijdsevenredig naar een jaarinkomen te herleiden.

2.2. Bij besluit van 20 december 2007 heeft de Belastingdienst aan [wederpartij] een voorschot huurtoeslag voor 2008 ten bedrage van € 1.722,00 toegekend. Op 29 februari 2008 is zij overleden. Daarna is de toeslag beëindigd. Zij heeft in januari en februari 2008 pensioen ontvangen en in maart 2008 is de door haar over de periode juni 2007 tot en met februari 2008 opgebouwde vakantie-uitkering uitbetaald. De Inspecteur heeft bij de aanslag inkomstenbelasting 2008 het verzamelinkomen op € 3.692,00 vastgesteld.

Om het toetsingsinkomen van [wederpartij] voor de huurtoeslag te bepalen heeft de Belastingdienst het door de Inspecteur vastgestelde verzamelinkomen vermenigvuldigd met 12/2. Omdat het op die wijze berekende toetsingsinkomen van € 22.152,00 geen aanspraak op huurtoeslag geeft, heeft de Belastingdienst het besluit van 12 maart 2010 genomen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst de opgebouwde vakantie-uitkering niet tijdsevenredig heeft herleid, omdat alleen de vakantie-uitkering, voor zover die geacht moet worden bestemd te zijn voor 2008, mocht worden meegerekend.

2.3. De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat moest worden uitgegaan van het verzamelinkomen, zoals dat door de Inspecteur in de aanslag inkomstenbelasting was vastgesteld. Nu dit ziet op twee maanden, is het jaarinkomen op juiste wijze tijdsevenredig herleid door het verzamelinkomen met 12/2 te vermenigvuldigen, aldus de Belastingdienst.

2.3.1. Het verzamelinkomen, zoals dat in de aanslag inkomstenbelasting is opgenomen, in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir geldt als uitgangspunt voor de bepaling van het toetsingsinkomen. In het geval de belanghebbende komt te overlijden moet, ingevolge het zesde lid, het toetsingsinkomen tijdsevenredig tot een jaarinkomen worden herleid. De Belastingdienst heeft het toetsingsinkomen van [wederpartij] daarom terecht tot een maandinkomen en vervolgens tot een jaarbedrag herleid door het met 12/2 te vermenigvuldigen. De Belastingdienst mocht niet elk inkomensbestanddeel van het toetsingsinkomen, zoals de vakantie-uitkering van [wederpartij], afzonderlijk naar een deel-jaarinkomen herleiden.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door de erven tegen het besluit van de Belastingdienst van 30 juni 2010 ingestelde beroep ongegrond verklaren, nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgrond faalt.

2.5. Het besluit van 23 september 2011 wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.1. is overwogen, is aan dat besluit de grondslag komen te ontvallen. Om die reden zal de Afdeling het beroep daartegen gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2011 in zaak nr. 10/2926;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 23 september 2011, kenmerk 1336.27.627.T.08.6.4012.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Roelfsema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011

47-705.