Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BU6329

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
201109577/1/R1 en 201109577/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Dedemsvaart, Bransveen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201109577/1/R1 en 201109577/2/R1.

Datum uitspraak: 24 november 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante] en anderen, wonend te Lutten, gemeente Hardenberg,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Hardenberg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Dedemsvaart, Bransveen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2011, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hebben [appellante] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [appellante] en anderen hebben hun verzoek bij brief van 10 september 2011 aangevuld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 oktober 2011, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door [persoon A] en bijgestaan door mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen, en de raad van de gemeente Hardenberg, vertegenwoordigd door mr. M. Bekooy, advocaat te Zwolle, en R. Schlepers, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ter zitting hebben [appellante] en anderen hun beroep en verzoek voor zover dat betrekking heeft op de plandelen met de bestemming "Woongebied", met uitzondering van het meest zuidelijk gelegen plandeel met de bestemming "Woongebied", ingetrokken.

2.3. De raad betoogt dat het beroep van [appellante] en anderen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. In dit verband wijst de raad er primair op dat de zienswijze van [appellante] en anderen is ingediend door [persoon A] en tevens "namens drie kleinkinderen (eigenaren van de bewuste percelen) van de [familie]". De identiteit van deze personen is echter niet bekend gemaakt, zodat de zienswijze werd aangemerkt alsof deze alleen door [persoon A] was ingediend. Nu [persoon A] echter niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in deze zaak, staat artikel 6:13 van de Awb volgens de raad in de weg aan de inhoudelijke behandeling van het beroep. Subsidiair wijst de raad erop dat het procesbelang van [appellante] en anderen is vervallen nu de raad op 29 juni 2010 een motie heeft aangenomen waarin hij het college van burgemeester en wethouders de opdracht heeft gegeven onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de door [appellante] en anderen gewenste ontwikkeling door middel van een bestemmingsplanherziening.

2.3.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Aan deze voorwaarde is naar het oordeel van de voorzitter in dit geval voldaan nu aannemelijk is dat de identiteit van degenen namens wie [persoon A] een zienswijze heeft ingediend bij de raad kenbaar was. Hiertoe overweegt de voorzitter dat uit de inspraakreactie die bij de zienswijze is gevoegd, volgt dat [appellante], [persoon B] en [persoon C] de eigenaren van de bewuste percelen zijn. Voorts volgt dit uit ter zitting getoonde correspondentie van voor de zienswijzetermijn van [persoon A] met R. Schlepers, ambtenaar in dienst van de gemeente. Nu [persoon A] beroep heeft ingesteld namens deze drie personen faalt het betoog van de raad dat het beroep gelet op artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Evenmin bestaat naar het oordeel van de voorzitter, anders dan de raad stelt, aanleiding het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens de omstandigheid dat het procesbelang zou zijn vervallen. De door [appellante] en anderen gewenste ontwikkeling is immers nog niet in een onherroepelijk bestemmingsplan neergelegd, zodat zij naar het oordeel van de voorzitter belang hebben bij hun beroep dat is gericht op het toestaan van de desbetreffende ontwikkeling in het onderhavige bestemmingsplan. Hierbij betrekt de voorzitter dat slechts sprake is van een opdracht van de raad de door [appellante] en anderen gewenste ontwikkeling onder voorwaarden met een herziening van een bestemmingsplan mogelijk te maken.

2.4. Het bestemmingsplan maakt, gedeeltelijk na uitwerking, de bouw van een woonwijk van ongeveer 370 woningen mogelijk.

2.5. [appellante] en anderen stellen dat het eindverslag "Inspraak en vooroverleg bestemmingsplan Dedemsvaart, Bransveen" ten onrechte niet gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen.

2.5.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing met dien verstande dat in het artikel enkele aanvullende voorschriften worden gegeven. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. Anders dan [appellante] en anderen veronderstellen, kan het eindverslag in dit geval niet worden aangemerkt als een op het ontwerpplan betrekking hebbend stuk. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat het eindverslag niet wordt genoemd in de toelichting van het ontwerpplan. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat het eindverslag ten onrechte niet gelijktijdig met het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen.

2.6. [appellante] en anderen betogen dat de vaststelling van de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Woongebied - uit te werken" alsmede het meest zuidelijke plandeel met de bestemming "Woongebied" in strijd is met de gemeentelijke Structuurvisie Dedemsvaart die op 26 april 2005 is vastgesteld. In dit verband voeren zij aan dat het bestemmingsplan de zuidelijke grens van het te ontwikkelen woongebied, zoals opgenomen in de structuurvisie, met ongeveer 6,5 hectare overschrijdt zonder dat hiervoor stedenbouwkundige argumenten zijn gegeven.

2.6.1. De raad erkent dat de zuidelijke grens van het plangebied niet exact overeenkomt met de zuidelijke grens van de locatie die op twee kaarten in de structuurvisie is aangewezen ten behoeve van woningbouwontwikkeling. De raad stelt echter dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de in de structuurvisie gekozen uitbreidingsrichting en eveneens wat betreft omvang nauwelijks afwijkt van de in de structuurvisie gekozen locatie. Voorts stelt de raad dat de structuurvisie niet is bedoeld om op kavelniveau de ruimtelijke invulling te bepalen.

2.6.2. In de structuurvisie is vermeld dat deze een indirect bindende werking kent, nu deze vooral het gemeentebestuur bindt bij de besluitvorming over ruimtelijke projecten. Hiervoor geeft de structuurvisie soms concrete handvaten, zoals de uitbreidingsrichtingen, maar in andere gevallen worden meer denkrichtingen aangeduid. In de structuurvisie wordt de locatie Stegerensallee - zoals het onderhavige plangebied globaal werd aangeduid - als één van de drie belangrijkste uitbreidingswijken genoemd. Met betrekking tot deze locatie is in de structuurvisie als doelstelling vermeld dat vanaf ongeveer 2009 ter plaatse 400 woningen zullen worden gerealiseerd. Voorts zijn op twee globale kaarten in de structuurvisie onder meer de locaties voor woningbouwontwikkeling aangeduid.

2.6.3. De voorzitter overweegt - mede gelet op hetgeen hiervoor is vermeld - dat de woningbouwontwikkeling die met het onderhavige plan mogelijk wordt gemaakt in overeenstemming is met de tekst van de structuurvisie. Dat de zuidelijke grens van het plangebied niet exact overeenkomt met de zuidelijke grens van de locatie die op twee kaarten in de structuurvisie is aangeduid voor woningbouwontwikkeling, maakt naar het oordeel van de voorzitter niet dat het bestemmingsplan daarom in strijd met de structuurvisie is vastgesteld. Hierbij betrekt de voorzitter dat de bedoelde kaarten een globaal karakter hebben, dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat de structuurvisie niet is bedoeld om op kavelniveau de ruimtelijke invulling te bepalen en dat uit de structuurvisie niet blijkt van het tegendeel.

2.7. De voorzitter overweegt voorts dat in de enkele verwijzing van [appellante] en anderen naar eventuele planschadeverzoeken en vertragingsschade geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat het bestemmingsplan financieel niet uitvoerbaar is.

2.8. In hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Woongebied - uit te werken" alsmede het meest zuidelijke plandeel met de bestemming "Woongebied" strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.9. [appellante] en anderen betogen verder dat hun perceel ten noorden van het plangebied ten onrechte niet in het plan is opgenomen. In dit verband voeren zij aan dat zij op hun perceel eveneens woningen wensen te bouwen.

2.9.1. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht.

2.9.2. In dit verband betogen [appellante] en anderen dat de noordelijke plangrens is vastgesteld in strijd met de Nota Ruimte en de provinciale Omgevingsvisie. Hieromtrent overweegt de voorzitter dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan voornoemd beleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In de plantoelichting is expliciet aandacht aan voornoemd beleid van rijk en provincie besteed en is ingegaan op de verhouding van dit beleid tot het gemeentelijke beleid ter zake. Gelet hierop is aannemelijk dat de raad dit beleid in de belangenafweging heeft betrokken.

2.9.3. Met betrekking tot het standpunt van [appellante] en anderen dat de noordelijke plangrens is vastgesteld in strijd met de provinciale Omgevingsverordening, overweegt de voorzitter als volgt. Ingevolge artikel 2.1.3, van de provinciale Omgevingsverordening voorzien bestemmingsplannen uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie alsmede dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Anders dan [appellante] en anderen veronderstellen, betekent het enkele feit dat tussen het plangebied en de bebouwde kom ten noorden daarvan hun perceel ligt niet dat om die reden niet aan dit artikel is voldaan. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de noordelijke plangrens in zoverre is vastgesteld in strijd met de provinciale Omgevingsverordening.

2.9.4. Wat betreft het standpunt van [appellante] en anderen dat de noordelijke plangrens is vastgesteld in strijd met de structuurvisie, overweegt de voorzitter als volgt. Niet in geschil is dat de gronden van [appellante] en anderen in de structuurvisie eveneens zijn aangeduid ten behoeve van woningbouw. In de structuurvisie is echter niet bepaald dat deze woningbouwplannen tezamen met de woningbouwontwikkeling die in het plan mogelijk wordt gemaakt, dient te worden ontwikkeld. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de noordelijke plangrens is vastgesteld in strijd met de structuurvisie.

2.9.5. Wat betreft de door [appellante] en anderen gemaakte vergelijking met het perceel Stegerensallee [no.] wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat op laatstgenoemd perceel geen sprake is van een nieuwbouw van woningen. Op dat perceel staan immers voormalige agrarisch bedrijfswoningen die vanwege de beëindiging van het bedrijf worden gebruikt als burgerwoningen. Met het bestemmingsplan wordt de planologische situatie in overeenstemming gebracht met het feitelijke gebruik. In het aangevoerde ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.9.6. Met betrekking tot het standpunt van [appellante] en anderen dat het opnemen van hun perceel in het bestemmingsplan stedenbouwkundig, ruimtelijk en wat betreft fasering logisch zou zijn, dat dit mogelijk is nu er niet langer een milieucontour over het perceel ligt en dat het bovendien zou leiden tot een optimalisatie van de fietsverbinding, overweegt de voorzitter als volgt. Dat het opnemen van het perceel in het bestemmingsplan gelet op deze omstandigheden volgens [appellante] en anderen mogelijk is en volgens hen zelfs leidt tot een beter bestemmingsplan, maakt niet dat de raad hiertoe verplicht is. In dit kader wijst de voorzitter op de reeds onder 2.9.1. vermelde grote mate van beleidsvrijheid die de raad in deze toekomt. Hierbij betrekt de voorzitter voorts, zoals hiervoor reeds is overwogen, dat de raad het college van burgemeester en wethouders opdracht heeft gegeven de door [appellante] en anderen gewenste ontwikkeling onder voorwaarden door middel van een bestemmingsplanherziening mogelijk te maken.

2.9.7. [appellante] en anderen voeren in dit verband verder aan dat in de plantoelichting een onjuiste weergave van de situatie ter plaatse wordt gegeven. Naar het oordeel van de voorzitter hebben [appellante] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de plantoelichting, die overigens geen onderdeel is van het bestemmingsplan, dusdanige onjuistheden of onvolkomenheden bevat, dat om die reden reeds geoordeeld dient te worden dat de noordelijke plangrens is vastgesteld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. In het betoog van [appellante] en anderen dat de situatie in het eindverslag "Inspraak en vooroverleg bestemmingsplan Dedemsvaart, Bransveen" eveneens onjuist is weergegeven, wordt evenmin grond gevonden voor dit oordeel nu dat verslag geen betrekking heeft op het vastgestelde bestemmingsplan.

2.9.8. Mede gelet op het vorenstaande wordt in hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd voorts geen grond gevonden voor het oordeel dat een zodanige ruimtelijke samenhang bestaat tussen hun perceel en de gronden in het plangebied, dat deze reeds daarom in hetzelfde bestemmingsplan hadden moeten worden opgenomen.

2.9.9. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter in hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde noordelijke plangrens strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het plan in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.10. Het beroep is ongegrond. Gelet hierop behoeft het betoog van de raad dat artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet aan de vernietiging van het besluit tot vaststelling van de noordelijke plangrens in de weg staat, geen bespreking meer.

2.11. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Kooten-Vroegindeweij

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2011

559.